In het gezin waarin ik opgroeide, liepen we tot mijn veertiende jaar vanuit het dorp Kinderdijk naar het gebouw van de Gereformeerde Samenkomst dat aan het begin van Alblasserdam stond, en verwarrend voor buitenstaanders is, dat dit in de wijk is die Kinderdijk heet.
In het dorp Kinderdijk zelf stond maar één kerkgebouw. Dat liepen we niet voorbij want dat was vanuit ons huis zo’n tien minuten richting Nieuw-Lekkerland. We kwamen na zo’n kwartier wel langs het gebouw van de Oud Gereformeerde Gemeente dat toen nog aan de West Kinderdijk stond. Schuin tegenover dit kerkgebouw woonde ds. B. Toes in een eenvoudige arbeiderswoning.
Een enkele keer gebeurde het dat ds. Toes net uit zijn woning kwam als wij voorbij liepen. Dan volgde er een vast ritueel. Mijn vader nam zijn hoed af en zei: ‘Dag dominee Toes’. Dan nam vervolgens ds. Toes zijn hoed af en zei: ‘Dag meneer De Vries’. Ds. Toes stond niet voor niets bekend als de heer onder de oudgereformeerde dominees.
Als kind vroeg je je niet af waarom wij het kerkgebouw van de Oud Gereformeerde Gemeente voorbij liepen en daar niet naar binnen gingen. Jas(per) Stam, een geestelijke vriend van mijn ouders, ging er naar de kerk. Hij was de vader van mijn klasgenoot Nijs en van mijn latere zwager Gerrit. Dan kreeg je het gevoel dat wat er werd gebracht toch niet helemaal verkeerd was. Dat merkte je ook aan de manier waarop je ouders over ds. Toes spraken.
Aan het begin van mijn studententijd én als jong predikant woonde ik een dienst bij in de Oud Gereformeerde Gemeente van Kinderdijk. De eerste keer was op zondag en de tweede keer doordeweeks. De reden dat ik daar in mijn studententijd op zondag kwam, was dat ik samen met mijn broer Wim op een dag van de Rhodesia-zending in Urk ds. H. Wiltink had gehoord. Deze had gesproken over ‘Gij zijt het zout der aarde’ (Matt. 5:13). Hij had erop gewezen dat Daniël zo zout was, dat zelfs de leeuwen zich niet aan hem durfden te wagen.
Wim en ik vonden dat zo origineel en waren zo geraakt door zijn boodschap dat wij hem heel graag wilden beluisteren toen hij een aantal maanden daarna in het kerkgebouw aan de West Kinderdijk voorging. Daar moesten we dan wel een dienst in de Gereformeerde Samenkomst voor laten schieten. Normaal was mijn vader daar niet voor. We mochten wel ’s middags naar de Christelijke Gereformeerde Kerk, maar dat betekende dan dat je ‘s zondags drie keer naar de kerk ging.
Maar door wat wij over ds. Wiltink vertelden wilde mijn vader een uitzondering maken. Hij voelde dat wij ds. Wiltink wel heel graag nog een keer wilden horen. Ik weet nog dat, toen wij richting de Oud Gereformeerde Gemeente liepen, een kerkganger van de Gereformeerde Samenkomst, die ons in tegenovergestelde richting tegenkwam, ons niet wilde groeten.
De dienst van ds. Wiltink stelde ons niet teleur, integendeel. Hij sprak over Petrus in de gevangenis, en hoe er voor hem werd gebeden. In die tijd werden er alom telkens demonstraties gehouden. Ds. Wiltink zei dat de christenen in Jeruzalem niet de straat opgingen met de tekst ‘Petrus vrij’ op spandoeken, maar gezamenlijk in gebed gingen. Hij spoorde al zijn hoorders aan dat machtige wapen te gebruiken.
De tweede dienst in het kerkgebouw van de Oud Gereformeerde Gemeente van Kinderdijk die ik niet alleen zou bijwonen, maar vervolgens ook zou leiden, was de trouwdienst van de jongste zus van mijn vrouw. Zij maakte met haar huwelijk de overstap van de Hervormde Kerk naar de Oud Gereformeerde Gemeenten. Mijn schoonzus en zwager, zo vertelden zij mij later, hadden nog aan de kerkenraad willen vragen of ik de dienst mocht leiden. Maar omdat zij vreesden dat zij de kerkenraad daarmee in problemen brachten, hadden zij het niet gedaan.
Toen ik de morgen van hun trouwdag opstond, kwam het in mijn gedachten: stel dat ik nu de dienst zou moeten leiden, dan spreek ik over Psalm 25:4: ‘HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.’ De dienst zou om drie uur beginnen, maar om vijf over drie kwam ouderling Adrie Stam naar mij toe.
Ik had bij deze bakker in het jaar dat ik van de basisschool kwam, een aantal weken vakantiewerk gedaan en had daaraan zeer goede herinneringen overgehouden. Adrie Stam was trouwens de oom van mijn toen nog aanstaande en nu reeds overleden zwager Gerrit. Onmiddellijk voelde ik wat er aan de hand was toen ouderling Stam uit de consistorie kwam, en ik had mij niet vergist.
Wat bleek? De predikant die de dienst zou leiden, had zich in de datum vergist en dacht dat de trouwdienst de volgende dag zou plaatsvinden. Ook als hij direct in de auto zou zijn gestapt, zou het nog drie kwartier duren voordat hij arriveerde. De kerkenraad had verteld dat er onder de bruiloftsgasten een predikant was die zij kenden. Zo mocht ik dan toch de trouwdienst leiden van mijn schoonzus en zwager.
Ik had geen papier of wat bij mij, maar voor wie in kerkelijk Nederland thuis is, weet dat dit in oudgereformeerde kring bepaald geen bezwaar is. Ik sprak over de woorden uit Psalm 25:4. Helemaal aan het begin van mijn preek moest ik even op gang komen. Dat veranderde toen ik duidelijk maakte hoe je vraagt naar een weg die je niet kent of waarvan je niet zeker bent of je de goede in gedachten hebt. Toen waren er nog geen navigatiesystemen. Je vroeg aan iemand de weg als je de weg kwijt was of niet wist.
Zo mocht ik verkondigen dat wij van huis uit allemaal de weg kwijt zijn, maar ook dat God ons in Zijn Woord de weg wijst van verzoening met Hem door het bloed van Zijn Zoon en van wedergeboorte door het werk van Zijn Geest. Wie zo naar God leert vragen, wordt door God Zelf getrokken en wie zo God in Christus mag vinden, blijft zo naar Hem vragen omdat hij zonder Hem niets wil of kan doen. Nog altijd zie ik met veel vreugde op deze dienst terug.
Gods Woord zal bovenal nooit ledig weerkeren of tevergeefs verkondigd worden, maar doen wat Hem behaagt. Voor een doorn gaat een dennenboom op en voor een distel een mirteboom (Jes. 55:13). God verzoent nog altijd vijanden met Zichzelf en maakt nog altijd zondaren mede levend met Christus. ‘Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid.’