Luther over het overdopen

In 1528 schreef Luther aan een tweetal predikanten een brief waarin hij ingaat op hun vragen hoe overdopen moet worden gezien.

(…) “Als nu de doop op zich goed is, dan hoeft die niet herhaald te worden, hoewel die ook verkeerd ontvangen werd: doe slechts het verkeerde weg, dan wordt alles goed zonder enige herhaling. Het misbruik neemt het wezen van de zaak niet weg, maar bevestigt daarentegen het wezen van de zaak. Ja, zonder wezen is er zelfs geen misbruik mogelijk.

Als nu het geloof meer dan tien jaar na de doop zou komen, waarom zou men dan opnieuw moeten dopen? Dan is immers aan de doop in alles recht gedaan en alles weer goed gekomen? Want de gedoopte gelooft nu zoals de doop vereist. Het geloof is toch niet omwille van de doop, maar de doop omwille van het geloof! Als dan nu het geloof erbij komt, dan heeft de doop het zijne en is de herhaling van de doop vruchteloos.
 
Als voorbeeld: wanneer een meisje tegen haar zin een man zou nemen, geheel zonder hartelijke huwelijksliefde tot de man, dan beantwoordt zij zeker niet – ook niet voor God! – aan wat van een getrouwde vrouw verwacht mag worden. Nu, na twee jaar huwelijk krijgt zij hem wel lief: moeten zij dan opnieuw verloven, opnieuw de trouwbelofte afleggen en een nieuwe bruiloft houden én daarbij beweren: omdat zij zonder huwelijksliefde zijn vrouw is geworden, dat daarom de voorgaande verloving en bruiloft geen waarde meer zouden hebben? Wie dat wil volhouden, zal zonder meer een dwaas genoemd worden, temeer omdat alles wat niet goed was, nu goed is gekomen en de man die zij op een verkeerde manier heeft aanvaard, nu recht gedaan wordt.

Hetzelfde gebeurt als een volwassen persoon, die zich op verkeerde gronden liet dopen, een jaar later gelovig zou worden. Lieve mensen, denkt u dat zo iemand ook weer opnieuw gedoopt moet worden? Hij heeft immers de goede doop op een verkeerde manier ontvangen – dan zou ik weleens willen weten of zijn verkeerdheid ook de doop verkeerd zou kunnen maken en of het misbruiken en zondigen van mensen sterker is dan de goede en vaste instelling van God? God maakte een verbond met het volk van Israël op de berg Sinaï, velen hebben toen dit verbond niet goed en gelovig aangenomen – wanneer nu hierna deze mensen tot geloof zijn gekomen, moet daarom ook het verbond verkeerd zijn geweest? Zou God dan voor ieder van hen opnieuw op de berg Sinaï moeten komen en het verbond weer vernieuwen?” 

Plaats een reactie