Een school voor het hele dorp
Als ik aan Kinderdijk denk, het dorp waar ik opgroeide, denk ik altijd aan de basisschool (toen nog gesplitst in een kleuterschool en een lagere school) die ik daar bezocht. In Kinderdijk was er maar één school: de School met de Bijbel. De schoolvereniging waarvan deze school uitging had als grondslag de drie formulieren van enigheid. Alleen ouders die de grondslag onderschreven konden lid worden van de schoolvereniging.
Echter, ook de kinderen van ouders die dat niet konden waren welkom. Dan moeten we denken aan ouders die nauwelijks een band met de kerk hadden, maar ook aan kinderen van wie de ouders bij de Vergadering der gelovigen behoorden en rooms-katholieke kinderen. Door de komst van een heel contingent Spaanse gastarbeiders was op een gegeven moment wel zo’n 10 tot 15 procent van de schoolkinderen rooms-katholiek.
Allen waren welkom. Dat had te maken met het feit dat het schoolbestuur dacht in de lijn van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Wie denkt vanuit dit artikel ziet het als ideaal dat de openbare school – waar uiteraard iedereen toegelaten moet worden – een school met de Bijbel is. Echter, de openbare school werd een school zonder de Bijbel.
Het schoolbestuur van de School met de Bijbel in Kinderdijk zag het als haar roeping dat in principe alle kinderen uit het dorp onderwijs kregen met een open Bijbel. De kerken dan wel de christenen hadden de taak te doen wat de overheid naliet. Dit is een heel klassieke en ook bijbelse visie op christelijk onderwijs. Om die reden werkte bijvoorbeeld ds. P. Zandt, een bekende voorman van de SGP in de eerste helft van haar bestaan, mee aan de stichting van een christelijke school in een volksbuurt in Delft.
Op een enkeling na gingen alle kinderen uit Kinderdijk naar de School met de Bijbel. Een enkel gezin stuurde de kinderen naar de openbare school in Nieuw-Lekkerland, maar voor zover ik mij herinner was ook dat in de laatste jaren dat ik naar de lagere school ging niet meer het geval. Alleen de kinderen van de familie Malschaert gingen naar de Sint Franciscusschool in Alblasserdam. De Malschaerts waren evenals mijn ouders geen geboren Kinderdijkers. Dhr. Malschaert werkte evenals mijn vader bij Leen Smit (later IHC Smit) en de Malschaerts hadden zich om dezelfde reden als mijn ouders in Kinderdijk gevestigd.
Toen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt van Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk een nieuwe predikant kregen verdwenen trouwens ook de kinderen van dit kerkverband van de school in Kinderdijk. Zij gingen voortaan naar een school in Zwijndrecht. Als kind ging dit aan mij voorbij, maar deze gang van zaken riep groot ongenoegen op bij oom Jo Koutstaal, een broer van mijn oma. Hij maakte deel uit van het schoolbestuur en onderschreef con amore de zienswijze dat het ideaal is een School met de Bijbel die getrouwe leerkrachten benoemt, maar waar alle kinderen welkom zijn. Op een gegeven moment maakten hij en zijn vrouw de overstap van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt van Alblasserdam naar de Christelijke Gereformeerde Kerk in ons buurdorp en het gebeuren met de school heeft daarbij ongetwijfeld een rol gespeeld.
Van alle kinderen die de School met de Bijbel in Kinderdijk bezochten werd wel verwacht dat zij elke week een psalmversje leerden of in de klassen 5 en 6 (nu groep 7 en 8) een vraag en antwoord van de Heidelbergse Catechismus. Ik denk dan aan mijn klasgenoten. Niet alleen de oudgereformeerde Nijs Stam zei met vraag en antwoord 1 dat zijn enige troost in leven en sterven was dat hij naar lichaam en ziel het eigendom van Christus was maar ook Theresa Abril, die rooms-katholiek was en Jaap Rouw die bij de Vergadering van gelovigen behoorde. Met Jaap Rouw liep ik altijd naar en van school en dan bespraken we met elkaar tal van zaken.
De meeste inwoners van Kinderdijk waren hervormd. Het enige kerkgebouw dat in Kinderdijk stond was van de Hervormde Gemeente. Een enkel gezin uit Kinderdijk ging naar de Gereformeerde Kerk dan wel Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt van Nieuw-Lekkerland of Alblasserdam. Het eerste was het geval als men buiten het dorp richting Nieuw-Lekkerland woonde. Het laatste gold bijvoorbeeld van mijn oom Jo en tante Anna met hun gezin. Zij woonden schuin tegenover ons aan de Molenstraat en voor hen was Alblasserdam dichterbij.
De talrijke familie Stam was oudgereformeerd. Terzijde deel ik mee dat de Stammen als opgewekte mensen bekend stonden. Als zij druk pratend met elkaar naar de kerk gingen, zei men wel: Hoe vrolijk gaan de Stammen op. Zelf gingen wij met nog een enkel gezin naar de Gereformeerde Samenkomst in Alblasserdam.
Terwijl de gereformeerden en de vrijgemaakten met de fiets of met de auto naar de kerk gingen, deden wij en de oudgereformeerden dat lopend. Daar zat achter dat je zo liet zien dat de dag des Heeren een bijzondere dag was. De wandeling naar de Gereformeerde Samenkomst kostte zo’n twintig minuten, maar kwam je uit Nieuw-Lekkerland, dan kon het wel een uur zijn of nog meer.
Dat je lopend naar de kerk ging was nog veel belangrijker dan dat je niet ingeënt of niet verzekerd was. Dat konden mensen immers niet aan je zien, maar als je lopend naar de kerk ging, getuigde dat van eerbied voor Gods dag en dat kon iedereen zien. De dag des Heeren hoorde iedereen lief te hebben. Dat behoren wij nog altijd bij te vallen, ook als wij anders denken over het gebruik van een vervoersmiddel om een kerkdienst op zondag bij te wonen.
*
Meester Van Wijk wordt bovenmeester
In de klassen 5 en 6 kregen de kinderen – of ze nu nauwelijks een kerk van binnen zagen, oudgereformeerd waren, rooms-katholiek of van de Vergadering van gelovigen – allemaal les van meester Van Wijk. Onvergetelijke indruk heeft deze meester op mij gemaakt. Meer dan eens schoten de tranen in zijn ogen als hij op maandagmorgen de vraag en het antwoord van de catechismus uitlegde die wij de volgende week moesten kennen.
Ik weet nog dat hij meester Blom als bovenmeester opvolgde. Want deze prachtige titel droeg de persoon die nu de directeur van een basisschool wordt genoemd. Die verandering in naamgeving begon trouwens toen al. Zeker in een dorp was de bovenmeester een man die er toe deed. Op één stem tegen na was meester Van Wijk binnen het schoolbestuur benoemd. De tegenstem was van het lid dat behoorde bij de Gereformeerde Kerken die toen nog helemaal bij de gereformeerde gezindte werden gerekend al begon de verandering zich in die tijd al af te tekenen.
Meester Van Wijk hield de kinderen voor dat zij allen verzoening met God en wedergeboorte door Gods Geest nodig hadden. Dat was al duidelijk geworden in de les die de schoolbestuursleden bij hem in Delft hadden bijgewoond. Oom Jo had daar een opmerking over gemaakt. Hij had meester Van Wijk erop gewezen, zo heb ik later begrepen, dat deze kinderen toch gedoopt waren. Daarop had meester Van Wijk geantwoord: ‘Veertig procent niet maar ook de andere zestig procent heeft nodig wat ik zojuist heb gezegd.’
Veel later heb ik ook het volgende gehoord: Naast meester Van Wijk was er ook nog een andere sollicitant. Een hervormd man die heel verbondsmatig dacht en vond dat ouders hun kinderen, omdat zij gedoopt waren, moesten meegeven dat God hun hemelse Vader was. Tot verwondering van de andere bestuursleden had oom Jo toen de vraag beantwoord moest worden wie van de twee sollicitanten benoemd moest worden, als eerste het woord genomen en gezegd: ‘Ik dacht dat wij die meneer uit Delft maar moesten benoemen.’ Hij zei dat toen niet, maar hij hoorde bij meester Van Wijk dezelfde taal die hij uit de mond van zijn vader gehoord had en voor zijn vader had hij altijd zeer veel respect gehouden.
Meester Van Wijk ging met zijn gezin op zondag naar de Hervormde Kerk. Daar stond toen dr. C.A. Tukker. Doordeweeks ging hij ook wel buiten de Hervormde Kerk naar de kerk. Bijvoorbeeld bij de oudgereformeerde dominee B. Toes. Tukker nam hem dat bepaald niet kwalijk. Zo eens in de drie weken ging hij namelijk zelf op donderdagmiddag bij Toes op bezoek om daar, zoals hij dat zei, al was hij dan academisch geschoold, van Toes catechisatieles te krijgen.
Meester Van Wijk vertelde meer dan eens iets over wat hij had meegekregen in de preken en catechisatielessen van ds. Jac. van Dijk. Deze predikant had blijkbaar heel veel voor hem betekent. Van hem hoorde ik de naam van die predikant voor het eerst. Ds. Van Dijk was pas tot bekering gekomen toen hij al een aantal jaren predikant was.
Toen hij als predikant begon geloofde hij niet dat Jezus de eeuwige Zoon van God was Die mens werd. Hij kon onmogelijk uit de doden zijn opgestaan, maar God was hem tegengekomen en te sterk geworden. Van Dijk had gewonnen door het te verliezen. Meester Van Wijk vertelde dat Van Dijk het wonder dat God hem had opgezocht nooit klein kon krijgen.
Afgescheidenen konden met veel verve zeggen dat al hun dominees bekeerd waren. Dat zeiden de hervormden niet. Die moesten toegeven dat meerdere van hun predikanten onbekeerd waren. Maar dat stond dan weer tegenover dat er blijkbaar hervormde dominees tot bekering kwamen en dat hoorde je dan weer nooit van predikanten buiten de Hervormde Kerk, want die waren het allemaal al.
Meester Van Wijk spoorde ons aan de HEERE te zoeken, maar hield ons ook voor dat iedereen, wie hij ook was, zichzelf moest beproeven en dat ook diakenen, ouderlingen en zelfs predikanten niet van die oproep uitgezonderd mochten worden. Dat was overigens een geluid dat ook mijn ouders bijvielen. Als mensen uit afgescheiden kringen tegen mijn moeder zeiden dat zij alleen maar bekeerde dominees hadden, kon mijn moeder antwoorden: ‘Dan kunnen jullie dominees de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden en die van de man zonder bruiloftskleed overslaan, als zij de Bijbel voor zichzelf lezen.
Mijn moeder was trouwens van huis uit hervormd en had meegekregen dat niet alleen het ontvangen van de doop en het gebruik van het avondmaal geen grond was voor de eeuwigheid, maar evenmin het bekleden van een kerkelijk ambt. Daarbij maakte het niet uit of je hervormd was of niet en evenmin of het ging om een diaken of een predikant. Mijn vader dacht er niet anders over. Toen hij verkozen werd in het kerkbestuur van de Gereformeerde Samenkomst kon hij niet anders dan de verkiezing aannemen, maar diep besefte hij dat hij vanaf dat moment dubbel verzoening nodig had.
*
Heimwee naar het nieuwe Jeruzalem
Meester Van Wijk werd breed geacht. Zij die bij de afgescheiden kerken behoorden, konden het zo verwoorden: ‘Al is hij dan maar hervormd, er gaat wel wat van hem uit.’ Toes deelde de waardering voor meester Van Wijk. Toen er in Alblasserdam een reformatorische school werd opgericht gaf Toes zijn medewerking, maar wel konden naar zijn overtuiging de meesters en juffrouwen in Alblasserdam zelfs gezamenlijk geestelijk niet op tegen die ene meester Van Wijk uit Kinderdijk.
Toes keek trouwens ook wat anders tegen de Hervormde Kerk aan dan meerdere van zijn gemeenteleden. Als het ging om de Hervormde Gemeenten van Kinderdijk en Nieuw-Lekkerland, kon hij zeggen dat men er dieper op de dingen zou kunnen ingaan, maar zo voegde hij er dan aan toe: ‘Je wordt daar niet bedrogen voor de eeuwigheid.’
Trouwens, daarom had hij er ook geen moeite mee als gemeenteleden voor wie het lopen vanuit Nieuw-Lekkerland naar de Oud Gereformeerde Gemeente een te grote opgave werd, op zondag naar de Hervormde Kerk gingen. Dan konden zij nog altijd in doordeweekse diensten bij hem naar de kerk. Want op zondag was het gebruik van fiets of auto er hoe dan ook niet bij, maar doordeweeks lag dat uiteraard anders.
Dit is zeker, meester Van Wijk vertelde ons dat wij allen op reis waren naar de eeuwigheid en dat wij een pelgrim worden naar het nieuwe Jeruzalem als wij gereinigd worden door Christus’ bloed en wedergeboren worden door Zijn Geest. Er was, zo verzekerde hij ons, niets zo heerlijk als dat, ondanks alle strijd die je als christen op aarde kon verwachten.
Gods Woord zal nooit ledig weerkeren. Ik ben de meeste van mijn klasgenoten van de lagere school uit het oog verloren. Van een enkeling weet ik dat hij of zij al gestorven is. Een van mijn klasgenoten van de lagere school overleed al in het eerste jaar dat ik op de middelbare school zat. Meer dan eens vraag ik mij af wie van hen ik terug zal zien in het nieuwe Jeruzalem. Meester Van Wijk kon soms zijn emoties niet bedwingen als hij aan God vroeg of wij er allemaal zin in mochten krijgen de HEERE te vrezen. Heimwee naar het nieuwe Jeruzalem kan meer dan eens mijn hart vervullen en tegelijkertijd weet ik dat verwondering je vervult als je daar echt mag binnen komen. Een waar geloof is wel een zeker weten maar geen vanzelfsprekend weten zo hield meester Van Wijk ons voor.