In 1523 schreef Luther als betrekkelijk nog jong theoloog Dass Jesus Christus ein geborner Jude sei. Tegen het einde van zijn leven publiceerde hij in 1543 Von den Juden und ihren Lügen. Dat boek had hij beter niet kunnen schrijven. Niet alleen in Dass Jesus Christus ein geborner Jude sei maar ook in zijn uitleg van de Lofzang van Maria (het Magnificat) dat in 1521 verscheen had Luther reeds positief over de Joden gesproken en er de christenen op gewezen dat met liefde en zachtmoedigheid moesten proberen Joden voor de Heere Jezus Christus te winnen.
‘De eeuwige belofte is voor de Joden bestemd ondanks hun ongeloof. Wanneer Maria echter zegt: “zijn zaad in eeuwigheid”, dan moet “eeuwigheid” in deze zin worden opgevat, dat die genade bij het geslacht van Abraham, dus van de Joden, van die tijd af alle eeuwen door zal duren tot op de jongste dag. Want hoewel de grote massa van de Joden verstokt is, zijn er toch nog steeds – hoe weinig ook in aantal -, die zich tot Christus bekeren en aan Hem geloven: want deze belofte van God liegt niet, wanneer zij verzekert, dat aan Abraham en zijn zaad de belofte is geschonken niet voor één jaar, niet voor duizend jaar, maar “in saecula”, d.w.z. van de ene mensheidseeuw op de andere, zonder ophouden. Door Gods vrije genade kregen de heidenen deel aan Christus.
Daarom moeten wij de Joden niet onvriendelijk bejegenen, want er zijn onder hen nog toekomstige christenen, en dagelijks komen erbij. Bovendien bezitten alleen zij, en niet wij heidenen zo’n belofte, dat er onder het nakroost van Abraham altijd Christenen zullen zijn, die het gezegende zaad erkennen; wat ons aangaat, wij zijn uitsluitend aangewezen op het welbehagen van God, die ons geen nadrukkelijke belofte geschonken heeft, van welke men niet weet, hoe en wanneer zij vervuld zal worden.
Wanneer wij christelijk leven en de Israëlieten met zachtmoedigheid tot Christus brengen, dan is dit wel de juiste methode. Wie zou Christen willen worden, als hij Christenen zo onchristelijk met medemensen ziet omgaan? Dit moet alzo niet zijn, waarde Christenen; men zegge hun op vriendelijke wijze de waarheid; willen zij niet, laat ze dan hun gang gaan. Hoeveel christenen zijn er niet, die Christus niet achten, naar Zijn woorden niet luisteren, die erger dan heidenen en Joden zijn: en dezen laten zij niettemin met vrede, vallen hun zelfs te voet en bidden hen straks aan als een afgod. Hierbij laten wij het voor ditmaal en smeken God om een juist verstaan van dit “Magnificat”, opdat het niet alleen lichte en spreke, maar brande en leve in lichaam en ziel.’