Inleiding
De uitleg van Jesaja in de serie Concordia Commentary zal vijf delen bevatten. Inmiddels moet alleen het deel op Jesaja 28-39 nog uitkomen. Andrew H. Bartelt, die inmiddels emeritus-hoogleraar is, schreef in de Concordia Commentary het deel over Jesaja 1-12. Het is de vrucht van een jarenlange bestudering van het Bijbelboek Jesaja. Na een tweetal gemeenten te hebben gediend, werd Bartelt hoogleraar Oude Testament en academisch decaan van het Concordia Theological Seminary in St. Louis, een seminarie verbonden met de Lutheran Church Missouri Synod.
Evenals voor de andere delen uit de serie Concordia Commentary geldt, opent ook het deel over Jesaja 1-12 met een uitvoerige inleiding. Naast de uitleg en inleiding zijn er een aantal excursen – en ook dat geldt voor de andere delen – gewijd aan specifieke onderwerpen. In dit deel gaat het om een zestal.
*
De eenheid van Jesaja
Een van de vragen die naar voren komt bij de uitleg van Jesaja is of het gehele boek afkomstig is van Jesaja de zoon van Amoz, die leefde in de tweede helft van de achtste eeuw vóór Christus en stierf aan het begin van de zevende eeuw. Met de auteurs van de andere delen op Jesaja van de Concordia Commentary gaat Bartelt ervan uit dat dit inderdaad het geval is. Dat is een standpunt dat bepaald niet breed wordt gedeeld. In het recente verleden kan op Edward Young (presbyteriaan) worden gewezen en Alec Motyer (anglicaan). In onze tijd deelt John Oswalt (methodist) deze zienswijze. Hij schreef twee delen op Jesaja in de serie New International Commentary on the Old Testament.
Bartelt ontkent niet dat wij bepaalde bundels van profetieën kunnen onderscheiden waarvan Jesaja 1-12 de eerste is. Vooral bij de uitleg van Jesaja 40-66 komt de vraag naar voren wie deze hoofdstukken schreef, maar ook bij Jesaja 1-12 en breder Jesaja 1-39 nemen de meeste oudtestamentici aan dat er sprake is van vroeger en later materiaal en dat aan de tekst in zijn huidige vorm een lange redactionele geschiedenis ten grondslag ligt.
Bartelt signaleert dat in de oudtestamentische wetenschap, afgezien van de vraag naar het auteurschap, men wel veel meer oog heeft gekregen voor het feit dat het boek Jesaja een literaire eenheid vormt met allerlei literaire verbanden tussen de verschillende delen ervan.
Met name het feit dat Jesaja Babel identificeert als de vijand die ten slotte Jeruzalem zal verwoesten en de Perzische koning Cyrus noemt als degene die door de HEERE wordt gebruikt om Israël te laten terugkeren uit de ballingschap, wordt als argument aangevoerd dat dit zaken zijn die nooit uit de mond van Jesaja gekomen kunnen zijn. Terecht geeft Bartelt aan dat hier aan de orde is of de HEERE Zijn profeten deed spreken over zaken die buiten hun eigen tijd lagen. Dat geldt hoe dan ook van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarvan we lezen in Jesaja 65:16v. Als het gaat om de naam Cyrus oppert hij de suggestie dat dit aanvankelijk geen eigennaam was.
In de profetieën van Jesaja zijn twee historische brandpunten aan te wijzen en wel de Assyrische achtergrond van de achtste eeuw voor Christus en de dominantie van Babel in de zesde eeuw voor Christus. Bartelt neemt aan dat Jesaja de profetieën die met het tweede brandpunt te maken hebben, uitsprak in de laatste jaren van zijn bediening die een periode besloeg van ongeveer vijftig jaar (±742-±690 voor Chr.). Met Motyer gaat hij ervan uit dat de oorsprong en ordening van de profetieën van het boek Jesaja bij de profeet zelf moeten worden gezocht en niet bij latere redacteuren. Voor hem weegt zwaar dat het Nieuwe Testament citaten uit welk deel van Jesaja ook aan de profeet zelf toeschrijft.
Meestal begint men de tweede helft van Jesaja met Jesaja 40. Bartelt – die hierin overigens niet alleen staat – brengt een hoofdscheiding aan tussen Jesaja 33 en 34. Dan maakt de Assyrische focus definitief plaats voor de Babylonische focus. De Masoreten wezen er trouwens op dat Jesaja 33:22, een tekst vlak voor het einde van Jesaja 33, precies in het midden van Jesaja staat. Hier wordt een centraal thema uit Jesaja verwoord: ‘Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning. Hij zal ons behouden.’
De auteur is er zich van bewust dat er verschillen in taal en stijl zijn, als het gaat om de diverse bundels waaruit het boek Jesaja is opgebouwd. Met name de hoofdstukken Jesaja 40-55 onderscheiden zich door hun stijl en woordgebruik. Bartelt schrijft de variatie in taal en stijl toe aan de creatieve geest van de profeet. Met Motyer neemt hij aan dat Jesaja 40-55 niet de neerslag is van profetieën die al van tevoren waren uitgesproken, maar dat deze woorden direct schriftelijk zijn vastgelegd. Zo verklaart hij de typerende stijl en het eigen woordgebruik van deze hoofdstukken.
*
De boodschap van Jesaja
Aan het slot van de inleiding wordt uitvoerig aandacht geschonken aan de boodschap van Jesaja. Evenals anderen dat hebben gedaan, brengt Bartelt naar voren dat Jesaja zelf wist wat het betekent om zondaar te zijn in de tegenwoordigheid van de heilige God, maar dat hij ook wist van verzoening en vergeving. Deze wetenschap doortrekt zijn profetieën. Hij heeft de oordelen van de HEERE aangekondigd, maar ook dat er een rest zal zijn die zich bekeert en die terugkeert uit de ballingschap. Het Hebreeuwse woord sjoew heeft zowel de notie van terugkeren als van zich bekeren en die twee lopen meer dan eens door elkaar heen.
Het oordeel van de HEERE gaat – zo laten ons de hoofdstukken Jesaja 13-27 zien – over alle volkeren en ten slotte over de gehele wereld. Door het oordeel heen brengt de HEERE uiteindelijk een volledig herstel tot stand.
*
De structuur van Jesaja 1-12
In zijn uitleg van Jesaja 1-12 houdt Bartelt telkens deze bundel als geheel in het oog bij de bespreking van afzonderlijke passages en daarbovenuit het gehele boek Jesaja. Heel uitdrukkelijk vraagt hij in zijn bespreking van passages die hij uitlegt, aandacht voor de literaire context.
In Jesaja 1 wordt een samenvatting van de boodschap van Jesaja gegeven. Het is een boodschap van oordeel en van vergeving. In Jesaja 2-12 wijst Bartelt een chiastische structuur aan.
a Jesaja 2-4 De dag des HEEREN zal een dag van vernedering voor de mens en verhoging van de HEERE zijn met de focus op het Woord van de HEERE dat uit Sion zal uitgaan.
b Jesaja 5 Oordeel over Juda. De duisternis komt.
c Jesaja 6:1-8:18 Redding in de tegenwoordigheid van de HEERE en Zijn belofte voor Sion.
b’ Jesaja 8:8:19-10:4 Duisternis wordt veranderd in licht. Oordeel over Juda en Efraïm.
a’ Jesaja 10:5-12:6 De dag des HEEREN zal een dag van vernedering voor de mens en verhoging van de HEERE zijn met de focus op Zijn tegenwoordigheid in Sion.
*
De excurs over de ontwikkeling van de bijbelse eschatologie in relatie tot het dateren van teksten
Meerdere oudtestamentici menen dat Jesaja 2:1-5 pas van na de ballingschap zou zijn. De eschatologie van deze passage wijst op een ontstaan ervan na de ballingschap. Eenzelfde redenering wordt toegepast op Jesaja 4:2-6; 11:1-10 en 24:1-27:13. Terecht stelt Bartelt dat hier sprake is van een cirkelredenering.
Hij beargumenteert dat Jesaja 2:1-5 uit de mond van de profeet Jesaja kwam die leefde in de achtste eeuw voor Christus en die wist dat de HEERE in Sion een vuur heeft en in Jeruzalem een oven (Jesaja 31:9). Hij brengt naar voren dat met de voortgang van de openbaring steeds meer kon worden gezegd over het laatste der dagen waarvan reeds in Jesaja 2:2 melding werd gemaakt en al eerder trouwens in Hosea 3:5. Met Amos is Hosea namelijk de eerste Schriftprofeet.
*
De excurs over de profetie en identiteit van Immanuel
Aan Jesaja 7:14 (‘Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam Immanuel heten’) zijn tal van studies gewijd. De eerste vraag is al hoe het woord ‘almāh moet worden vertaald. De Septuaginta vertaalde hier met parthenos (maagd), maar elders komt ook de vertaling neanis (jonge vrouw) voor. In de rubriek waarin hij de Hebreeuwse tekst analyseert, laat Bartelt zien dat ‘almāh een ongetrouwde jonge vrouw van huwbare leeftijd is. In de Oosterse samenleving betekent dit dat je ervan uit mag gaan dat zij maagd is. Daarom houdt hij vast aan de vertaling ‘maagd’.
Hij legt er de vinger bij dat er feitelijk ‘de maagd’ staat. Het Hebreeuws heeft een lidwoord. Het meest waarschijnlijk acht hij het dat het lidwoord hier een generieke betekenis heeft en moet worden opgevat in de zin van ‘iemand uit de categorie van maagd’.
In zijn excurs stelt Bartelt terecht dat wij allereerst de vraag moeten stellen hoe dit woord in de toenmalige context werd gehoord om dan pas de lijn naar het Nieuwe Testament te trekken. Dat laatste moet echter wel nadrukkelijk gebeuren in de wetenschap dat het profetische woord zich niet tot de eigen tijd van de profeet beperkte. In dat verband maakt hij duidelijk dat een profetie gedeeltelijk onder de oude bedeling kan worden vervuld, maar dat de vervulling pas helemaal vol en volkomen wordt onder de nieuwe bedeling.
Bartelt wijst erop dat Immanuel in Jesaja 8:8 wordt aangesproken. Kennelijk is hij inmiddels geboren. De vraag is aan welk kind dan gedacht moet worden. Toen de profetie die wij vinden in Jesaja 7:14 werd uitgesproken, was Hizkia al geboren. De gedachte dat Immanuel met Maher-Schalal-Chaz-Baz, de zoon van de profeet die in Jesaja 8:3 wordt genoemd, gelijk moet worden gesteld, wijst Bartelt van de hand. Toen Jesaja het teken aan Achaz gaf had hij al een zoon, namelijk Schear-Jaschub, en daarom kon zijn vrouw geen ‘almāh worden genoemd. Ongetwijfeld had hij haar dan evenals in Jesaja 8:3 profetes genoemd.
Bartelt gaat ervan uit dat het gaat om een zoon uit het huis van David die geboren werd uit een vrouw die toen deze profetie werd uitgesproken, nog maagd was. In zijn analyse van de structuur van Jesaja 7:1-8:10 laat hij zien dat Jesaja 7:1-9 en Jesaja 8:1-4 met elkaar zijn verbonden. In beide passages lezen we over een zoon van Jesaja. In Jesaja 7:10-25 en Jesaja 8:5-8 gaat het daarentegen om Immanuel. Jesaja 8:9-10 moet als epiloog worden opgevat. Deze profetieën uit Jesaja 7:14 en Jesaja 8:5-10 verbindt Bartelt met Jesaja 9:1-5 en 11:1-10, zo blijkt uit de bespreking van die passages.
Bartelt acht het niet zonder betekenis dat in Jesaja 62:4 wordt gezinspeeld op de naam van Hefziba, de vrouw van Hizkia en de moeder van zijn opvolger Manasse (2 Kon. 21:1). Daarom doet hij de suggestie dat in eerste instantie werd gehoopt dat de zoon van Hizkia de lang beloofde zoon van David zou zijn. Dat bleek helaas niet het geval. Zo bleef de belofte van de nieuwe en uiteindelijke zoon van David onvervuld. Maria was niet alleen maagd toen zij de aankondiging hoorde dat zij de moeder van Davids grote zoon werd, maar ook toen zij metterdaad zwanger werd. Zij bleef maagd. In de geboorte van haar zoon die ook de Zoon van God was, kwam de profetie uit Jesaja 7:14 tot haar volkomen vervulling.
In Jesaja 1:21 wordt Jeruzalem als hoer omschreven, terwijl de HEERE in Jesaja 62:4 van het land dat bij Jeruzalem behoort zegt: ‘Mijn lust is aan haar’ (Hebreeuws: Hefzi-ba). Terwijl onder de oude bedeling de Davidsvorsten, tot de meest getrouwe toe, teleurstelden, geldt dat niet voor Jezus als mens geboren uit de maagd Maria.
*
Slot
Evenals bij de vorige recensie van delen uit de Concordia Commentary constateer ik ook bij dit deel dat grote academische bekwaamheid en diepe eerbied voor Gods Woord hand in hand gaan. Dat het laatste geen afbreuk doet aan de waarde van de geboden exegese blijkt ook uit een aanbeveling van de hand van H.G.M. Williamson, emeritus-hoogleraar Hebreeuws aan de Universiteit van Oxford. Hij deelt niet de Schriftvisie van Bartelt maar dat belette hem niet het volgende te schrijven:
‘De eerste vereiste voor elke verantwoordelijke student van de Bijbel is om te weten wat de tekst is en wat het betekent in zowel zijn directe als zijn bredere context. Door dit als primair doel te stellen, behoort men het gedetailleerde commentaar van Andrew Bartelt op Jesaja 1-12 onmiddellijk bovenaan te plaatsen in de eigentijdse analyses van deze hoofdstukken. Zowel specialisten als meer algemene lezers zullen allemaal profiteren van zijn attente en doordachte bespreking van deze essentiële hoofdstukken.
Andrew H. Bartelt, Isaiah 1-12, Concordia Commentary (St. Louis: Concordia Publishing House, 2024), hardcover 896 pp., $69,99 (ISBN 9780758672001)