Korte weergave van de inhoud
Al weer krap vijfentwintig jaar geleden verscheen in de serie Concordia Commentary een uitleg van de eerste brief aan de gemeenten van Korinthe van de hand van Gregory J. Lockwood. Lockwood was universitair hoofddocent exegetische theologie aan het Concordia Theological Seminary, Fort Wayne, Indiana, voordat hij terugkeerde naar zijn geboorteland Australië, waar hij ging dienen als professor en als predikant. Hij diende ook als zendeling in Papoea-Nieuw-Guinea.
Zoals voor de andere delen uit de serie Concordia Commentary het geval is, geldt ook van dit commentaar dat het uitgaat van de goddelijke inspiratie, onfeilbaarheid en het gezag van de Schrift en dat elke passage getuigt van de belijdenis dat God de wereld met Zichzelf heeft verzoend door de menswording, de bediening, de dood, de opstanding en de hemelvaart van Christus, Zijn Zoon. Naast een inleiding bevat ook dit commentaar in overeenstemming met de andere delen een aantal excursen en ook in dit deel verhogen de excursen de waarde van het commentaar.
In de inleiding wijst de auteur erop dat de boodschap van het kruis centraal staat. Heel mooi is het citaat van Luther dat hij in dit kader aanhaalt: ‘In deze brief spoort de heilige Paulus de Korinthiërs aan om één te zijn in geloof en liefde en erop toe te zien dat zij de hoofdzaak goed leren, namelijk dat Christus onze zaligheid is, de zaak waarover alle verstand en wijsheid struikelt.’
Lockwood laat zien dat een van de ontsporingen waartegen Paulus in deze brief waarschuwt, is de Geest en de gaven van de Geest los te maken van de persoon en het werk van Christus. De gaven van de Geest beantwoorden niet aan hun doel als zij tot zelfverheffing leiden in plaats van tot ootmoed en de wens het lichaam van Christus op te bouwen. De wijze waarop in Korinthe over de gaven van de Geest werd gedacht, stond niet los van de heidense visie dat de geest een kracht is die een mens boven de gewone orde verheft.
Als het gaat om het lezerspubliek, zo wordt in de inleiding duidelijk gemaakt, dan is het grotendeels een bekeerd niet-Joods publiek waarvan een deel als godvrezenden al een band hadden aan de synagoge. Er was binnen de gemeente ook een significant Joodse minderheid. De gemeente kwam in huizen bijeen. Wellicht kon het huis van Gajus/Justus (Hand. 18:7) de gehele gemeente bevatten. Dat betekent dat de gemeente hooguit honderd leden heeft geteld. Daarnaast zullen er bijeenkomsten in kleinere groepen geweest zijn in andere huizen. De meeste leden van de gemeente behoorden bij de armen maar een aantal onder wie Gajus/Justus en Erastus moeten deel hebben uitgemaakt van de elite van de stad.
De inleiding gaat ook in op de geografie, de geschiedenis, het religieuze landschap en de morele cultuur van de stad Korinthe. Lockwood laat zien waar het onderwijs van Paulus verschilt van dat van de stoïcijnen en epicureeërs. Terwijl de stoïcijnen beweerden dat alle dingen de wijzen toebehoren, stelt Paulus dat alle dingen toebehoren aan hen die van Christus zijn. De stoïcijnen keken elke dag welbewust op de prestaties van de afgelopen dag terug. Paulus stelt dat hij zichzelf niet beoordeelt, maar het oordeel aan God laat. De ascetische praktijken ten aanzien van het huwelijk waartegen Paulus zich keert, kunnen ten dele hun achtergrond hebben in de filosofie van de stoïcijnen en van de cynici.
Als het gaat om de epicureeërs noemt Lockwood dat deze filosofen de vrees voor de dood wilde overwinnen door te beweren dat het met de dood was afgelopen. Hier vind ikzelf het aannemen van beïnvloeding minder overtuigend , omdat men in Korinthe geen vragen lijkt te hebben gehad over het voortbestaan na de dood maar bij de opstanding van het lichaam.
De aanleiding voor de brief waren zorgen van de huisgenoten van Chloë, die Paulus hadden bereikt. Dan ging het om partijvorming en wellicht ook het feit dat men elkaar voor rechtbanken daagde en dat een gemeentelid met de vrouw van zijn overleden vader was getrouwd. Lockwood neemt aan dat het in beide gevallen om rijken gaat. Een rijke kon zich een proces veroorloven en won dat veelal. Een rijke kon denken dat hij zich meer mocht veroorloven. Als het gaat om de Griekse uitdrukking peri de (aangaande nu) (1. Kor 7:1, 25; 8:1; 12:1) noemt Lockwood met vele uitleggers dat Paulus dan ingaat op vragen die hem hadden bereikt.
Het is uiteraard niet mogelijk aan alle facetten van dit commentaar aandacht te schenken. Terecht wijst Lockwood er in een excurs over de gaven van de Geest op dat er geen reden is de gave van tongentaal uit 1 Korinthe 14 een andere inhoud te geven dan die van het boek Handelingen. Dat betekent dat tongentaal zoals dat nu in charismatische kringen wordt gepraktiseerd, niet overeenkomt met de nieuwtestamentische gave van tongentaal.
*
Het hoofd-zijn van de man en de hoofdbedekking van de vrouw
Ik leg de vinger bij de geboden uitleg van 1 Kor. 11:1-16. Lockwood vraagt er de aandacht voor dat het feit dat de man het hoofd van de vrouw is, verankerd ligt in de scheppingsorde. Het verlossingswerk van Christus heft de scheppingsorde niet op. Zoals God de vader het hoofd van Christus als Middelaar en Zoon is, is de man het hoofd van de vrouw. Dat laat zien dat het geen middelmatige zaak is als men aan het hoofd-zijn van de man over de vrouw geen recht doet. Dat is een blijvend beginsel.
De natuur en dat is de schepping leert dat voor een man lang haar een oneer is en voor een vrouw een eer. Al is de uitwerking niet altijd gelijk, ook in een kapsel komt het verschil tussen man en vrouw tot uiting. In Israël was alleen een nazireeërsgelofte aanleiding voor een man het haar niet te (laten) knippen, maar als de gelofte was vervuld deed de man dat weer.
Bij het bedekken van het hoofd door de vrouw denkt Lockwood terecht aan een sjaal of soort hoofddoekje. Dat een vrouw buitenshuis haar hoofd bedekte was heel gebruikelijk in het Midden-Oosten. Paulus verwacht dat vrouwen dit doen in de samenkomsten van de gemeente. Het onbedekt laten van het hoofd door vrouwen is geen gewoonte die Paulus bepleit en evenmin de andere gemeenten van God.
Een man die zijn hoofd bedekt onteert zijn hoofd en een vrouw die haar hoofd onbedekt laat onteert haar hoofd. Terecht gaat Lockwood er gezien de context vanuit dat een man daarbij Christus onteert en een vrouw de man. Ik wijs erop dat de Statenvertaling zowel in 1 Kor. 11:4 als 1 Kor. 11:5 ‘eigen hoofd’ heeft. Echter als bedoeld was zijn of haar eigen hoofd, zouden er in het Grieks heautou en heautès hebben gestaan en niet autou en autès.
Lockwood lijkt aan te sluiten bij de visie die wij ook in de kanttekeningen van de Statenvertaling vinden dat weliswaar het hoofd-zijn van de man een blijvend beginsel is maar dat als teken daarvan de vrouw in de samenkomsten van de gemeente een hoofdbedekking moet dragen niet universeel is. Ik kan in de tekst zelf daarvoor geen aanwijzing vinden.
Heel mooi en terecht is dat Lockwood bij de uitdrukking ‘om der engelen wil’ in 1 Kor. 11:10 verwijst naar Psalm 138:1. Daar staat in de Septuagint: ‘In de tegenwoordigheid van de engelen zal ik U psalmzingen.’ De engelen zijn in de samenkomsten van de gemeente aanwezig. Daar wijst ook de kerkvader Chrysostomus zijn hoorders op met verwijzing naar Psalm 138:1 als hij verwijt dat sommigen met elkaar staan te lachen, terwijl zij behoren te zingen. Hij zegt hen dan: ‘Weet u niet dat u staat (de gemeente stond in de Vroege Kerk; PdV) in het midden van de engelen?’
*
Het zwijgen van de vrouw in de gemeente en de vraag of vrouwen tot ambtsdrager mogen worden bevestigd
De excurs waarbij ik de vinger wil leggen is die over de vraag of vrouwen tot ambtsdragers bevestigd mogen worden. De excurs is gerelateerd aan 1 Kor. 14:34-40. In een enkel handschrift staat 1 Kor. 14:34-35 na 1 Kor. 14:40. Een reden voor deze verplaatsing is niet te geven. Ongetwijfeld staan de bewuste verzen in de overgrote meerderheid van handschriften op de juiste plaats en er is al helemaal geen reden om aan te nemen dat zij niet authentiek zijn.
Als Paulus in 1 Kor. 14:35 stelt dat vrouwen onderworpen moeten zijn zoals de Wet zegt, denkt hij ongetwijfeld, zoals expliciet uit 1 Tim. 2:11-15 blijkt, aan Genesis 2-3. Hoe moeten we het feit dat Paulus in 1 Kor. 14:34-35 de vrouwen verbiedt om in de gemeente te spreken verbinden met 1 Kor 11:4 waar over het bidden en profeteren van de vrouwen in de samenkomsten van de gemeente wordt gesproken? De gedachte dat Paulus met zwijgen slechts zou doelen op het evalueren van profetieën wijst Lockwood terecht van de hand. In 1 Kor. 14 komt het werkwoord laleoo dat Paulus hier gebruikt ook in het kader van profetie en tongentaal voor.
Meerdere uitleggers verdedigen de optie dat Paulus weliswaar verbiedt dat vrouwen in de samenkomsten van de gemeente gezaghebbend leren, maar dat profetie en spreken in tongen ook voor vrouwen in de samenkomsten van de gemeente is toegestaan. In hun kanttekening op 1 Kor. 11:13 wijzen de Statenvertalers op deze mogelijkheid. Moeilijkheid bij deze opvatting is de wijze waarop Paulus in 1 Korinthe 14 het werkwoord laleoo gebruikt.
De uitleg waar Lockwood voor kiest is dat vrouwen in de samenkomsten van de gemeente waar zij gebeden en profetieën aanhoren, hun hoofd gedekt moeten hebben. De Statenvertalers geven dat als eerste mogelijkheid in hun kanttekening bij 1 Kor. 11:4. Lockwood gaat ervan uit dat Paulus in 1 Kor. 11:1-10 duidelijk wil maken dat vrouwen in de samenkomsten van de gemeente een hoofdbedekking moeten dragen en pas in 1 Kor. 14-34-35 expliciet maakt dat vrouwen in de gemeente moeten zwijgen. Een verordening die ook profetie en tongentaal betreft.
Hij wijst op de parallel met 1 Korinthe 8-10. In 1 Korinthe 8 stelt Paulus dat eten van offervlees in een afgodentempel een struikelblok is voor een zwakke broeder. In 1 Korinthe 9 maakt hij duidelijk dat hij als apostel vrijheden die hij mag gebruiken opgeeft ter wille van het Evangelie, terwijl hij tenslotte in 1 Korinthe 10 elke participatie aan een heidense offermaaltijd afwijst. In zijn commentaar op 1 Korinthe heeft H.J. Jager, een gereformeerde vrijgemaakte hoogleraar van een vorige generatie, ook deze lijn verdedigd.
Lockwood brengt in het kader van wat Paulus schrijft over het zwijgen van de vrouw in de samenkomsten van de gemeente de kwestie van de vrouw in het ambt aan de orde. Hij bestrijdt dat dit een middelmatige zaak is waarover in de kerk geen eenstemmigheid behoeft te zijn en de gewetens vrijgelaten mogen worden.
De vraag of een vrouw al dan niet een ambt mag bekleden is gerelateerd aan de vraag of de Bijbel een eenheid is en de Schrift daarom zichzelf kan en mag uitleggen of dat de context waarin de Bijbel ontstond en vervolgens ook onze eigen context een zelfstandige betekenis hebben. Wanneer dat laatste het geval is, kan de Schrift niet alleen de uiteindelijke en hoogste bron en norm van ons geloof zijn en met die zienswijze gaat een wissel om die zich nooit laat beperken tot de plaats van de vrouw in de gemeente.
Lockwood wijst erop dat in vergelijking met het rabbinale Jodendom de vrouw bij Jezus en de apostelen een erepositie heeft. Zij delen ten volle in het onderwijs dat wordt gegeven en oudere vrouwen hebben als taak de jongere vrouwen te leren. Buiten de gemeentelijke samenkomsten kunnen ook vrouwen voor predikers van het Evangelie veel betekenen. Dan kan gewezen worden op Priscilla.
Als het gaat om de dochters van Philippus die profeteerden en Febe die een dienares was van de gemeente van Kenchreeën heeft Origenes er reeds gewezen worden dat geen van deze vrouwen in samenkomsten van de gemeente hebben gepreekt of leidinggevende taken hadden in de gemeente. Zelf merk ik nog op dat uit de context moet blijken of diakonos, het Griekse woord dat ook in Rom. 16:1 wordt gebruikt, een technische term is of simpelweg dienaar of dienares betekent.
Er is geen enkele reden aan te nemen dat Paulus zijn verordeningen als tijdelijke maatregelen had bedoeld om als christelijke gemeente geen aanstoot te geven in de Grieks-Romeinse wereld. Dat geldt temeer als wij bedenken dat in deze wereld in onderscheid met het Oude Testament wel ruimte was voor vrouwelijke priesters.
Als verordeningen een tijdelijk karakter hebben, geeft de Schrift dat zelf aan. Dan blijkt dat uit de context of is dat duidelijk gezien de overgang van de oude naar de nieuw bedeling. Echter de scheppingsorde wordt met die overgang niet gerelativeerd. Juist het feit dat de verhouding tussen Christus en Zijn kerk aan de hand van de scheppingsorde wordt getekend wijst op het tegendeel.
Tussen de gereformeerde geloofsleer en de lutherse geloofsleer zijn verschillen als het gaat om de sacramenten, maar evenals de luthersen stellen gereformeerden dat de kern van de sacramenten niet is dat wij ons geloof belijden of ons geloof verzegelen. In de sacramenten gaat het om het Evangelie. Bij de uitleg van 1 Korinthe 10 wijst Lockwood erop dat Paulus ook hier leert dat deelgenootschap aan de sacramenten nog niet betekent dat wij delen in de zaligheid. Het Evangelie zelf en ook het gebruik van de sacramenten is ons alleen tot zegen bij een levend geloof verbonden met bekering. Nu dat moeten we toch van harte beamen.
*
Conclusie
Wat voor de serie Concordia Commentary in het algemeen geldt, geldt ook voor het deel op 1 Korinthe. Het helpt voorgangers om de Bijbel uit te leggen en het Evangelie te verkondigen met meer inzicht, duidelijkheid en trouw aan de goddelijke bedoeling van de Bijbelse tekst. Een betere aanbeveling kan een commentaar niet worden gegeven.
Gregory J. Lockwood, 1 Corinthians, Concordia Commentary (St. Louis: Concordia Publishing House, 2000), hardcover 681 pp., $64,99 (ISBN 9780570063148)