Mij bereikte een vraag over mijn bijdrage van 25 juli op deze weblog die de titel heeft: ‘Een vraag die mij gesteld werd op een Bijbellezing’. Ter verduidelijking en om alle misverstand weg te nemen wil ik onderstrepen dat ik bepaald geen geloofstwijfel en geloofsonzekerheid wil bevorderen of toejuich.
Wel weet ik – en dan hoef ik slechts naar de Psalmen te verwijzen – dat bij geloof en vertrouwen niet alleen vreugde en blijdschap behoren maar ook aanvechting: aanvechting over de waarachtigheid van je eigen geloof, aanvechting hoe Gods leiding in je leven te rijmen is met Zijn vaderlijke liefde en zorg en aanvechting ook over de gang van Gods kerk door de geschiedenis. Dan denk ik niet alleen aan smaad en vervolgingen maar ook aan verval en geestelijke neergang.
Nu is twijfel en geloofsonzekerheid niet hetzelfde als aanvechting, maar die zaken kunnen wel door elkaar heen lopen en lopen vaak door elkaar heen. Zeker is dat ons geloof hier op aarde gebreken en onvolkomenheden vertoont. Elke gelovige – ook als hij meer geoefend is in de genade – moet meer dan eens met de vader van de maanzieke knaap belijden: ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.’
Voor ons moet ook vaststaan dat de kern van ons geloof niet is of niet behoort te zijn: ‘Ik geloof dat ik een kind van God ben’ maar ‘ik geloof dat Jezus de zoon van God is’ en dan ook ik geloof in de zin: ‘ik vlucht tot Hem en schuil bij Hem’.
Echte geloofszekerheid heeft niet als kern dat wij zeker zijn van de waarachtigheid van ons eigen geloof, maar wel dat wij zeker zijn van de waarachtigheid van Gods beloften die in Christus ja en amen zijn. Zo hebben de reformatoren geloofszekerheid verstaan.
Zekerheid van geloof heeft ook een subjectieve kant. Een christen mag het beginsel van de eeuwige vreugde in zijn hart voelen. Gods Geest getuigt met zijn geest dat hij een kind van God is. Dat getuigenis dat ervaren wordt in de omgang met God, horen we de ene keer beter dan de andere keer.
Juist daarom moet het zwaartepunt van de zekerheid liggen op Gods beloften. In de eeuwen na de Reformatie zien we dat meerdere protestanten zowel als zij moeite hebben met geloofszekerheid als wanneer zij die geloofszekerheid onderstrepen, zekerheid allereerst subjectief invullen, zeker zijn van het eigen christen-zijn.
Dan is het accent anders dan bij de Reformatie. In het bijzonder bij Luther kunnen we constateren dat hij geloofszekerheid enerzijds en geloofsstrijd en aanvechting anderzijds niet als tegenstellingen ziet maar die juist in elkaars verlengde ziet liggen. Nooit mag geloofszekerheid een soort nieuwe wet worden. Dan wordt de blijde ontdekking van de Reformatie geen recht gedaan en kan zij zelfs in haar tegendeel worden omgekeerd.
De weg naar geloofszekerheid is die van het beoefenen van het geloof in Gods beloften en in het zien op Jezus als de volkomen Zaligmaker. Ook de prediking is belangrijk. Zaak is dat die getrouw is. Echte prediking is niet alleen heilsbeschrijvend maar juist voor aangevochten gelovigen ook heilsbemiddelend.
In het eerste deel van het antwoord op vraag 84 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig Evangelie ontsloten en toegesloten?’ staat zo mooi: ‘Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en elk afzonderlijk , verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn.’
Wat kan een christen die aangevochten en vol twijfel de samenkomst van de gemeente bezoekt, verheugd en vertroost van de samenkomst naar huis gaan als hem zo het Evangelie is verkondigd en het heil hem werd aangezegd. Zeker is dat wij dat telkens weer nodig hebben. Zo onderhoudt God het goede werk dat Hij in ons is begonnen. Zo leren we ook betuigen: ‘Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot’ (Klaagliederen 3:22–23).