Inleiding
Het boek Hooglied (letterlijk Lied der Liederen) neemt onder de Bijbelboeken een bijzondere plaats in. Hoe moeten we de liefdesrelatie zien die in dit oudtestamentische Bijbelboek wordt bezongen? Uit de discussies die door rabbijnen in de tweede eeuw na Chr. werden gevoerd, blijkt dat de canoniciteit van Hooglied buiten discussie stond. Zij keerden zich tegen een seculier verstaan van dit Bijbelboek en waren ervan overtuigd dat hier gezongen wordt van de liefde tussen de God van Abraham, Izak en Jakob en Zijn volk Israël. Daarom kon rabbi Aquiba Hooglied als het heilige der heiligen onder de door Gods Geest geïnspireerde boeken noemen.
Ook de christelijke kerk heeft het boek Hooglied zo verstaan, dat zij de inhoud van dit boek betrok op de relatie tussen Christus en Zijn kerk, maar die ligt in het verlengde van de zienswijze dat het gaat om de band tussen God en Zijn volk. De eeuwen door was deze uitleg onomstreden al klonken er ook andere stemmen. Castellio moest Genève onder andere verlaten omdat hij het boek Hooglied niet als een allegorie wilde zien.
Vooral vanaf de Verlichting namen Bijbelwetenschappers afstand van de gedachte dat de band tussen de bruidegom en de bruid in Hooglied boven zichzelf uitwijst, al ontbrak het niet aan tegenstemmen. Prof. L.H. van der Meiden (1882-1962), een christelijke gereformeerde hoogleraar van een vorige generatie, schreef in de serie Boeken bij de Bijbel een uitleg van Hooglied die hij als historisch, messiaans, transparant typeerde. Het boek Hooglied geeft aanwijzingen dat de liefde waarover gezongen wordt, alleen haar volkomen vervulling vindt in de liefde tussen God en Zijn volk, dan wel van Christus en Zijn kerk.
De laatste jaren zijn er wereldwijd meerdere artikelen over, en commentaren op het boek Hooglied verschenen waarin deze lijn wordt voorgestaan. Een ereplaats onder de commentaren waarvan dit geldt, is die van Christopher W. Mitchell in de serie Concordia Commentary. Deze serie wordt geschreven door auteurs behorend bij de Lutheran Church Missouri Synod, een lutherse kerk in Amerika die onverkort vasthoudt aan de lutherse belijdenisgeschriften. Mitchell zelf is redacteur van deze serie.
Ik kan niet nalaten te vermelden dat ik door de emailcorrespondentie die ik al jaren met hem voer – en die ontstond naar aanleiding van een recensie van mijn hand over een deel van de Concordia Commentary – een geestelijke band met Mitchell voel. Zou ik ooit weer in de gelegenheid zijn een bezoek te brengen aan de Verenigde Staten dan hoop ik zeker St. Louis aan te doen.
Ongetwijfeld zijn er verschillen tussen de gereformeerde en lutherse belijdenisgeschriften, maar wat die verbindt is de boodschap van Wet en Evangelie, van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Die boodschap doortrekt de delen van de Concordia Commentary.
Bij recensies van delen uit deze serie heb ik er al meer dan eens op gewezen dat wat deze serie zo aantrekkelijk maakt is dat het zonder reserve aanvaarden van de onfeilbaarheid van de Schrift samengaat met uitleg die van hoog academisch niveau is (ik denk aan de rubriek waarin Hebreeuwse en Griekse woorden en woordvormen worden geanalyseerd) en dat de uitleg tal van handvatten biedt voor de prediking. Deze serie is een voorbeeld van de overtuiging dat de theologie als wetenschap in dienst moet staan van de godsvrucht.
Omdat de rubriek waarin aandacht geschonken wordt aan de brontekst, gescheiden is van andere rubrieken kunnen ook degenen die de bronteksten niet beheersen, met vrucht de delen uit deze serie gebruiken. De delen zijn prijzig, maar men krijgt dan ook echt waar voor zijn geld. In het bijzonder collega’s en studenten wijs ik erop. Wie deze commentaren gebruikt, kan tal van anderen ongelezen laten.
*
De opzet en inhoud van het commentaar
Niemand in de kerkgeschiedenis heeft zo’n uitvoerig commentaar op de brief aan de Hebreeën geschreven als John Owen. Nu, als het gaat om Hooglied geldt dit voor Mitchell en evenals bij Owen doet de uitvoerigheid niets af aan de waarde aan betekenis van de uitleg maar vergroot het juist de waarde ervan. Zoals voor alle delen uit de Concordia Commentary geldt, opent ook het deel op Hooglied met een inleiding. Echter, geen inleiding is zo breed als deze. Hij telt nota bene 543 pagina’s.
Tal van zaken komen naar voren in deze zeer uitvoerige inleiding die uit tien hoofdstukken bestaat. De lezer kan er zonder bezwaar voor kiezen de hoofdstukken afzonderlijk te raadplegen. Nadat Mitchell heeft aangegeven waarom het boek Hooglied juist in onze tijd relevant is, geeft hij een uitvoerige verantwoording van zijn benadering.
Hij karakteriseert die als christologisch en analogisch en geeft aan dat het Hooglied ook vanuit dit perspectief is geschreven. De liefde tussen God en Zijn volk, c.q. Christus en Zijn kerk is model voor de liefde tussen man en vrouw. Mitchell onderbouwt zijn hermeneutiek op het beginsel dat de Schrift een eenheid vormt en daarom haar eigen uitlegster kan zijn. In zijn uitleg doet hij zijn winst met inzichten van kerkvaders en orthodox-lutherse theologen.
Een tweetal hoofdstukken uit de inleiding zijn aan de geschiedenis van de uitleg van het boek Hooglied en het gebruik ervan in de kerk gewijd. Door velen is sinds de Verlichting beweerd dat men het boek Hooglied bevrijdt heeft uit de kluisters van de traditioneel Joodse en christelijke exegese. De auteur bestrijdt en stelt dat de nieuw geboden uitleg waarbij Hooglied puur als een bundel liefdesliederen wordt gezien, geen recht doet aan de oorspronkelijke betekenis van het boek.
Binnen het protestantisme hebben het lutheranisme en anglicanisme vanaf het begin roosters voor vaste Schriftlezingen gekend. Vrijwel altijd ontbreekt het boek Hooglied, zo constateert Mitchell. Hij spreekt de wens uit dat dit in de toekomst anders wordt. Ik merk op dat ook in het rooster van Schriftlezingen dat te vinden is in het Book of Common Prayer van de Anglicaanse Kerk, het boek Hooglied niet voorkomt. In gezangen zijn er veelvuldiger zinspelingen op Hooglied te vinden. De auteur noemt onder andere How sweet the name of Jesus sounds (O Jezus, hoe vertrouwt en zoet klinkt mij Uw naam in ’t oor) dat gebaseerd is op Hoogl. 1:3. Zelf wijs ik er nog op dat in het Bijbelcommentaar van Dächsel in Hoogl. 2:4 een gezang/gedicht is te vinden dat de woorden: ‘Hij voert mij in het wijnhuis’ verbindt met het gebruik van het avondmaal:
Ik mag bij Hem in ’t wijnhuis zijn,
Daar laaf Hij mij met zoete wijn,
Die vloeit uit Zijne wonden.
En als ik dan mijzelf vergeet,
Is alles wat ik dan nog weet,
Hij stierf voor mijne zonden.
*
De aard van het boek Hooglied
Het Hooglied bezingt naar haar eigen getuigenis de liefde waarvan geldt dat zelfs de dood en het graf het niet van haar kunnen winnen. Het is een vuur waarvan de kolen als vlammen van de HEERE kunnen worden getypeerd (Hoogl. 8:6). Terecht stelt de auteur de vraag van welke liefde buiten de liefde van Christus tot Zijn kerk kan worden gezegd dat de dood het van haar niet kan winnen?
Dit sluit voor de auteur niet uit maar in, dat het Hooglied ook lessen geeft voor het huwelijk en de voorbereiding op het huwelijk. Zowel vóór het huwelijk als na haar trouwen, roepen de dochters van Jeruzalem ertoe op de liefde niet op te wekken noch wakker te maken voordat het haar behaagt. Dat is een oproep om vóór het huwelijk niet op het huwelijk vooruit te grijpen.
Het boek Hooglied is een getuigenis dat van de gave van seksualiteit niet vóór het huwelijk maar alleen binnen het huwelijk mag worden genoten. In metaforische taal betuigt de bruid dat zij als maagd het huwelijk inging en dat zij in het huwelijk trouw bleef aan haar man (Hoogl. 4:12-5:10; 8:10). Mitchell merkt op dat vanwege dit onderwijs van de bruid het boek Hooglied terecht een plaats krijgt onder de wijsheidsliteratuur. De kern van de wijsheid is het vrezen van de HEERE en daarbij hoort ook het ter harte nemen van het bijbelse getuigenis over huwelijk en seksualiteit bij.
Het tweede hoofdstuk van de inleiding is gewijd aan de vraag hoe wij het huwelijk moeten zien. Dan komen meerdere van zaken naar voren die bepaald niet alleen aan het boek Hooglied zijn ontleend. In dit hoofdstuk wordt Hooglied in de context van heel het Bijbelse getuigenis over het huwelijk bezien. Het huwelijk als scheppingsorde behoort sinds de zondeval een profetisch teken en een analogie van de verhouding tussen God en Zijn volk en Christus en Zijn kerk te zijn. Zo bezingt Salomo zijn relatie met Sulammith. In het licht van de heilsgeschiedenis en de voortgang ervan had het huwelijk van Salomo en Sulammith, zo stelt de auteur, dan ook een uniek karakter.
*
Hoe moeten wij het huwelijk zien?
Het tweede hoofdstuk van de inleiding is gewijd aan de vraag hoe wij het huwelijk moeten zien. Dan komen meerdere van zaken naar voren die bepaald niet alleen aan het boek Hooglied zijn ontleend. In dit hoofdstuk wordt Hooglied in de context van heel het Bijbelse getuigenis over het huwelijk bezien. Het huwelijk als scheppingsorde behoort sinds de zondeval een profetisch teken en een analogie van de verhouding tussen God en Zijn volk en Christus en Zijn kerk te zijn. Zo bezingt Salomo zijn relatie met Sulammith. In het licht van de heilsgeschiedenis en de voortgang ervan had het huwelijk van Salomo en Sulammith, zo stelt de auteur, dan ook een uniek karakter.
*
De taal en het woordgebruik van het boek Hooglied
Het Hebreeuws van het Hooglied deelt bepaalde kenmerken met Spreuken, Prediker en een aantal andere passages uit het Oude Testament. Lang is gedacht dat het geschreven is in een Noord-Hebreeuws dialect, maar er is te weinig bewijsmateriaal omdat aan te nemen. In ieder geval kan aan het Hebreeuws van Hooglied geen doorslaggevend argument worden ontleend voor de datering ervan en zeker niet voor een late datering.
Het Hebreeuws van Hooglied toont Aramese invloeden, maar dan moeten we niet vergeten dat de invloed van Aramees weliswaar vanaf de Babylonische ballingschap veel intensiever werd, maar toen niet begon. Het Aramees is niet minder oud dan het Hebreeuws. Er zijn vele overeenkomsten tussen linguïstische kenmerken van Hooglied en die van Ugaritische teksten uit het tweede millennium vóór Chr.
Meestal is in Hooglied de bruid aan het woord. Zij noemt haar bruidegom zesentwintigmaal ‘(mijn) liefste’. Het Hebreeuwse woord dôd dat hier wordt gebruikt heeft uitsluitend op de bruidegom betrekking en komt alleen in het boek Hooglied voor. In totaal vinden wij dit woord drieëndertigmaal. Dôdi (dôd met het suffix van de eerste persoon) betekent allereerst: ‘hij die mij liefheeft’. In het boek Hooglied wordt bovenal de uitnemende liefde van de bruidegom bezongen (Hoogl. 1:2). Dat wil niet zeggen dat de connotatie, dat de bruid in antwoord op de liefde van de bruidegom hem liefheeft, moet worden uitgesloten. Herhaaldelijk noemt de bruid de bruidegom immers: ‘degene die mijn ziel liefheeft’ (Hoogl. 1:7; 3:1, 3 en 4).
Mitchell wijst erop dat dôd een zinspeling kan zijn op David. In de zogenaamde defectieve spelling van deze naam die tot aan de overgang van het Standaard Bijbels Hebreeuws naar het Laat Bijbels Hebreeuws gebruikelijk was heeft dôd dezelfde consonanten als David. Daarnaast is er een relatie met de naam Jedidjah die Salomo als liefkozende naam van de profeet Nathan ontving.
De bruidegom noemt zijn bruid negenmaal ‘vriendin’ en eenmaal betuigt de bruid dat de bruidegom haar ‘vriend’ is. Het woord ‘vriendin’ komt afgezien van een variant in Richt. 11:37-38 en Ps. 45 uitsluitend in Hooglied voor. Feitelijk zijn de woorden ‘vriendin’ en ‘vriend’ te zwak. Ze verwijzen naar een diepe, gepassioneerde liefde. In Hoogl. 5:1 worden Salomo en Sulammith als vrienden aangesproken. Dan moeten we aannemen dat de dochters van Jeruzalem aan het woord zijn.
Het Hebreeuwse woord voor reeën dat wij in Hoogl. 2:7 en 3:5 tegenkomen heeft dezelfde spelling en uitspraak als legerscharen/heirscharen. Het zijn om de taalkundige term daarvoor te gebruiken homoniemen. De uitdrukking ‘hinden van het veld’ komt fonetisch en orthografisch ten dele overeen met de naam ‘God de Almachtige’. De auteur wijst erop dat wij zowel in de Septuaginta, de Targum en Midrasj Rabbah de woorden: ‘Ik bezweer u bij de reeën en hinden van het veld’ als een appèl op de HEERE als Schepper en Verlosser lezen. De schepping is namelijk een afdruk van Gods macht als Schepper en de God van Israël heeft Zichzelf bovenal geopenbaard in Zijn verlossend handelen bij de exodus en de intocht in Kanaän. De Septuaginta vertaalt: ‘bij de machten en krachten van het veld’.
In de Targum wordt Hoogl. 2:7 als volgt geparafraseerd: ‘Ik bezweer u, gemeente van Israël, bij de Heere van de legermachten en bij de machtigen van het land Israël, om niet op te gaan naar het land Kanaän, totdat het de wil van de Heer zou zijn, en totdat heel het geslacht van de krijgslieden geheel uit het midden van het kamp omkomt – zoals uw broeders, de zonen van Efraïm, verondersteld, toen zij uit Egypte wegtrokken, dertig jaar voordat de tijd gekomen was, en zij vielen in de handen van de Filistijnen, die in Gath woonden, en zij doodden hen. Wacht liever de periode van veertig jaar af, en daarna zullen uw zonen het [het land Israël] binnengaan en in bezit nemen.’
Mitchell brengt onder de aandacht dat bij de Hebreeuwse woorden ‘ammi-nadiw in Hoogl. 6:12 de vertalingen uiteengaan. De Statenvertalers hebben hier ‘mijn vrijwillig volk’. In navolging van de Septuaginta en de Vulgatha hebben de vertalers van de King James Version aan de eigennaam amminab/amminanib gedacht.
Nu kan het Hebreeuwse woord ‘am kan behalve ‘volk’ ook ‘bloedverwant’ betekenen. Het woord nadiw kan niet alleen als ‘gewillig’ worden opgevat maar ook als ‘vorst/prins’. Hieraan geeft Mitchell de voorkeur. Hij vertaalt dan ook: voordat ik het wist, zette mijn ziel/verlangen op de wagens van mijn bloedverwant-prins’. In de context van het boek Hooglied past deze opvatting beter.
*
De historische setting van het Hooglied
De historische achtergrond van het boek Hooglied hangt samen met de ontstaanstijd ervan. Egyptische liefdesliederen waarmee het boek Hooglied op een aantal punten formele parallellen vertoont dateren van het einde van het tweede millennium vóór Chr. Mitchell neemt het auteurschap van Salomo volstrekt serieus. Salomo was onder andere bekend om zijn aandacht voor flora en fauna (1 Kon. 4:33). Daar past bij het gegeven dat het boek Hooglied gedetailleerde en gevarieerde beschrijvingen van fauna en vooral flora bevat.
Toen Salomo het huwelijk met Sulammith aanging, had hij al zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen. Hierin is Salomo bepaalt niet een afspiegeling van de God van Israël en een type van de komende Christus. Wie is (de) Sulammith zoals de bruid in Hoogl. 6:13 wordt genoemd? Traditioneel is gedacht aan de dochter van farao. Dat sluit dan aan bij de opmerking van de dochters van Jeruzalem dat de bruid opklimt/opkomt uit de woestijn (Hoogl. 3:6; 8:5). De rabbinale exegese denkt hier aan de woestijn naar Kanaän die volgde op de uittocht uit Egypte.
Mitchell voert argumenten aan dat wij aan Abisag, de Sunamitische kunnen denken (1 Kon. 1:3, 15; 2:17, 21-22). Soms kunnen in de Semitische talen de letters lamed en nun worden verwisseld. Het moderne equivalent voor de plaats met de naam Sunem is Sûlam. De meeste handschriften van de Vulgata lezen Sulamitis, maar enkelen hebben Sunamitis. Vervolgens laat de auteur zien dat wij hoe dan ook in de naam Sulammith zinspelingen moeten zien op Salomo, sjaloom (vrede; zie Hoogl. 8:10) en Jeruzalem. Hij wijst erop dat de naam Sulammith ook ‘de volmaakte’ kan betekenen. Dan wordt een bijvoeglijk naamwoord of passief deelwoord dat gerelateerd is aan het werkwoord sjālēm aangenomen.
Bij Hoogl. 8:8: ‘Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?’ is de vraag wie hier aan het woord zijn en over wie er wordt gesproken. Bij de sprekers kunnen we het best aan de broers van de bruid denken. Broers hadden de taak te waken over de maagdelijkheid van hun zussen en het vervolg past daarbij. In Hoogl. 8:9 zeggen de broers dan: ‘Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken’, terwijl de bruid in Hoogl. 8:10 betuigt: ‘Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt.’
Als het gaat om ‘een kleine zuster’ is wel gedacht dat de broers van de bruid minachtend de bruid zo noemen. Echter, het is ook mogelijk dat er sprake is van een flashback. Een uitspraak die de broers in het verleden hebben gedaan, wordt geciteerd. Veelal wordt aangenomen dat het gaat om een jongere zus van de bruid. Ik wijs erop dat in de kerkgeschiedenis hier bij de bruid wel gedacht is aan de kerk van het oude verbond en bij de kleine zuster aan de kerk van het nieuwe verbond.
De bruid betuigt in Hoogl. 1:6 dat zij de wijngaard die zij heeft, niet heeft gehoed en dat daarom haar broers boos op haar waren. Vergelijking met Hoogl. 8:12 leert ons dat zij de wijngaard aan andere hoeders tegen beloning heeft toevertrouwd. Kennelijk wilde zij haar liefste ontmoeten. In Hoogl. 8:12 lezen we dat zij de opbrengst van haar wijngaard aan Salomo schenkt na aftrek van het loon voor de hoeders. Alles wat zij heeft, schenkt Sulammith aan Salomo.
*
De structuur
Als het gaat om de structuur van het boek Hooglied dan zijn er verschillende voorstellen gedaan die elkaar veelal grotendeels overlappen. Mitchell verdeelt het Hooglied in twee hoofddelen. Hij ziet Hoogl. 5:1 als scharnierpunt. Hier verwoordt de bruidegom dat hij het verlangen naar vereniging met zijn bruid heeft vervuld. In het eerste deel wordt de liefde tussen bruid en bruidegom in de tijd van ondertrouw bezongen en in het tweede deel de liefde tussen man en vrouw in het huwelijk.
Mitchell sluit zich bij verder bij onderverdelingen zoveel mogelijk aan bij de twintig aanwijzingen voor verdeling (de zogenaamde setumah’s) van de Masoreten (de overschrijvers van de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament die de consonantentekst van vocaaltekens en accenttekens voorzagen) met uitzondering van Hooglied 1:14; 2:13, 14; 3:8 en 6:9.
Hij komt tot de volgende verdeling:
I 1:2-17 Vereniging (1:2-4); ondertrouw ( 1:5-8); bruiloft (1:9-11); vereniging (12-17)
II 2:1-17 Bruiloft en vereniging (2:1-7); ondertrouw (2:8-15), bruiloft (2:16); vereniging (2:17)
III 3:1-4:7 Ondertrouw (3:1-5); bruiloftsstoet (3:6-11); 4:1-7 (bruiloft en vereniging)
IV 4:8-51 Ondertrouw (4:8); bruiloft waaronder beschrijving van Sulammith door Salomo (4:9-15); vereniging (4:16-5:1)
V 5:2-6:10 Nachtelijk zoeken van de vrouw naar haar man (5:2-8); beschrijving van Salomo door Sulammith (5:9-16); vertellende overgang (6:1- 3); tweede beschrijving van Sulammith door Salomo (6:4-10)
VI 6:11-8-4 Zoeken en gevonden worden (6:11-13); derde beschrijving van Sulammith door Salomo (7:1-9); Sulammith wenst dat zij haar liefde meer openlijk zou mogen tonen (8-1-4)
VII 8:5-14 Conclusie. Korte overgang (8:5); hoogtepunt van liefdesbetuiging 8:6-7; aansporende toepassing (8:8-14)
Mitchell merkt naar aanleiding van de beschrijvingen nog op dat in Hoogl. 5:10-14 Salomo van zijn hoofd tot zijn voeten wordt beschreven en Sulammith in Hoogl. 7:1-5 van de voeten tot het hoofd. In Hoogl. 4:9-10 waren alleen één van de ogen en de lippen van de Sulammith beschreven en in Hoogl. 6:6-7 alleen het hoofd.
*
Schriftgegevens die van belang zijn voor de uitleg van het boek Hooglied
Mitchell plaatst het boek Hooglied in de context van het bijbelse getuigenis dat begint met de schepping en eindigt met de voleinding. Hij merkt op dat de beelden van bomen, bloemen en een stroom van water herinneringen oproepen aan het paradijs. Mitchell noemt dat niet, maar in ons land kennen we de uitdrukking dat het huwelijk een bloem is die is overgebleven uit het paradijs. Het huwelijk is hoe dan ook een scheppingsorde en het huwelijk mag iets paradijselijks hebben als het echt een afspiegeling is van de liefde tussen Christus en Zijn kerk. Dan weet iedereen dat dat in de praktijk lang niet altijd het geval is, maar het gaat wel op voor de liefde tussen man/bruidegom en vrouw/bruid die in het boek Hooglied wordt bezongen.
Van het paradijs trekt Mitchell via het kruis en opstanding van Christus een lijn naar Zijn wederkomst. De band tussen Christus en Zijn kerk zal ten slotte uitlopen op de bruiloft van het Lam. Het nieuwe paradijs zal in heerlijkheid het oude paradijs overtreffen. De beelden van water en bomen in Hooglied verwijzen daarom ook naar de eeuwige heerlijkheid. In het verlangen van de bruid naar haar bruidegom horen we het verlangen van Gods kerk naar de wederkomst van haar Koning. De bede waarmee Hooglied besluit: ‘Kom haastig, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen’ (Hoogl. 8:14) mag als een bede om de wederkomst van Christus worden gelezen.
*
De sacramenten
Mitchell vindt ook verwijzingen naar de sacramenten in het boek Hooglied. Hij wijst erop dat in het dooponderricht van Ambrosius en Cyrillus van Alexandrië het Hooglied veelvuldig wordt geciteerd. In zijn catechetische toespraken kon Cyrillus van Jeruzalem spreken over de Christus dragende wateren (Hoogl. 4:12, 15) en hun reuk (Hoogl. 1:3, 12; 4:10-11; 7:8, 13). Zelf ziet Mitchell ook in de climax van de beschrijving van de liefde in het Hooglied, namelijk ‘Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken’ (Hooglied 8:7a) ook een zinspeling op de doop.
De auteur brengt naar voren dat de eeuwen door uitleggers veel meer zinspelingen naar het avondmaal in het boek Hooglied hebben gevonden. In het voorafgaande kwam Hoogl. 2:4 reeds aan de orde. Ik noem nu nog een aantal teksten waarop Mitchell in dit verband wijst. De eerste is Hoogl. 1:2: ‘Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.’ Hoogl. 2:5: ‘Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde’ en Hoogl. 5:1c: ‘Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken van liefde.’
De grote nadruk op de sacramenten waarbij de werking van het Woord en van de sacramenten minder worden onderscheiden dan in het gereformeerd protestantisme is kenmerkend voor het lutheranisme. Dat merken we ook in het commentaar van Mitchell. Ik voeg er wel direct aan toe dat de auteur niet nalaat op te merken dat het ontvangen van de sacramenten ons alleen maar tot zegen is als dat gebeurt in geloof. Dan laat hij er geen misverstand over bestaan dat het geloof een geschenk is van God.
Een christen weet zich van het begin tot het einde van zijn loopbaan aangewezen op Gods genade (vgl. Hoogl. 1:4; 2:4). De plaats van Salomo in het boek Hooglied lijkt op die van Christus in relatie tot Zijn kerk en die van Sulammith op die van de kerk in relatie tot Christus De posities van Salomo en Sulammith kunnen niet met elkaar worden verwisseld. In Hoogl. 5:2-8 vertelt Sulammith hoe zij geen gehoor gaf aan de roepstem van Salomo. Desondanks liet hij zich toch weer door haar vinden (Hoogl. 6:3v.).
Iedereen die de Engelse taal beheerst en zich grondig in het boek Hooglied wil verdiepen kan ik het commentaar van Mitchell aanbevelen. Wie geen Hebreeuws kent, moet dan gewoon de eerste rubriek van de uitleg maar overslaan. Voor predikanten is deze uitleg werkelijk een goudmijn vanwege de grondige analyse van de Hebreeuwse tekst, de gedegen uitleg en de rijke toepassingen voor het leven van de kerk en van christenen persoonlijk.
Salomo’s lied der liederen (zo luidt de titel van zijn boek immers letterlijk vertaald; zie de kanttekening van de Statenvertaling) heeft een diepe boodschap van liefde die God schenkt en bewerkt, van verlangen en genieten van de verborgen omgang met God door Christus en van het uitzien naar de eeuwigheid. De uitleg van Mitchell kan helpen daarop nog meer zicht te krijgen.
Christoffer W. Mitchell, The Song of Songs, Concordia Commentary (St. Louis: Concordia Publishing House, 2003), hardcover 1344 pp., $64,99 (ISBN 9780570062899)