Hoe God het vertrouwen op Zijn barmhartigheid in Christus in ons bewerkt en levend houdt

Als het Woord verkondigd wordt zoals de Heilige Geest het bedoeld, worden wij in de prediking voor Gods rechterstoel gedaagd en schuldig verklaard. Weliswaar heeft een mens als beelddrager van God ook na de zondeval nog enig besef van goed en kwaad, maar het geweten van de mens is bepaald geen betrouwbare gids als zij niet onderworpen is aan het geopenbaarde Woord van God.’

Op meer dan één terrein voelen we niet als zonde aan wat wel zonde is en ook omgekeerd: wij menen dat iets zonde is terwijl dat niet het geval is. Los van Gods Woord ontbreekt ons vooral het zicht om de ernst en omvang van de zonde, namelijk dat wij in geestelijk opzicht onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Om te weten wie God is en wie wij zijn, hebben wij het geopenbaarde Woord van God nodig.

In het Woord wordt ons bovenal de weg van verzoening en verlossing door Jezus Christus geopenbaard. Daarom mag en moet in de prediking de zondaar die schuldig is verklaard, gewezen worden op de volkomen Zaligmaker Jezus Christus.

In een bijbelse prediking functioneert de tweeslag van wet en Evangelie. De wet die ons schuldig verklaart en het Evangelie dat ons betuigt dat wie de Zoon van God aanschouwt en gelooft vergeving van zonden en eeuwig leven heeft.

Zonder de aanklacht van de wet verliest het Evangelie haar betekenis en wordt geloven, als men nog orthodox wil zijn, niet meer dan: ‘ik houd voor waar dat Christus voor zondaren gestorven is en dat houd ik ook voor mijzelf waar.’

Wat ontbreekt is dat men als schuldig zondaar tot Christus is gevlucht en dagelijks op Hem steunt en bij Hem schuilt als de zonden benauwen. Immers die benauwdheid kent men niet. Daarom ontbreekt ook de echte troost van het Evangelie. Zo is het geloof meer een bespiegeling dan het vaste vertrouwen op Gods genade in Christus dat in nood en aanvechting wordt geboren en beoefend.

Kohlbrugge merkt naar aanleiding van het eerste antwoord van de Heidelbergse Catechismus op waar over de enige troost in leven en sterven wordt gesproken dat troost droefheid vooronderstelt en dan geen droefheid van de wereld maar droefheid naar God.

De wet is om ons uit te drijven tot Christus. Zonder het Evangelie leidt de wet tot wanhoop, gelatenheid of eigengerechtigheid, maar nooit tot geloof en bekering. Het middel daartoe is juist het Evangelie en de prediking van het Evangelie en dan is het de Heilige Geest Die het geloof in de Heere Jezus Christus in ons hart ontsteekt.

Heel indringend heeft Calvijn deze zaken verwoord onder ander in de brief die hij schreef aan kardinaal De Sadolet. Ik geef een passage uit deze brief door:

‘Ten eerste, laten wij de mens aanvangen met de zelfkennis. Niet lichtvaardig of oppervlakkig echter; maar hij moet zijn geweten voor Gods rechterstoel brengen, en wanneer hij dan overtuigd is van zijn zondige toestand, zal hij ook de strengheid bedenken van het vonnis, dat over alle zondaren geveld is.

Zo valt hij, vernietigd en verslagen over zijn ellende, ootmoedig voor God neer, laat alle zelfvertrouwen varen, en spreekt zijn gehele verlorenheid uit. Dan wijzen wij hem op de enige grond van behoud: de barmhartigheid Gods, zoals zij ons in Christus is geopenbaard, want alles, wat tot ons heil dient, is in Hem vervuld.

Omdat dan alle sterfelijke mensen voor God als zondaren veroordeeld liggen, noemen wij Christus onze enige Gerechtigheid; met Zijn gehoorzaamheid heeft Hij onze overtredingen uitgedelgd, door Zijn offerande Gods toorn verzoend, met Zijn bloed onze smetten uitgewist, door Zijn kruis onze vloek opgeheven, door Zijn dood voor ons genoeg gedaan.

Zo voltrekt zich, volgens onze lering, de verzoening des mensen met God; niet door enige verdienste, niet door de waarde onzer werken, doch alleen door vrije genade. Omdat wij echter Christus in het geloof omhelzen en in gemeenschap met Hem treden, noemen wij dat naar de wijze der Schrift: rechtvaardiging door het geloof.

Wat hebt gij nu daar tegen, om ons aan te vallen, Sadoleto? Misschien dat wij geen ruimte laten aan de werken? Ja, als het gaat om de rechtvaardiging des mensen, laten wij die geen haar breed meetellen. Want overal spreekt de Schrift ervan, dat wij allen verloren zijn; bovendien beschuldigt ook het geweten de mens voldoende. Geen hoop blijft over, dan alleen Gods goedheid, die ons onze zonden vergeeft en ons rechtvaardig verklaart, zo leert het de Schrift. Beide noemt zij vruchten van vrije genade. (Rom. 4:7).’

Plaats een reactie