In de kerkbode van Opheusden, Kesteren en Lienden stond in het nummer dat zaterdag 8 november 1990 verscheen, de volgende bijdrage van mijn hand. Ik geef hem met een aantal kleine wijzigingen door.
De laatste Bijbellezing was er een vraag of het mogelijk is dat mensen met vreugde en blijdschap over Gods genade spreken, terwijl ze zelf in het gemis leven, ja soms voor hun eigen gevoel alles missen. Deze vraag is heel belangrijk. Daarom schenk ik er ook in de kerkbode aandacht aan. Het komt namelijk inderdaad voor, dat mensen van harte tevreden zijn met de weg van verzoening door voldoening en toch niet durven belijden dat zij zelf gereinigd zijn door Christus’ bloed.
De Schotse predikant Kenneth Macrae (1883-1963) heeft zijn leven lang een dagboek bijgehouden. Na zijn dood is een selectie daaruit gepubliceerd. In dit dagboek maakt hij ergens een opmerking over een man, die hij ontmoette op het eiland Skye. Met eerbied en diepe ontroering sprak deze man over de heiligheid van God, de verdorvenheid van zijn hart en lieflijkheid van Christus. Het ergste is, zo zei hij tenslotte onder tranen, dat ik nog overal buiten sta. Macrae schrijft dan in zijn dagboek: “Alles wat de man zei was waar, behalve het laatste”.
Is het mogelijk, dat iemand heilig verheugd is over het Middelaarswerk van Christus zonder er zelf deel aan te hebben? We moeten twijfel nooit goed praten. Maar elke ware gelovige heeft te strijden tegen zijn twijfelzieke hart. Beter is een waar geloof vermengd met veel twijfel, dan helemaal geen geloof of een ingebeeld geloof. Geloven betekent trouwens niet allereerst dat je zeker bent van je eigen christen-zijn, maar dat je zeker bent van Gods genade in Christus.
Wat baat ons de zekerheid dat wij een christen zijn, als we niet geleerd hebben als een doemwaardig zondaar tot Christus te vluchten?! De zekerheid die we dan bezitten, is een zekerheid zonder fundament. Het is niet de zekerheid die door de Heilige Geest wordt gewerkt. Toen de kamerling begeerde om gedoopt te worden, beleed hij niet: “Ik geloof dat ik een kind van God ben”, maar “Ik geloof dat Jezus de Zoon van God is”.
Het is zeker waar dat iedereen die door een oprecht geloof tot Christus heeft leren vluchten een kind van God is. Het leunen op Christus, het roemen in vrije gunst alleen dient echter centraal te staan, de zekerheid van het eigen christen-zijn is daaraan onlosmakelijk verbonden, maar tegelijkertijd ook daaraan ondergeschikt.
Ik kan hier nog aan toevoegen dat er uiteindelijk een wezenlijk verschil is tussen het bewustzijn van een kind van God en van al degenen die niet zijn wedergeboren tot een levende hoop. Echter niet al Gods kinderen durven zichzelf daarvoor te houden. Allerlei factoren spelen daarbij een rol. Verwarde inzichten, een onheldere prediking waar men onder opgaat, mensenvrees, karakterstructuur, enz.
Dit is zeker, hoe verder de Zon der gerechtigheid opgaat in ons leven, des te meer licht krijgen we ook over onze levensweg. Dan gebeurt het nog al eens, dat we gaan zien dat de Heere ons reeds getrokken had uit de duisternis tot het licht toen wij het er nog niet voor konden houden. Als God met ons begint, zijn we namelijk zo vervuld met wat Hij doet, dat we aan onszelf nog niet direct toekomen.
Ik besluit dit stukje met een voorval uit het leven van Luther. Ik moet er eerlijk bij zeggen dat ik niet weer of het echt gebeurd is. Ik heb het zelf bij Luther niet kunnen terugvinden en ook Lutherkenners konden mij niet helpen. Ds. Jac. van Dijk (1913-1984) vertelt het in een van zijn preken, maar het kan best een apocriefe anekdote zijn. Dan nog is hij de moeite waard om te worden doorgegeven. Het is in ieder geval een anekdote die de geest van Luther ademt.
Volgens Van Dijk kreeg Luther eens een brief van een gewezen priester die de leer van vrije genade had leren verstaan en die leer ook was gaan verkondigen. Nu schreef die priester hem dat hij nog meer dan eens worstelde met de vraag of hij zelf wel gereinigd was door het bloed van Christus, dat hij aan zijn gemeente als enige grond van zaligheid aanprees. Hierop kreeg hij een zeer opmerkelijk antwoord. Luther schreef hem namelijk dat de brief hem zeer verblijd had. Hij mocht nu weten dat hij niet de enige was die met deze aanvechting had te kampen en moedigde de gewezen priester aan zich telkens opnieuw aan Christus vast te klemmen.