Een worm en geen man

Als predikant leg je tal van bezoeken af. Soms lopen bezoeken stroef. Ook al is dat niet het geval, dan wil dat nog niet zeggen dat er van hart tot hart gesproken mag worden over Christus als de enige en volkomen Zaligmaker. Er zijn ook bezoeken die je als predikant nooit vergeet. Een daarvan is het bezoek dat ik al weer een aantal jaren geleden in het ziekenhuis bracht aan Hendrik van der Zande. Jarenlang was hij koster geweest van de Hervormde Gemeente van Elspeet. Getrouw en in grote vriendelijkheid had hij zijn kosterswerk gedaan.

Een kenmerkende uitspraak voor hem was dat een koster een gastheer voor de kerk behoort te zijn. Hij verheugde hem vooral als mensen met een duidelijke andere geestelijke achtergrond de diensten in Elspeet bezochten. Het geloof is immers uit het gehoor. Het was aan Hendrik van der Zande te bemerken dat het hem geen last was om op zondag en ook doordeweeks onder het Woord te zijn. Als je bij hem op bezoek kwam, luisterde hij altijd met aandacht als je iets vertelde over de genade van God. Over datgene wat innerlijk in hem omging, was hij echter gesloten.

Een aantal jaren nadat hij zijn werk als koster had neergelegd, openbaarde zich bij Hendrik van der Zande een ernstige ziekte; een ziekte die hem ten slotte naar het graf heeft gevoerd. In het ziekenhuis bezocht ik hem, nadat bekend was geworden dat hij aan kanker leed. Toen ik naast zijn bed op de ziekenzaal was gezeten en hem vroeg hoe het innerlijk met hem was, deed hij een heel opmerkelijke uitspraak. Hij zei: ‘Ik heb nooit geweten dat de Heere Jezus zo klein was.’ Ik vroeg me af hoe hij dat bedoelde. De Heere Jezus Christus is immers de Overste van de koningen der aarde.

Nog voor ik om opheldering kon vragen, gaf Van der Zande zelf een verklaring. ‘Ik heb altijd gedacht,’ zo zei hij, ‘dat de Heere Jezus heel groot was. Zo groot dat ik Hem onmogelijk kon bereiken. Ik paste niet bij Hem. Nu mag ik verstaan dat Hij een worm geworden is en geen man. Hij is zo klein geworden. Ik hoef Hem niet te pakken. Ik behoef me alleen maar te laten zinken, want Hij is nog veel dieper weggezonken in het moeras van de zonde dan welk mens ook en dat terwijl Hijzelf geen zonde had. Hij is een worm en geen man en daarom kan ik er bij. Zelfs voor de grootste van de zondaren is Hij bereikbaar, want het is alleen genade.’

Wat heeft deze taal mij verheugd. Op een geheel eigen wijze werd het wonder van zalig worden verwoord. Dat maakte des te duidelijker dat hier geen sprake was van napraterij of van een uit het hoofd geleerde les. Van der Zande heeft nog enige tijd mogen leven en is toch nog plotseling gestorven. Er zijn ook wel weer tijden geweest dat hijzelf niet kon begrijpen dat hij zo vrijmoedig had gesproken. Dan zei hij: ‘Heb ik dat echt allemaal gezegd?’ Wel zo had hij het gezegd en dat bleef waar ook als hij het niet kon bekijken. De Heere is een waarmaker van Zijn Woord. Hij zal de Zijnen niet begeven noch verlaten. Er is geen zaligheid buiten het geloof, maar de zaligheid is wel boven bidden en denken. Gods trouw rust niet op ons geloof, maar ons geloof rust op Gods onwankelbare trouw bevestigd in het offer van Christus Die een worm werd en geen man.

De herinneringen aan deze gesprekken met Hendrik Van der Zande kwamen bij mij boven toen ik meer dan een jaar na zijn begrafenis in het dagboek De gouden scepter toegereikt van Kohlbrugge het volgende las: ‘Over deze Hogepriester moeten we niet gering denken, want Hij is groot; niet groot om daarmee de zondaar schrik aan te jagen, maar om hem te troosten, zijn zaak te behartigen en hem te redden. Niet ‘groot’ is Hij bij de arme zondaar, bij alles wat verloren is; want Hij wilde komen als een teer kindje, in gedaante bevonden als een mens, in knechtsgestalte en zelfvernedering.

Maar voor God is Hij groot, zowel door Zijn zelfofferande, die eeuwig geldig is voor God, als daardoor dat Hij het rijk der genade en heerlijkheid zo bestuurt als Hij het van de Vader ontvangen heeft. En als op aarde iemand in zijn hulpbehoevendheid soms alle heil pleegt te verwachten van een persoon die bij een aards koning aanzien heeft, wat kunnen wij dan niet verwachten van Hem van Wie ons het Woord zegt dat Hij een groot Hogepriester is voor Gods aangezicht.’ De Heere leert Zijn kinderen dezelfde taal. Dat is waar en zeker.

Plaats een reactie