De mooiste dag komt nog

Als het gaat over vaders in Christus, behoort Wout Heenck (1924-2006) bij de degenen die bij mij in ge­dach­ten ko­men. Vele jaren heeft hij de Hervormde Gemeente van Opheusden als ouderling gediend. Een­voud kenmerkte hem in alle opzichten. Dat gold voor zijn levenswandel als ook voor zijn geestelijke leven. Hij heeft zichzelf nooit als een groot gelovige laat staan als een vader in Christus gezien. Dat was een van de redenen dat hij het juist was. Zijn diepe inzicht in het geeste­lijke leven was ontstaan en werd gedurig gevoed in de context van een ootmoedige en ne­de­rige houding. Nooit kwam hij uit boven de tollenaarsgestalte: ‘O God, wees mij zondaar genadig.’

Toen hij definitief terugtrad als ouderling, werd hem de vraag gesteld wat hij geleerd had in zijn ambtelijke loopbaan. Daarop gaf hij het antwoord: ‘Mijn genade is u genoeg.’ Meer dan eens komen mij nog uitspraken van Wout Heenck in gedachten. Omdat hij overdag be­schikbaar was, ging hij de meeste keren met mij namens de kerkenraad mee naar een begrafenis­dienst. Bij hem thuis dronken we dan na afloop nog een koffie en dan was er altijd een geestelijk gesprek.

De eenvoud en ootmoed van Wout Heenck waren verbonden met een diepe en gefundeerde zeker­heid van het geloof. Een zekerheid die zijn optreden uitstraalde, en waarmee hij toch niet te koop liep. Al weer een aantal jaren geleden hoorde ik iets over hem, dat wel heel typerend was. Dat was na de tweede dienst op een zondag buiten eigen gemeente. In het gesprek na de dienst kwam het over de kinderen van God die een onuitwisbare indruk hadden nagelaten. Een van de ouderlingen noemde toen Wout Heenck. Hij bleek in Opheusden te zijn opgegroeid. Na zijn trouwen had hij zijn geboorteplaats verlaten. Wout Heenck kwam altijd in de gedachten van de bewuste ouderling als een echt voorbeeld van godzaligheid.

Zijn vader had een volksakker niet ver van het huis aan de dijk van Wout Heenck. Dat huis was vroeger een fruitboerderij geweest. Bij dat huis stond nog altijd een grote schuur. Wout Heenck had de vader van de bewuste ouderling gezegd dat hij de spullen die hij voor het bewer­ken van zijn volks­akkertje nodig had wel bij hem in de schuur mocht zetten. Dan hoefde hij ze niet steeds heen en weer te slepen, als hij iets wilde doen op zijn akker. Reeds als kleine jongen ging de zoon meer dan eens met zijn vader mee naar de volksakker. Dan haalden zij de altijd weer hun spullen op in de schuur van Wout Heenck. Meer dan eens was Heenck ook zelf aan­we­zig, dan maakte hij in een gesprek altijd wel een opmerking met een geestelijke strekking zonder dat het in enig opzicht een overgeestelijke indruk naliet.

Op een prachtige voorjaarsdag merkte de vader van de bewuste ouderling op: ‘Wout, wat hebben we toch een prachtige dag van­daag.’ Met tranen in zijn ogen zei Heenck: ‘En dan te weten dat de mooiste nog komt.’ Hij dacht niet aan een nog mooiere voorjaarsdag, maar aan de jongste dag. Dat begreep de bewuste ouderling hoe jong hij toen ook was, direct. Het verwekte in zijn hart een diep verlangen om God ook op dezelfde manier te mogen kennen. En het gebed daarom heeft God verhoord.

Aan welke dag denken wij als het over de mooiste dag gaat? Dat is voor een christen toch aller­eerst de dag waarop God hem ontferming schonk en dan uiteindelijk de jongste dag waarop de bruiloft van het Lam aanvangt. Vanuit de omgang met Wout Heenck weet ik hoezeer hij naar die dag kon verlangen en hoezeer het hem ook met verwon­de­ring vervulde als hij bedacht dat hij dan het nieuwe Jeruzalem mocht binnen gaan. Een karakteristieke uitspraak van Wout Heenck was: ‘Dan blijft er alleen genade over.’

Plaats een reactie