Hoe moeten we de naam Jacob zien?
Mij werd een vraag gesteld over de exegese van de worsteling van God met Jacob aan de Jabbok. Hoe moeten we de vraag naar de naam van Jacob zien? In het fragment uit de zesde preek van Gottfried Daniël Krummacher over Gen. 32:24-31 komt het verband tussen kennis van zonde en kennis van Christus aan de orde. Dat was de reden dat ik het doorgaf. Hoe meer en hoe dieper wij onze zonde en ellende leren kennen, hoe groter het wonder van de verlossing voor ons wordt. Des temeer zal ook dankbaarheid ons vervullen dat Christus voor ons en in onze plaats de toorn van God heeft weggedra-gen
Zeker is dat Jacob dieper dan tevoren in zijn leven heeft verstaan dat hij de zegen van God onverdiend ontving. Hij had gemeend voor het ontvangen van de zegen God te moeten helpen. Op een bedenkelijke wijze had hij het eerstgeboorterecht verkregen. Door bedrog had hij ook de zegen die daaraan verbonden was ontvangen. Daarom gaf zijn broer Ezau aan zijn naam Jacob, waarin het Hebreeuwse woord ‘hiel’ doorklinkt, de betekenis ‘hielenlichter’’ of ‘bedrieger’.
*
Aan de ontmoeting met Ezau gaat de ontmoeting met God Zelf vooraf
Terwijl Jacob een verbond had gesloten met zijn schoonvader Laban om nooit meer terug te keren naar Mesopotamië kwam zijn broer Ezau hem met vierhonderd krijgers tegemoet. De bedoeling van Ezau was duidelijk. Hij had nadat Jacob door bedrog de belangrijkste zegen ontving, aangegeven dat hij Jacob in de toekomst zou doden. Alhoewel er inmiddels twintig jaar verlopen waren, was hij dat kennelijk nog altijd van plan.
Jacob kon geen kant op. Teruggaan was geen optie en voor hem leek de dood te liggen. In gebed legt Jacob zijn nood aan de HEERE voor (Gen. 32:9-12). Jacob beroept zich op het feit dat hij op Gods bevel de terugkeer naar het land en zijn familie heeft ondernomen. Hij pleit op Gods belofte dat God hem zal weldoen en zijn nageslacht vermenigvuldigen.
Aan Ezau zend hij vervolgens een werkelijk vorstelijk geschenk. Was die menselijke berekening een blijk van gebrek aan Godsvertrouwen? Zo is het wel uitgelegd, maar ik meen dat dit niet terecht is. Met Calvijn zie ik het zenden van het geschenk in positief licht. Jacob vergoedt zijn broer Ezau ruimschoots de materiële schade van het verlies van het eerstgeboorterecht.
Het ging Jacob niet om de materiële zaken aan het eerstgeboorterecht verbonden maar om te mogen delen in de messiaanse belofte die aan Abraham en vervolgens aan Izak was gegeven. We kunnen uit het gedrag van Jacob leren dat wij waar we het nog met mensen goed kunnen maken wanneer we hebben gefaald, dat niet moeten laten.
Aan de ontmoeting met Ezau gaat de ontmoeting met God Zelf vooraf. In deze worsteling smeekt Jacob de Man Die met hem worstelt, hem te zegenen. Hij blijft dat vragen ook als de zon aan de horizon verschijnt. Daarmee neemt Jacob een geweldig risico. Immers: ‘Wie zal God zien en leven?’ Jacob neemt dat risico omdat aan de zegen van de HEERE voor hem alles is gelegen. Daarbuiten is hij een verloren mens. En dan wordt Jacob gezegend.
*
Jacobs nieuwe naam
Aan de zegen die Jacob ontvangt, is het ontvangen van een nieuw naam – die van Israël – verbonden. Jacob mag naast zijn oude naam voortaan ook deze nieuwe naam dragen. Ezau had de naam Jacob als hielenlichter’ en ‘bedrieger’ ingevuld. Nu hadden Izak en Rebekka na diens geboorte jacob bepaald niet om die reden deze naam gegeven. Jacob mocht Jacob heten, omdat hij een vasthouder of door-douwer was.
Dat Jacob bij zijn geboorte de hiel van zijn broer Ezau vasthield kon als een voorspel op de worsteling aan de Jabbok worden gezien. Dat maakt ons ook Hosea duidelijk als hij in zijn profetieën een rechte lijn trekt van Jacobs geboorte naar zijn worsteling aan de Jabbok (Hosea 11:4-5). In de kanttekening van de Statenvertaling bij deze verzen worden zowel Jacobs worsteling met Ezau bij zijn geboorte als zijn worsteling met de Engel van het verbond als navolgingswaardige voorbeelden gezien voor zijn nageslacht aan wie de profeet hun ondankbaarheid ten opzichte van de HEERE verwijt.
Calvijn wijst er in zijn uitleg van Genesis 25:24-26 op de naam Jacob betekent dat Ezau met zijn woeste kracht na een tevergeefse worsteling is overwonnen. Bij Genesis 32:28 vermeldt Calvijn dat Jacob met het verkrijgen van zijn naam Israël een nieuwe en heldhaftigere naam krijgt. Niet om daarmee zijn naam Jacob helemaal af te schaffen, want ook die naam is – stelt Calvijn – een teken van Gods vermeldenswaardige genade. De naam Israël is echter nog heerlijker. Die getuigt van Jacobs hogere vordering in Gods genade.
Calvijn ziet in het feit dat Jacob bij de geboorte de hiel van Ezau vasthield, zoals ik al aangaf, een teken van de geestelijke worsteling in het leven van Jacob. Jacob is een van de voorbeelden van kinderen van God die reeds in de moederschoot Gods genade mochten ontvangen. De worsteling van Jacob om Gods zegen bereikte een hoogtepunt/dieptepunt in de worsteling aan de Jabbok.
*
De worsteling aan de Jabbok als een voorbeeld voor elke gelovige
Calvijn ziet in de worsteling van God met Jacob een beeld van wat al de gelovigen in dit leven over-komt. De Heere Zelf beproeft het geloof van de Zijnen. Beproeving is een zegen. Calvijn denkt hier nadrukkelijk aan alle beproevingen waarmee God tot de Zijnen komt. Ons hele leven hier op aarde van het begin tot aan het einde behoort het karakter van een worstelen met God te hebben waarbij wij gedurig op Zijn beloften pleiten en Hem telkens weer vragen om ons te zegenen.
Jacob mocht betuigen dat hij was blijven leven – zijn ziel was gered – ondanks het feit dat hij God had gezien van aangezicht tot aangezicht. In de Heere jezus Christus laat God ons Zijn vriendelijk en gunstrijk aangezicht zien. Daarom wordt in het Nieuwe Testament betuigt dat wie de Zoon van God aanschouwt en gelooft het eeuwige leven heeft. We zijn zalig en mogen leven niet vanwege het feit dat wij God hebben gezien van aangezicht tot aangezicht maar juist omdat wij zien op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof.
Daarvan wisten trouwens ook de oudtestamentische gelovigen al iets. Dan denk ik aan de wijze waarop in de Psalmen de dienst in het heiligdom met de daaraan verbonden offers wordt bezongen. Ik denk aan Psalm 27:4: ‘Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.’ Ik noem ook Psalm 63:3: ‘Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer.’
*
Een worsteling nog veel dieper en heftiger dan die van Jacob
Nog dieper dan Gods worsteling met Jacob is de worsteling van de Vader met Zijn Zoon Die mens werd en waarvan de climax de kruisdood van de Zoon op Golgotha is. Gods Zoon werd de zegen onthouden. Hij droeg de drinkbeker van Gods toorn leeg. Daarom is zegen en zaligheid voor iedereen die als een schuldig zondaar tot Christus komt en zich aan Hem vastklemt.
Aanvechtingen en strijd worden gelovigen niet bespaard. Echter, in onze hoogste aanvechtingen mogen wij verzekerd zijn en ons daarmee helemaal getroost weten dat onze Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in zijn gehele leven, maar in het bijzonder aan het kruis gezonken was, ons van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
*
Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE
Waar God Zich het diepst heeft verborgen, kwam hij ons het meest nabij. Daarom kan een christen alleen maar roemen in het kruis van Christus. Het geestelijke leven begint daar waar wij alles schade leren achten om de uitnemendheid van de kennis van Christus. Met Paulus wordt dan onze bede dat wij Hem nog meer mogen leren kennen (vgl. Filippenzen 3:7vv.).
In het leven van Jacob is Gods worsteling met hem aan de Jabbok een hoogtepunt en keerpunt geweest. Als erfgenaam van de belofte die opnieuw aan hem bevestigd was, keerde hij naar het hem toegezegde land terug. Zo mocht Jakob in Bethel opnieuw God ontmoeten, nadat de HEERE hem daar was verschenen toen hij vluchtte voor Ezau. Dan zien we vorderingen in de genade en meer kennis van God door verborgen omgang met Hem in het leven van Jacob.
Al was de worsteling aan de Jabbok een hoogtepunt in het leven van Jacob, het was bepaald geen eindpunt. Toen het einde van zijn loopbaan hier op aarde echt in zicht kwam bleef er voor Jacob niets over dan te belijden: ‘Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE’ (Gen 49:18). Laat dat wachten op God ook ons leven stempelen. Dan komen we nooit beschaamd uit.
Ik blijf den Heer’ verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord;
Ik hoop, in al mijn klachten,
Op Zijn onfeilbaar woord;
Mijn ziel, vol angst en zorgen,
Wacht sterker op den Heer’,
Dan wachters op den morgen;
Den morgen, ach, wanneer?
*
Hoopt op den Heer’, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.