Uiterlijk wordt duidelijk dat wij bij Gods Kerk behoren als wij onder de prediking van het Woord komen en de sacramenten ontvangen. Wij moeten echter nooit vergeten dat zich op de dorsvloer van Gods kerk niet alleen koren maar ook kaf bevindt. Niet alle leden van de Kerk zijn levende leden. In artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden de merktekenen (kenmerken) van de ware gelovigen genoemd. Ik zou elke lezer van deze bijdrage willen aanraden dat artikel biddend te lezen.
Ik wijs ook op De Grote Catechismus van Zacharias Ursinus, een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus. Deze verscheen oorspronkelijk in 1562 (een jaar voor de Heidelbergse Catechismus). Ursinus gebruikte deze catechismus voor zijn theologisch onderwijs. Vandaar dat deze catechismus in het Latijn verscheen. Ze telt 323 vragen en antwoorden. In 1941 verscheen er een Nederlandse vertaling van de hand van ds. G. Bouwmeester.
*
Vraag 124 Hoe zullen wij voor onszelf weten dat wij tot de Kerk der heiligen behoren?
Indien wij gevoelen, dat het ware geloof en de waarachtige bekering tot God in ons begonnen zijn en wij dit met ons leven bewijzen.
*
Vraag 221 Maar daar uw geloof zo zwak is, hoe weet u dat u daardoor toch gerechtvaardigd wordt?
Omdat God allen in genade aanneemt die met het ware geloof voorzien zijn, hoe zwak dat ook mag zijn; en omdat Hij het werk dat Hij in hen begonnen is, voltooit.
*
Vraag 222 Maar waaruit weet u dat uw geloof het ware is en niet eerder het historische geloof of een inbeelding?
Ten eerste, omdat ik in mijn hart dit getuigenis van de Heilige Geest gevoel dat ik de aangeboden genade Gods in Christus ernstig begeer en aanneem, en dat ik nergens meer afschuw van heb dan van deze allergrootste zonde, namelijk in-Christus-niet-geloven, en dat ik derhalve tot de kinderen van God behoor.
Ten tweede, omdat ik gevoel dat de ware bekering tot God in mij is begonnen.