En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal (Lukas 2:10)
In de Bijbel staat vele malen: ‘Vreest niet’. Dat wordt nooit gezegd tot hen die nog geen echte band aan de levende God hebben. Immers, zolang dat voor ons geldt, hebben we juist wel te vrezen. ‘Vreest niet’ wordt gezegd tegen mensen die heilig ontzag voor de Heere hebben gekregen, tegen mensen die hebben leren verstaan dat zij met al hun zonden niet voor God kunnen bestaan.
Zulke mensen waren ook de herders die de wacht hielden over de kudden in de velden van Bethlehem. Het beroep van herder stond in de tijd van de Heere Jezus niet in zo’n hoog aanzien. Het viel voor herders niet mee om aan alle bepalingen die schriftgeleerden hadden opgesteld te voldoen. Schriftgeleerden keken op herders neer.
Ook de Heere keek op deze herders neer maar dan op een heel andere manier en wel zoals er staat in Psalm 138 vers 3 (berijmd): ‘Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, Op hen het oog, Die need’rig knielen.’ Reeds in de moederbelofte die zo kort na de zondeval werd gegeven, kwam naar voren dat God Zijn Zoon zou zenden ter verzoening van de zonden en tot verlossing van zondaren. Op die ene belofte zijn vele andere gevolgd.
Door de werking van Gods Geest zijn er onder het Joodse volk de eeuwen door mensen geweest die op grond van die beloften uitzagen naar de verlossing van Israël, mensen die beleden en baden: ‘Hij maakt, op hun gebeden, Gans Israël eens vrij, Van ongerechtigheden; Zo doe Hij ook aan mij.’ (Psalm 130 vers 4 berijmd). Zo lag dat nu ook bij deze herders. Wij kennen hun namen niet. Wij mogen echter zeker weten dat God hun namen wel kent. Hij kent immers al degenen die de Zijnen zijn.
In de nacht waarin de Heere Jezus werd geboren verscheen een engel van de Heere aan de herders in de velden bij Bethlehem. Die maakte aan hen als eersten het heuglijke nieuws bekend dat de langverwachte Messias van Israël was geboren. De engel spreekt over grote blijdschap. Je kunt iemand met iets blij maken wat hij graag heeft, met iets waarnaar hij heeft verlangd. Zo lag dat bij de herders. Die hadden in hun leven geleerd de Heere te verwachten. Hun verwachting mocht in vervulling gaan.
Datgene wat de herders met blijdschap vervulde, gaf koning Herodes vrees en zorg. Dat kwam omdat de herders het voor God hadden leren verliezen, terwijl Herodes zich voor God wilde handhaven. Zo waren er toen Christus op aarde verscheen twee soorten mensen en die zijn er nog: zij die wedergeboren zijn tot een levende hoop en zij die óf opgaan in de wereld en zich totaal niet om God bekommeren óf menen met datgene wat zij allemaal voor God doen, voor Hem kunnen bestaan.
Voor ons allemaal is de grote vraag hoe dat met ons ligt. Alleen als wij wedergeboren zijn tot een levende hoop geeft de boodschap van Christus’ komst naar deze wereld ons blijdschap en dan is het trouwens ook een blijdschap die met geen andere blijdschap kan worden vergeleken. De oudvader Lodenstein dichtte daarvan het volgende:
Jezus, bron dier hemelvreugde,
Die ons hart eens smaken zal,
wat ons ooit op aard’ verheugde,
Gij verheugt ons boven al;
daar Gij ons reeds hier bereidt
voor des hemels heerlijkheid,
waar w’ U eeuwig lieven, loven:
Jezus, trek ons hart naar boven!
Wie deze vreugde kent, weet ook van droefheid naar God. Dan voelen we ons op aarde soms zo ongelukkig. Die droefheid verdwijnt bij het sterven als we voorgoed van de zonden zijn verlost. Die droefheid verdwijnt voor heel de kerk bij de wederkomst van Christus. Dan gaat in vervulling;
Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
Door ’t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Wat ik alle lezers van deze weblog toewens is dat we iets van die vreugde in Christus mogen kennen.