Het openbare en gemeenschappelijke gebed

Samuel Miller (1769-1850) was na Archibald Alexander de tweede hoogleraar die werd benoemd aan het Princeton Theological Seminary. Daar doceerde hij kerkgeschiedenis en kerkregering. Bij het laatste gaat het niet alleen om de wijze waarop de kerk wordt geregeerd maar om kerkrecht en de wijze waarop de eredienst wordt ingericht. In samenhang met dat deel van zijn leeropdracht schreef hij een boekje over het gemeenschappelijk gebed in de eredienst.

Bij de Britse uitgeverij The Banner of Truth verscheen een herdruk van dit werkje. In deze editie schreef Jonathan L. Master, de huidige president van Greenville Presbyterian Theological Seminary in Taylors, South Carolina een woord vooraf. Ik kan dit boekje iedere predikant en student in de theologie aanraden. Ik weet dat niet elke lezer van deze weblog Engels zodanig beheerst dat hij dit boekje zonder veel moeite kan lezen maar ik hoop dat de weergave ervan in deze bijdrage voor elke lezer nuttig is.

Miller schrijft dat aan het gemeenschappelijk gebed in de opleiding tot predikant vaak weinig aandacht  wordt geschonken en dan moet ik zeggen dat ik bij de opleiding die ik kreeg, er niet veel over heb gehoord. Terecht stelt Miller dat aanstaande dienaren van het Woord ook op dit terrein onderwijs moeten ontvangen.

Na een hoofdstuk met inleidende opmerkingen beschrijft de auteur in het volgende hoofdstuk de geschiedenis van het openbare gebed. Uit de eerste eeuwen van de geschiedenis van de christelijke kerk zijn ons geen gebeden overgeleverd. Dat had te maken met het feit dat alleen zij die aan het Heilig Avondmaal deelnamen het deel van de dienst mochten bijwonen waarin het gebed werd uitgesproken. De gebeden werden mondeling overgeleverd maar niet schriftelijk vastgelegd.

Miller is een warm voorstander van het vrije gebed. Daarin val ik hem bij. Ook als hij stelt dat gemeenschappelijke antwoorden van de gemeente op het gebed van de prediker een plaats hadden in de eredienst in de tijd van de apostelen. Echter, als hij stelt dat de kerk in de eerste vijfhonderd jaar van haar bestaan geen vast omschreven liturgie kende met vaste gebeden is dat niet juist. De liturgie van Johannes Chrysostomos dateert uit de vierde eeuw na Chr.

Miller wijst erop dat de gebedshouding niet essentieel is voor de waardigheid van het gemeenschappelijk gebed.  Echter, hij acht het niet zonder betekenis dat de Schrift zelf nergens aangeeft dat een gebed zittend werd uitgesproken. In de Vroege Kerk stond de gehele gemeente bij het gebed, terwijl zij op wie een tuchtmaatregel van toepassing was, geacht werden geknield te bidden. In de loop van de eeuwen kwam de gewoonte tot stand om als gemeente geknield te bidden. Ik wijs erop dat wij dit nog kennen voor het bruidspaar in huwelijksdiensten.

In de presbyteriaanse kerk waartoe Miller behoorde, was het de gewoonte dat de gehele gemeente stond bij het gebed. Wie in Schotland een dienst heeft bijgewoond in de Free Church of Free Presbyterian Church weet dat dit daar nog altijd het geval is. Miller constateert met verdriet dat in zijn tijd het niet meer overal voorkwam dat de gehele gemeente ging staan bij het bidden. Zelf ben ik er eerlijk gezegd ook een voorstander van dat dit gebeurt, al moet ik toegeven dat ik mij er nooit hard voor heb gemaakt dit in te voeren. Onder ons zien we dat alleen de kerkenraad bij het gebed gaat staan en in meerdere gemeenten een groter of kleiner aantal mannen.

Wanneer de gehele gemeente geacht wordt te gaan staan bij het bidden, is dat voor een predikant een extra reden gebeden niet te lang te maken. Miller stelt dat in principe de grens zo’n twaalf minuten is. Miller wijst daar niet op, maar het langste gebed in de Bijbel vermeld is het gebed van Salomo en wie dat rustig uitspreekt, komt op zo’n twaalf minuten. Vijftien minuten acht Miller de absolute grens voor de lengte van een gemeenschappelijke gebed.

Een van de klippen die een predikant moet vermijden, is dat het gebed feitelijk een soort preek wordt en hoe langer een gebed is, hoe groter dat gevaar wordt. Gebed is lofprijzing, smeking en dankzegging. Deze drie elementen behoren in principe in elk gebed voor te komen.

Miller adviseert predikanten om van te voren voor Gods aangezicht na te denken over de inhoud van het gemeenschappelijke gebed. Hij bepleit een variatie in het gebruik van de namen waarmee we God aanspreken. Dat is een van de middelen waarmee eentonigheid in ons bidden wordt voorkomen. De variatie waarmee de Schrift ons gebedstaal aanreikt – en dan mogen we met name aan de Psalmen denken – behoort terug te komen in gemeenschappelijke gebeden. Zo wordt mede voorkomen dat het vrije gebed toch feitelijk een vast omschreven gebed wordt en dan is sleur het grote gevaar.

Naast de reeds genoemde fouten van te eentonig bidden en te lang bidden en het gebed dat feitelijk een soort preek wordt, noemt Miller nog andere fouten waartegen gewaakt moet worden. Bij een bijeenkomst waarop meerdere predikanten het woord voeren, gebeurt  het weleens dat de predikant die de bijeenkomst of een deel van de bijeenkomst met gebed besluit in zijn gebed de sprekers of spreker prijst. Dat God hen heeft doorgeholpen, veel inzicht gaf enz. Met Miller ben ik van mening dat dergelijke lofprijzing op mensen niet past in het gebed.

Gebed mag evenmin gebruikt worden om kritiek te uiten. Als voorbeeld hoe het niet moet, noemt Miller een predikant die aanvankelijk naliet voor de president te bidden en toen hij daarop aangesproken er wel toe overging bad hij of God de president wijsheid wilde geven, omdat het ook God bekend was hoezeer het de president daaraan ontbrak. Wie dit leest, zal wellicht evenals ik nauwelijks een glimlach kunnen onderdrukken, maar toch ook moeten toegeven dat een dergelijk gebed ongepast is. Een gebed is niet het middel om via Gods troon kritiek op mensen uit te oefenen.

In het laatste hoofdstuk wijst Miller erop dat niemand er op mag rekenen dat hij de gave en genade die nodig zijn voor een werkelijk goed gemeenschappelijk gebed zal verkrijgen, als hij niet persoonlijk veel de verborgen omgang met God beoefend. Al zou er variatie in taal zijn en retorische schoonheid, dan worden toch de tonen van ootmoed, verwondering en heilige vertrouwelijkheid gemist. Van groot belang is om echt thuis te zijn in de gebedstaal van de Schrift en die vertrouwdheid ontstaat als we de vaste gewoonte hebben de Schrift meditatief en biddend te lezen.

Ik val Jonathan L. Master bij dat het lezen van dit boekje door allen die geroepen worden tot de taak van het gemeenschappelijk gebed onder Gods zegen kan bijdragen tot het welzijn van eigen ziel en daarmee ook tot de geestelijke gezondheid van de gemeente.

N.a.v. Samuel Miller, Thoughts on Public Prayer, 1849, herdruk met een woord vooraf van Jonathan L. Master (Edinburgh: The Banner of Truth, 2022), hardcover 216 pp., £11,– (ISBN 9781800402829)

Plaats een reactie