De volharding van de heiligen wordt wel de kroon op de boodschap van Gods vrije genade genoemd. Het houdt in dat Gods liefde die geopenbaard is in het kruis van Christus en uitgestort wordt in het hart door de Heilige Geest nooit ophoudt. Niets kan en zal hen die God trok uit de duisternis tot Zijn licht van de liefde van God in Christus scheiden (vgl. Rom 8:39).
Omdat Gods liefde tot ons voorafgaat aan onze liefde tot Hem en geen begin kent, zal het ook een liefde zonder einde zijn. Heel ontroerend heeft John Newton in zijn lied ‘Amazing grace’ bezongen dat zalig worden van het begin tot het einde genade is. Daarom gaat het bij de leerstukken van de verkiezing tot zaligheid en de volharding van de heiligen.
Een van de brieven van Newton in de bundel Omicron and Vigil is gewijd aan de verkiezing en de volharding van de heiligen. Hij is geschreven aan iemand met wie Newton geestelijke verbondenheid voelde maar die met deze leerstukken moeite had. Newton laat zien dat zij in de Schrift worden gevonden. Hij legt uit wat ermee wordt bedoeld en onderstreept dat zij tot troost van ware christenen zijn. Ik geef een aantal passages uit deze brief door:
‘Wat betreft de uiteindelijke volharding, welk oordeel we ons er ook over vormen, als die alleen gestalte krijgt in een leerstellige zienswijze, zal de belijdenis van onze godsdienst volkomen vergeefs zijn, want alleen hij ‘wie volharden zal tot het einde, zal zalig worden’ (Matth. 24:13). (…)
De HEERE maakt aanspraak op de eer en Hij stelt Zichzelf garant voor het voltooien van een volkomen zaligheid, dat geen macht Zijn volk uit Zijn hand kan rukken of van Zijn liefde scheiden. De volharding in de genade, behalve dat zij te vinden is in vele uitdrukkelijke beloften, kan met vol bewijs aangetoond worden uit de onveranderlijkheid van God, de voorbede van Christus, de vereniging die tussen Hem en Zijn volk bestaat en van het beginsel van geestelijk leven dat Hij in hun harten heeft geplant en dat in zijn eigen natuur met het eeuwige leven is verbonden, want genade is het zaad van de heerlijkheid (…)
De leerstukken van de verkiezing en volharding van de heiligen zijn troostrijk, want zij snijden elke pretentie van roemen en vertrouwen in zichzelf af, wanneer zij werkelijk in het hart worden ontvangen. Daarom zijn ze erop gericht de Zaligmaker te verhogen. Uiteraard halen zij de trots van alle menselijke glorie neer en laten zij voor ons niets over dan alleen in de Heere te roemen.
Hoe meer we overtuigd zijn van onze totale verdorvenheid en onvermogen van het begin tot het einde, hoe uitnemender Jezus ons zal zijn. De gezonden kunnen een goed woord over de dokter spreken, maar alleen de zieken weten hoe zij hem moeten prijzen.
En hier kan ik niet anders dan een verschil constateren tussen degenen die op niets anders vertrouwen dan vrije genade, en degenen die tenminste iets toeschrijven aan een bepaalde goede aanleg of bekwaamheid in de mens. Wij stemmen volledig met de laatsten in als zij vanuit het Woord van God opkomen voor het onderwerp van de heiligmaking. We erkennen het belang ervan, haar uitnemendheid en haar schoonheid, maar wij wensen dat zij zich meer met ons verenigen in het verhogen van de naam van de Zaligmaker.
Het lijkt wel of hun ondervinding hen ertoe leidt over zichzelf te spreken en over de verandering die in hen tot stand is gekomen, en dat dit vooral afhangt van hun eigen waakzaamheid en inspanning. Ook wij zijn dankbaar als wij een verandering waarnemen die in ons gewerkt is door de macht van de genade. We wensen evenzeer wakend gevonden te worden. Maar wanneer onze hoop het levendigst is, is het veel minder van het onvolkomen begin van genade in ons hart dan van een bevatting van Hem Die ons alles is in allen.
Zijn persoon. Zijn liefde, Zijn lijden, Zijn voorbede, medelijden, volheid en getrouwheid zijn onze heerlijke thema’s van overdenking. Zij geven ons weinig aanleiding, wanneer wij het best gesteld zijn, over onszelf te spreken. Hoe wordt ons hart zacht en worden onze ogen betraand, wanneer we vrijheid voelen om over Hem na te denken en te spreken.
Want zowel in het verleden als in de toekomst is er voor ons geen andere hulp dan van Hem alleen. Als er mensen zijn die een nagelschrap aan hun eigen zaligheid konden toebrengen, was het meer dan wij konden.
Als iemand reeds gehoorzaam en getrouw was bij de eerste roepstemmen en indrukken van de Heilige Geest, was het bij ons niet het geval. Als iemand anders al van tevoren gewillig was Hem aan te nemen, dan weten wij daarentegen dat wij in een staat van vervreemding van Hem waren. Wij hadden soevereine, onwederstandelijke genade nodig om ons te redden of wij zouden voor eeuwig verloren zijn geweest.
Als iemand enige kracht in zichzelf heeft, dan moeten wij erkennen dat wij armer zijn dan zij. We kunnen niet waken, tenzij Hij met ons waakt. We kunnen niet strijden, tenzij Hij met ons strijdt. Wij kunnen geen moment staande blijven, tenzij Hij ons vasthoudt. We geloven dat wij tenslotte moeten vergaan, tenzij Hij in Zijn getrouwheid met ons doorgaat.
Maar wij vertrouwen erop dat Hij dat ook doen zal niet vanwege onze gerechtigheid maar vanwege Zijn eigen naam en omdat Hij ons liefheeft met een eeuwige liefde. Het heeft Hem behaagd ons in Zijn goedertierenheid naar Zich toe te trekken en Hij vond ons, terwijl wij Hem niet zochten.
Kunt u zich voorstellen dat iemand die leeft onder de invloed van deze gevoelens, begeert in zonde te blijven leven opdat de genade meerder wordt?! (…) We zijn ervan overtuigd dat geen leerstellingen of middelen ons hart kunnen veranderen en een godzalige wandel bewerken zonder effectieve kracht van de almachtige genade (…)
Wij belijden dat wij in alles tekortschieten en hebben reden beschaamd en verwonderd te zijn dat wij gering beïnvloed zijn door zulke verlevendigende beginselen. Maar dan blijft staan, onze gewetens getuigen ervan, en wij hopen dat wij zowel aan de kerk als aan de wereld verkondigen zonder vrees van tegenstrijdigheid dat de leerstukken van genade leerstukken zijn naar de godzaligheid.