De oproep tot geloof en bekering en het gebed om geloof en bekering

Mogen wij God vragen of Hij ons geloof wil geven en de begeerte om voor Hem te leven? Meerderen zullen dat een vreemde vraag vinden, en ikzelf vind dat feitelijk ook. Nu is het zo dat ons bidden pas echt bidden wordt als wij bidden in geloof en niet meer pleiten op eigen werken en kwaliteiten, maar alleen op het werk van Christus. Daaruit wordt dan door sommigen de conclusie getrokken dat ongelovigen en onbekeerden niet opgeroepen moeten worden tot gebed om geloof en bekering, maar bevolen moeten worden onmiddellijk te geloven en zich te bekeren.

Dat laatste moet zeker gebeuren, maar wat er misgaat in deze benadering is dat de noodzaak van geloof en bekering en die van het gebruik van de middelen tegen elkaar worden uitgespeeld en niet op de juiste wijze met elkaar worden verbonden. Het feit dat God ons Zijn genade aanbiedt, betekent niet dat wij er niet om hoeven of mogen vragen. Dan denk ik aan de tollenaar met zijn bede: ‘O God, wees mij de zondaar genadig.’ (Lukas 18:13)

Toen hij terugkeerde tot de kerk, liep Augustinus ermee vast dat hij niet kon breken met zondige levenspatronen die hem van de HEERE afhielden. Hij ging bidden: ‘Geef U mij wat U mij beveelt en beveel dan aan mij wat U van mij wil.’ Later kon hij zeggen dat al biddend om Gods Geest leerde bidden door Gods Geest.

De bewuste benadering die meent de oproep tot geloof en bekering onverenigbaar acht met het gebed om geloof en bekering leidt ook tot de zienswijze dat een kind van God het moment moet kunnen aangeven waarop hij voor het eerst ging geloven en zich tot God bekeerde. Maar voor die gedachte biedt de Bijbel geen grond. Ongetwijfeld staat een mens of binnen of buiten, maar zeker als wij opgroeien in een christelijk gezin kunnen we vaak moeilijk aangeven waar exact het moment lag dat wij overgingen uit de duisternis in het licht. Het kan ook dat men gebed om genade te ontvangen voor gedoopte kinderen niet nodig acht vanuit de gedachte dat zij allen reeds in de genade delen. Maar tegen zo’n zienswijze waarschuwt de Schrift ons zeer uitdrukkelijk.

Als het goed is brengen christenouders hun kinderen het besef bij wat een voorrecht het is dat zij mogen horen van de ene Naam tot zaligheid. Zij vertellen hen waarom zij Christus nodig hebben; van huis uit zijn we allemaal kinderen des toorns. Zij wijzen hen erop dat wij als verloren zondaren welkom zijn bij Christus en hoezeer het de moeite waard is om voor Hem te leven. Dan mogen christenouders nooit uitsluiten dat de Heere Zijn goede werk al heel jong in het leven van hun kinderen kan beginnen.

Zij zullen hun kinderen al zo gauw zo kunnen lezen, helpen bij en stimuleren tot het zelfstandig lezen van de Bijbel en hen aansporen om dagelijks de naam van de Heere aan te roepen. In dit kader mag het gebed om een nieuw hart een plaats hebben. Niet in de zin van: ‘Bid er maar veel om.’ Dan wordt de indruk gewekt dat God niet gewillig is genade te schenken en wij Hem met onze gebeden daartoe moeten bewegen. Dan worden onze gebeden tot een grond gemaakt en komt de vraag boven: ‘Hoe lang en hoe vaak moet ik om een nieuw hart vragen?’

Kinderen mag worden verteld dat zij God mogen vragen of Hij hen wil laten erkennen en voelen dat zij vanuit zichzelf niet zonder vrees God kunnen ontmoeten, en of Hij hun de ogen wil openen voor Christus als de enige Zaligmaker, zodat zij tot Hem gaan vluchten en Hem liefkrijgen, en of Hij hen de kracht wil geven om met zonden te breken en tegen zichzelf te strijden.

Als een kind in kinderlijke woorden vertelt dat dit bij hem of haar het geval is, mogen we dat niet ontkennen. We moeten er evenmin de schijnwerper op zetten. Een kind kan nog niet zoals een volwassene zichzelf beproeven, en als we de schijnwerper op deze woorden van ons kind zetten is het gevaar groot dat het wensgedrag gaat vertonen. In de puberteit zal het dan voor hem of haar dubbel moeilijk worden.

Laten ouders hun kinderen biddend aan de Heere opdragen en pleiten op Gods toezeggingen die in de doop aan hen zijn verzegeld. Laten zij vragen of God Zijn goede werk in hun kinderen begint en zal voortzetten. De wens van christenouders moet toch zijn dat hun kinderen Christus leren kennen en daarmee de betekenis van hun doop gaan begrijpen en beleven, en daaruit gaan leven. Immers, zonder bekering en geloof wordt de doop ontheiligd en kan door eigen schuld de doop geen middel zijn om het geloof te versterken dat wij door genade tot een levend lidmaat van Gods kerk zijn gemaakt en dat eeuwig zullen blijven.

Ik besluit met een uitvoerig citaat uit een boekje met gebeden dat Theodorus Beza, de opvolger van Calvijn, schreef voor gezinnen. Het volgende is een gebed waaraan Beza de titel gaf: ‘Gebed om de gave van geloof te ontvangen’.

‘Zo groot is de ijdelheid, onkunde en onvastheid van onze natuur dat als U, o allerbarmhartigste God, niet in ons werkt wat U ons vraagt om te doen, als U ons niet leert dat wij U mogen kennen, als U ons niet bekeert zodat wij Uw Woord gaan aankleven, als U ons niet aan Uw Zoon geeft, opdat Hij ons voor U bewaart, als Hij ons niet gekleed in Zijn gerechtigheid tot de troon van Uw genade leidt, en als Uw Geest ons niet leidt in de paden van Uw koninkrijk, terwijl Hij ons bewaart bij de uitwerkingen van Zijn gave op de weg naar Uw waarheid, wij deze stem van de Herder van onze zielen niet horen, noch in onze harten zo’n levend geloof verkrijgen dat alle onzekerheid wordt uitgebannen en het verzegeld wordt met zijn eigen effectiviteit. Nog minder kunnen wij (zonder dat U ons geeft wat U ons beveelt) de vrede en vreugde voelen die het ware geloof met zich meebrengt.’

Plaats een reactie