Geloof en aanvechting (slot)

Alle aanvechtingen cirkelen rond de vraag: kan ik wel op Gods beloften aan? Dat geldt als we tot geloof komen. Dat is ook zo als we hebben mogen leren uit het geloof te leven. Hoe zwaar kunnen Gods kinderen aangevochten worden met de vraag of de Heere wel in hun leven begonnen is? Zij kunnen niet ontkennen dat Christus hen dierbaar is, maar het is zo donker. Zij worden benauwd van alle zijden. Hoe komt dat? Dat kan verschillende oorzaken hebben.

Wat kan je van jezelf schrikken als je ziet wat er in je hart leeft. Asaf zei: “Ik ben een groot beest bij U.” De omstandigheden plegen er ook het hunne toe bij te dragen. Te­genslagen in ons leven. Dat was bij Asaf het geval. Daarom werd zijn hart vervuld met opstandige gedachten. Zulke opstandige gedachten kun­nen toch niet met genade bestaan? Het kan ook zijn dat de omstandighe­den ons moedeloos maken. Job zei: “Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet” (Job 23:8).

Hoe moeten we ons verweren tegen aanvechtingen? Er is ten diepste maar één verweer dat we hoe het ook moge tegen lopen gestadig op Gods goed­heid hopen. Job beleed: “Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet ho­pen?” (Job 13:15). Die taal vindt je bij psalmisten en profeten. Het is de taal van de kinderen van God.

Bunyan zegt ergens in Genade over­vloei­ende voor de voor­naamste der zondaren het volgende: “Omdat de zaak er zo bij staat (namelijk dat er alleen in Christus behoud is), zo wil ik voortgaan en, of ik nu troost vind of niet, mijn eeuwi­gen staat aan Christus wagen. Zo God niet wil, ik loop blindelings van de ladder de eeuwigheid in, ik zink of ik drijf, ik kome in de hemel of in de hel. Heere Jezus, als Gij mij grijpen wilt, doe het toch, en zo niet, dan waag ik het nochtans in Uw Naam.”

Kohlbrugge zei in één van zijn preken: “Waag het op het geloof van Jezus Christus (…); wanneer het toch verloren is, kan het toch niet erger worden. Sla de golven met het Woord van God (…). Waag het met Hem, gij zult ervaren dat bij de HEERE Heere uitgangen zijn uit de dood, uitgangen in het leven, in heiligheid en heerlijkheid.”

God maakt Zijn beloften waar dwars door het onmogelijke heen. Zo deed Hij het vroeger, zo doet Hij het nog. Laten we dan in de grootste aanvech­tingen God loven: “Alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal, en geen vru­cht aan den wijn­stok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;

Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils” (Habakuk 3:17,18). De Heere verlaat de Zijnen nimmermeer. Vroegere ervaring daarvan kan ons troosten bij nieuwe aanvechtingen. De psalmist zei: “‘k Zal gedenken, hoe voor de­zen, Ons de HEER’ heeft gunst bewezen; ‘k Zal de wond’ren gade­slaan, Die Gij hebt van ouds gedaan. ‘k Zal nauwkeurig op Uw werken, En der­zelver uitkomst merken, En, in plaats van bitt’re klacht, Daar­van spr­eken dag en nach­t.”

Ik wees erop dat Gods kinderen kunnen schrikken van zichzelf. Wat staat een mens dan te doen. De Heere geve ons een helder licht in de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Die leer is balsem voor aangevochten gewetens. De Heere geve ons het geloof te beoefenen.

Over de leer van de rechtvaardiging wordt zo duidelijk gesproken in zondag 23. Vraag 60 luidt: “Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?” Daar­op wordt dan het volgende antwoord gegeven: “Alleen door een waar ge­loof in Jezus Christus; alzo dat, al is het, dat mij mijn geweten aan­klaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Chris­tus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch ge­daan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Chris­tus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.” Weet u op welk woord we dan vooral moeten letten? Op het woord “nochtans”. Dan is zo’n heerlijk en wonderlijk woord.

Ons vaste verweer in alle aanvechtingen zijn de onvoorwaardelijke be­loften van God. Onlosmakelijk met het leven uit Gods beloften is het gebed verbonden. Verwaarlozen we het gebed dan komen we in het donker. Is het donker dan is het gebed het krachtigste wapen. Niet voor niets besluit de apostel de beschrijving van de wapenrusting van het geloof met het gebed. De psalmist sprak: “‘k Ben gewoon in bange dagen mijn benauwdheid u te klagen.”

Geloof is geloof in Christus. Die dierbare Borg en Middelaar weet Zelf wat aanvechtingen zijn. In de hof van Gethsemané zweette hij grote druppelen bloed. Aan het kruis heeft Hij het uitgeroepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” De dierbare Borg werd door Zijn Vader verlaten opdat Zijn kerk in de hoogste aanvechtingen ver­zekerd zou zijn dat zij nooit door God verlaten wordt. Dat laatste maakt de Heere waar. Wij kunnen Hem volledig uit het zicht verloren hebben, maar de Heere houdt Zijn kinderen in het oog en houdt ze vast. Hij laat ze soms zinken, maar nooit verdrinken.

Waarom laat de Heere toe dat Zijn kinderen worden aangevochten? Soms veroorzaakt Hijzelf die aanvechtingen. Wat is Zijn bedoeling daarmee? Hoe kleeft onze ziel aan het stof. Wij zijn geneigd van de Heere weg te zwerven. Wat gebruiken we de middelen van genade vaak routine­matig. Hoe nuttig zijn dan aanvechtingen! We worden op de knieën ge­dreven. Er ontstaat een alarmgeroep tot God. De routine uit het ge­bruik van de genademiddelen verdwijnt.

Juist in de aanvechting leren we de waarde van het werk van Christus verstaan. We worden dieper ingeleid in dat werk. We vinden troost in Christus’ wonden. Zonder aanvechtingen zou dat nooit in zo’n mate het geval zijn geweest. Luther heeft dat heel bijzonder ervaren. “Geen ware theoloog”, zo zei hij, “zonder aanvechting.”

Aanvechtingen doen Gods kinderen verlangen naar de jongste dag. “God des levens, ach, wanneer zal ik naad’ren voor Uw ogen, In Uw huis Uw Naam verhogen?” De duivel kan ons aanvechten tot in ons stervensuur toe. Na de doorgang door de Doodsjordaan kan hij ons niet meer bela­gen. Dan gaat voor al Gods kinderen in vervulling:

Dan ga ik op tot Gods altaren,

Tot God, mijn God, de bron van vreugd;

Dan zal ik, juichend, stem en snaren

Ten roem van Zijne goedheid paren,

Die, na kortstondig ongeneugt

Mij eindeloos verheugt.

Plaats een reactie