Theoretisch-praktische godgeleerdheid. Een omvangrijke en nuttige dogmatiek

Petrus van Mastricht (1630-1706) was predikant en professor aan de Universiteiten van Frankfurt, Duisburg en Utrecht. In Utrecht volgde hij zijn leermeester Voetius op en doceerde hij de laatste dertig jaar van zijn leven.

Zijn academische hoofdwerk is ongetwijfeld Theoretico-practica theologia. Het feit dat het in het Latijn was geschreven laat zien dat studenten in de theologie en predikanten de eerste doelgroep waren. Tot ver in de negentiende eeuw werd aan de universiteiten namelijk in het Latijn lesgegeven. Theoretico-practica theologia is binnen en buiten Nederland heel invloedrijk  geweest. Onder andere de grote Amerikaanse theoloog Jonathan Edwards roemde dit werk.

Het feit dat tussen 1749 en 1753 een Nederlandse vertaling van het genoemde werk uitkwam, laat zien dat men ervan overtuigd was dat een breder publiek met vrucht van dit werk kon kennisnemen en dat is ongetwijfeld het geval. Wel zal de lezer merken dat dit werk niet de eenvoud en directheid heeft van De redelijke godsdienst van Wilhelmus à Brakel. Brakel schreef zijn dogmatiek van meet af aan met het oog op het gewone kerkvolk. Maar voor wie bekend is met De redelijke godsdienst is Theoretisch-praktische godgeleerdheid een nuttige aanvulling.

In samenwerking met de Stichting Gereformeerd Erfgoed verscheen bij uitgeverij Koster in Barneveld een hertaling van dit omvangrijke werk van Petrus van Mastricht. De hertaling is het werk van Ruth Pieterman. Het is een zesdelige serie:

Deel 1 – De voorkennis van de godgeleerdheid – het geloof in God

Deel 2 – De werken van God – de zonde van de mens

Deel 3 – De verlossing door Christus

Deel 4 – De toepassing van de verlossing – de kerk

Deel 5 – De geschiedenis van de kerk

Deel 6 – De gehoorzaamheid aan de wet – de praktijk der Godzaligheid

De kracht van Theoretico-practica theologia is dat het de geloofsleer en de praktijk van de godzaligheid onlosmakelijk aan elkaar verbindt. Elk thema uit de geloofsleer wordt behandeld naar aanleiding van een Bijbeltekst en op een heldere en bondige wijze uiteengezet volgens de unieke vierdeling van een verklarend, een leerstellig, een weerleggend en een leerzaam praktisch deel.

Zelf nam ik onlangs het vierde deel door. Dan blijkt ook in dit deel dat Van Mastricht als vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie grote waardering had voor de puriteinen. In navolging van William Ames en in overstemming met de Westminster Confession of Faith schenkt hij nadat hij de rechtvaardiging heeft behandeld, afzonderlijk aandacht aan de aanneming tot kinderen. Kernachtig en terecht stelt hij dat de aanneming tot kinderen een doorluchtige trap aan de rechtvaardiging toevoegt.

Mij viel op dat Van Mastricht in navolging van zijn leermeester Voetius – en trouwens ook van Calvijn – bij de zichtbare kerk allereerst denkt aan de plaatselijke gemeente als openbaring van de katholieke kerk. Hij ontkent dat de gereformeerde kerk pas in de zestiende eeuw is ontstaan. Juist als wij de gereformeerde kerk zien als een gestalte van de katholieke kerk was zij er ook al vóór de Reformatie. De gereformeerde kerk is de erfgenaam van de apostolische leer van vóór de Reformatie.

Op de vraag of iemand die geen ware gelovige is, als lid van de kerk kan worden gezien antwoord Van Mastricht bevestigend. Alleen is hij geen levend lid. Als het gaat om de doop geeft Van Mastricht een uitvoerige verdediging dat niet alleen volwassenen die het geloof belijden, maar ook kinderen van christenouders behoren gedoopt te worden.

Degenen die gedoopt zijn, spoort Van Mastricht aan te staan naar de verzekering van de vergeving van zonden en te reikhalzen naar het avondmaal. Ik hoop dat deze korte weergave van dit omvangrijke werk voor meerdere lezers van deze bijdrage aanleiding is het aan te schaffen en vooral te lezen. Het hoeft geen betoog dat dit werk ook als naslagwerk kan worden gebruikt.

Petrus van Mastricht, Theoretisch-praktische godgeleerdheid, zes delen, ca. 4400 pp., €195,– (ISBN 9789055519699)

Plaats een reactie