Wie het RD leest, heeft daaruit begrepen dat ik met het uitbreken van de oorlog tussen Israël, de Verenigde Staten en Iran in Israël was. Wie wil weten of ik ook in Israël bijdragen heb geschreven voor mijn weblog moet ik uit de droom helpen. Vrijwel alle bijdragen die worden geplaatst, zijn al twaalf tot zes weken van tevoren geschreven. Een enkele nog eerder en bij hoge uitzondering is een bijdrage nog korter voor de plaatsing ervan geschreven. Zijn ze geschreven dan plan ik datum en tijd in en dan hoef ik er verder niets aan te doen. Dat verklaart dat er ook tijdens mijn vakantie of als ik op reis ben bijdragen kunnen verschijnen.
De vraag is wellicht boven gekomen waarom ik daar juist nu was. Wel, al een half jaar geleden was deze reis gepland door Willem Anker die ik via een van de cursussen van ‘Godsvrucht en wetenschap’ heb leren kennen. Met collega ds. J.P. Boiten en een aantal deelnemers van een Bijbelkring die door de bewuste jongeman wordt geleid, zouden we naar Israël gaan.
Het zou mijn eerste reis worden. Er was nog nooit van gekomen Israël te bezoeken vooral ook door gezinsomstandigheden. Net als de andere deelnemers wisten we dat het spannend werd in het Midden-Oosten. Omdat het reisadvies geel was en er ook nog een bericht kwam dat er vooruitgang leek te zijn in de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Iran had de groep toch vrijmoedigheid te gaan. Zo lag het ook bij mij. Ik kon met vrijmoedigheid blijven bidden of de HEERE Zijn zegen over deze reis wilde gebieden. Zo vertrokken wij op 27 februari. Al een paar uur na onze aankomst werd het reisadvies oranje en als dat advies voor onze vlucht was gekomen waren we niet vertrokken. De Amerikaanse ambassadeur in Jeruzalem had aangegeven dat ambassadepersoneel dat wilde vertrekken dat het beste zo snel mogelijk kon doen.
*
De bedoeling was om op zaterdagmorgen (sabbat) 28 februari een dienst bij te wonen in de gemeente van ds. David Zadok. Ds. Boiten en ik maakten ons gereed om samen met de andere leden van de groep op een van de grotere kamers de maaltijd met elkaar te gaan gebruiken, toen wij een geluid van meerdere straaljagers en vervolgens de sirene hoorden.
Ds. Boiten zei net dat dit normaal was, toen wij hoorden dat wij naar de schuilkelder moesten. Bij aankomst in een hotel in Israël wordt al gezegd waar die te vinden is. We wisten waar we naartoe moesten. Op de trappen gingen ook mannen, vrouwen en kinderen zonder dat er sprake was van paniek naar beneden. In de schuilkelder vroeg ik aan een wat oudere man of Israël aangevallen was door Iran. Zijn antwoord was: ‘Nee, wij hebben Iran aangevallen’ (We attacked Iran).
In de dagen daarna merkten wij dat iedereen in Israël ervan overtuigd was dat binnen een aantal weken een aanval op Iran geopend zou worden. Dat de gesprekken met Iran iets zouden opleveren achtte men anders dan in Europa uitgesloten. Men was verwonderd dat wij in deze tijd naar Israël waren gekomen. Het is anders gegaan dan ik had gedacht. De geplande ontmoeting met Athalya Brenner, de promotor van mijn tweede proefschrift, die in Haifa woont, is niet doorgegaan.
De anderen en ook mij viel op hoe goed Israël is voorbereid op aanvallen door raketten. Als er raketten richting een deel van Israël komen, hoor je via je telefoon een waarschuwing. Als dan na tien of vijftien minuten de sirene gaat, weet je dat de raket op een doel in je nabije omgeving is gericht en heb je zo’n twee minuten om naar een schuilkelder of schuilplaats te gaan. Dat is ons in totaal veertien keer overkomen. De laatste keer was in de nacht van dinsdag op woensdag 4 maart toen wij in een hotel in Eilat waren omdat we via Egypte zouden terugreizen naar Nederland.
Met de andere leden van de groep heb ik wel Gods trouwe zorg en bijstand mogen ervaren. We dachten allen aan Psalm 91:1: ‘Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.’ Zelf werd ik ook bemoedigd uit Psalm 32:4 (berijmd):
Gij zijt mij, HEER, ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren;
G’ Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt,
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mens, naar ‘t recht doen hand’len,
En wijzen u den weg dien gij zult wand’len;
Ik zal u trouw verzellen met mijn raad,
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
Psalm 32:8 is trouwens mijn (ik kan helaas niet meer schrijven onze) trouwtekst: ‘Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.’
*
Omdat de dienst in de gemeente van ds. Zadok was geannuleerd, hebben we op de sabbat van 28 februari een dienst in een messiaanse synagoge in Jeruzalem bezocht. Jeruzalem is feitelijk het veiligst, werd ons gezegd. Schiet men raketten naar Jeruzalem dan zou die ook een van de heiligdommen van de islam kunnen raken. Zonder problemen kwamen we in Jeruzalem, maar tijdens de dienst ging drie keer het alarm af en telkens klonk zo’n tien minuten later de sirene. Telkens kon je dan na zo’n tien minuten weer naar boven.
Zondag was gepland dat wij de spelonk Adullam zouden bezoeken en dat ik daar een korte overdenking over de eerste verzen van 1 Samuël 22 zou houden. Dat laatste heb ik ook gedaan, maar wel in een hotelkamer en niet in de open lucht. Het werd namelijk afgeraden om buiten de directe nabijheid van een schuilkelder te zijn.
Toen wij van Shoresh, waar we de eerste dagen waren, naar ons hotel in Jeruzalem gingen, ging het alarm af toen een aantal van de groep al het hotel, dat zich vlak bij de Jaffapoort bevond, waren binnengegaan. Ik wilde dat ook doen, maar een tweetal soldaten gaven aan dat het de bedoeling was in de Jaffapoort te schuilen. Samen met nog een deelnemer van de groep heb ik daar zo’n kwartier gestaan. Overigens waren er ook mensen die zich van het alarm weinig aantrokken en gewoon voorbij kwamen lopen.
*
Een van de politiemannen vroeg zich wel af wat ons in deze tijd in Jeruzalem had gebracht. Hij was zelf ook een christen, zo gaf hij aan, maar er was niet de gelegenheid daar verder op door te vragen. Ondanks de dreigingen hebben we als groep de oude stad kunnen doorkruizen op de Joodse wijk na die was afgesloten. Dat gold ook voor de Tempelberg. Ik kan nu ook zeggen dat ik op de Olijfberg heb gestaan. We hadden een Nederlandse gids die in Jeruzalem woont en christen is en die heeft ons het een en ander verteld en ook relaties gelegd tussen de Bijbel en wat we zagen.
Toen wij dinsdagmorgen net het hotel hadden verlaten, klonk opnieuw het alarm en ook deze keer schuilde ik met een paar anderen van de groep in de Jaffapoort. Daar waren nu geen soldaten aanwezig. Toen we de Jaffapoort verlieten, zagen wij de twee soldaten en een van hen was met een aantal leden van de groep in gesprek en er stond nog een man bij. De politieman die het woord voerde bleek een Jood die Jezus als de Messias belijdt. Dat vond ik en vind ik heel opmerkelijk want het aantal Joden dat Jezus als de Messias belijdt is op de totale Joodse bevolking nog altijd gering.
De man die erbij stond was een Amerikaanse Jood die als vrijwilliger naar Israël was gekomen om daar een aantal weken te werken en nu via Egypte terug wilde naar de Verenigde Staten. Hij wist niet hoe hij de Egyptische grens kon bereiken. De politieman had al begrepen dat ook wij via Egypte naar huis terug wilden en vroeg of deze man met ons kon meereizen. Toen hij bereid bleek bij ons programma aan te sluiten, boekte ook hij een kamer in hetzelfde hotel in Eilat dat wij daar geboekt hadden om zo via Eilat naar Egypte te gaan.
Deze Amerikaanse Jood bleek een buitengewoon prettige reisgenoot te zijn. Het was een gepensioneerde advocaat die inmiddels weduwnaar was en vader van twee zonen. Zijn grootouders waren nog religieus geweest maar zijn ouders al niet meer en zijn enige band met de synagoge was dat zijn zoons bar mitswa (zoon van het gebod) waren geworden.
Voordat wij langs de Dode Zee naar Eilat reden maakten we een stop bij het park dat bekend staat als het park van de herberg van de barmhartige Samaritaan. Het park zelf was in verband met de oorlogsomstandigheden gesloten, maar op een berg daar vlakbij heeft de gids ons het een en ander verteld en ook een soort Bijbelstudie gedaan over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Het viel mij op dat onze Amerikaanse reisgenoot steeds zijn telefoon aan had staan. Dat deed hij om via een vertaalprogramma te horen wat onze gids zei.
*
Niet ver van het park van de barmhartige Samaritaan namen we afscheid van onze gids en zijn wij met onze drie gehuurde auto’s naar Eilat gereden. Er was al geregeld dat wij die daar konden inleveren en niet op het vliegveld Ben Goerion. De rit was heel mooi en we hebben nog een stop gemaakt bij de Dode Zee.
De volgende morgen zouden we met een taxi naar de Egyptische grens worden gebracht. Die kwam iets later dan verwacht. We besloten daarom een aantal liederen te gaan zingen en mede met het oog op onze Amerikaanse reisgenoot zongen we een drietal Engelse liederen: Amazing Grace, Rock of Ages (Vaste Rots) en Jehovak Tsidkenu (Eens was ik een vreemdeling). Het ontroerde mij en de anderen dat onze Amerikaanse vriend (want zo zagen we hem al heel snel) meezong.
Een van de leden van de groep had een Engelse Bijbel in de King James Version bij zich en die hebben we als afscheidscadeau aan onze vriend meegegeven. Hij bedankte ons en zei dat hij ons als barmhartige Samaritanen zou herinneren. Mijn bede is dat hij Hem mag leren kennen die deze gelijkenis heeft verteld en die naar deze wereld kwam om zondaren te redden.
De grensovergang van Israël naar Egypte nam in totaal twee uur in beslag. We zijn toen van de Egyptische grens met twee busjes naar Sharm el-Sheikh gereisd. Dat was een heel mooie route. Willem Anker had voor een zeer redelijke prijs kamers in een resort bij de golf van Aqaba kunnen boeken.
De volgende dag gingen we met een binnenlandse vlucht naar Hurghada. Omdat wij zes uur over hadden, zijn we nog met taxi’s naar de boulevard gegaan voor een wandeling. Op de boulevard bleek een Hollands eetcafé door een Amsterdammer gerund te worden. Daar hebben we nog heerlijk gegeten.
Precies om half negen ’s avonds steeg ons vliegtuig dat ons naar Amsterdam zou brengen op. We arriveerden daar om kwart over één ’s nachts. Willem heeft toen we allemaal onze koffers weer hadden een dankgebed gedaan voor de bewaring van de HEERE en ook voor de zegeningen die wij tijdens de reis hadden ontvangen. Er is ook gebeden voor het Joodse volk en in het bijzonder voor onze Amerikaanse vriend.
De schoonouders van Willem Anker hebben daar Willem, zijn vrouw Anne en mij opgehaald. Zij hadden ons ook naar Schiphol gebracht. Ik heb die nacht bij hen geslapen en vrijdag 6 maart vertrok ik om negen uur richting Nunspeet. Daar kwam ik rond kwart over tien aan. Mijn eerste reis naar Israël, waarvan ik niet hoop dat het mijn laatste is, is anders gegaan dan ik had kunnen vermoeden, maar het is ondanks — en misschien wel dankzij — de bijzondere omstandigheden niet alleen een gedenkwaardige, maar juist ook een gezegende reis geworden, waarop bemerkt werd dat er niets zo goed is als nabij God te zijn.