Een mens die iets beseft van de ernst van zijn toestand, maar in wiens hart de Zon der gerechtigheid niet is opgegaan, zoekt door de werken zalig te worden. Hij verbetert zijn leven, bidt, zoekt zich te verootmoedigen, wordt ernstig, enz. Bij dit alles wordt het enige nodige gemist, of zo het er is, is het wel erg bedekt, namelijk het geloof in Jezus Christus. De mens die zo tot God wil naderen, nadert in de weg van het verbroken werkverbond. Dat verbond kan ons alleen maar vervloeken.
Er is sinds de zondeval maar één weg tot God. Daarvan schreef de apostel aan de Hebreeën: ‘Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.’ (Hebr. 4:14-16) De grote vraag is of het bloed van Christus ons dierbaar is. Niet onze worstelingen zijn het fundament van de zaligheid, maar de worstelingen, het lijden en het bloed van Christus.
Een van de grootste Amerikaanse theologen uit de eerste helft van de negentiende eeuw was Archibald Alexander. Ook hij heeft gepoogd door een verbroken werkverbond tot God te naderen, totdat de Heere hem bracht aan het einde der wet, tot de Heere Jezus Christus en hij met Paulus mocht leren: ‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.’ (Gal. 2:20)
Ik geef deze overgang van het werkverbond in het genadeverbond in zijn eigen woorden weer: ‘Ik bad en las vervolgens in de Bijbel, bad en las, bad en las, totdat mijn kracht uitgeput was. (…) Maar hoe meer ik mijn best deed, des te harder werd mijn hart, en des te meer was mijn geest van enig ernstig en teer gevoelen ontbloot. (…) Ik stond op het punt mijn poging te staken, toen de gedachte bij mij opkwam, dat hoewel ik hulpeloos was en mijn geval vrijwel hopeloos, het toch goed zou zijn God aan te roepen of Hij mij in deze uiterste nood wilde helpen. Ik knielde op de grond neer en had misschien slechts een enkele bede opgezonden, toen ik, in een oogwenk, een gezicht kreeg op de gekruisigde Zaligmaker dat zijn weerga in mijn ervaring niet heeft. Het hele plan van zaligheid werd klaar als de dag. Ik was ervan overtuigd dat God gewillig was om mij aan te nemen en ervan overtuigd dat ik tevoren nooit de vrijheid van de zaligheid verstaan had, maar altijd geprobeerd had iets in mijn hand mee te nemen, of mijzelf voor te bereiden om Christus te ontvangen. Nu ontdekte ik dat ik Hem in al Zijn ambten datzelfde moment kon ontvangen. (…) Ik voelde werkelijk een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.’