Opdat zij allen één zijn

Eenheid in geloof en godzaligheid

Deze woorden vinden wij in Johannes 17, het Bijbelhoofdstuk dat in de zestiende eeuw de naam kreeg van ‘het hogepriesterlijke gebed’. Wat betekenen deze woorden? Meer dan eens worden deze woorden aangehaald om het belang van kerkelijk eenwording te benadrukken en voor kerkelijke scheuring te waarschuwen. Zonder te willen beweren dat deze woorden daarvoor helemaal niet van belang zijn, allesbehalve dat, moeten we ons realiseren dat de uiterlijke eenheid van kerkelijke structuren niet de directe inhoud van deze tekst is. Ik ontken overigens niet dat wij in het verlengde van deze tekst daarover ook het een en ander kunnen zeggen.

Verscheidenheid in kerkelijke structuren begint pas eeuwen na het ontstaan van de kerk des Heeren in haar nieuwtestamentische vorm te spelen. Voor de Kerk van het Westen die al sinds 1054 niet meer één was met de Kerk van het Oosten werd de vraag naar de betekenis van uiterlijke eenheid heel brandend in de zestiende eeuw.

Als de Heere Jezus bidt of de Zijnen één mogen zijn, gaat het om de eenheid van het geloof, de eenheid in het belijden van Zijn naam en van de navolging van Hem. Reeds in de tijd van de apostelen werd de kerk bedreigd door dwalingen. Tegenover de dwalingen staan de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus en de leer die naar de godzaligheid is, dat wil zeggen die leidt tot een godzalige wandel (1 Timotheüs 6:3).

De eenheid van Gods kerk bestaat daarin dat zij bewaard blijft bij de gezonde leer, dat wil zeggen bij het Evangelie van Gods genade dat Christus kwam om zondaren zalig te maken. En dan bestaat de zaligheid in de vergeving van zonden en vernieuwing van het leven. Wie genade ontvangt, gaat uit dankbaarheid naar Gods geboden leven. Daarbij moet hij telkens constateren dat hij nog maar zo ten dele op Christus lijkt. Wat Gods kinderen met elkaar verbindt is dan ook het verlangen naar de wederkomst van Christus. Dan wordt de eenheid van de kerk volkomen.

Christus gaf en geeft aan Zijn kerk ambtsdragers opdat wij tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God komen (Efeze 4:13). We moeten steeds meer één worden in Hem en dat is het geval als wij niet meer heen en weer worden bewogen door allerlei opvattingen die niet stroken met het Evangelie. Paulus heeft het dan in Efeze 4:14 over allerlei wind van leer.

Bij het ontstaan van de kerk in haar nieuwtestamentische vorm gaf Christus aan Zijn gemeente apostelen, profeten en evangelisten (daarbij ging het om directe medewerkers van de apostelen zoals Markus, Silas en Timotheüs). Aan het begin van de tweede eeuw na Christus waren allen die deze bijzondere ambten ontvangen hadden overleden. Nog altijd geeft Christus herders en leraars aan Zijn gemeente (Efeze 4:11). Hun taak is de gemeente te bewaren bij, en te bouwen op, het fundament dat gelegd is door de apostelen en profeten (Efeze 2:20). Daarbij kunnen we zowel over de gemeente in het enkelvoud spreken als het wereldwijde lichaam van Christus als in het meervoud en dan gaat het om de plaatselijke samenkomsten waarin zich de wereldwijde gemeente concreet openbaart.

Niet alleen dwalingen en een levenswandel die niet overeenstemt met Gods geboden zijn een bedreiging voor de eenheid van de gemeente(n) maar ook partijschappen. In de apostolische periode hebben wij daarvan een voorbeeld in de gemeente van Korinthe. Tegenover de partijschappen waarbij de ene groep voor Paulus kiest, de andere voor Apollos en de derde voor Cefas (Petrus) stelt Paulus hen die zeggen van Christus te zijn.

*

De eenheid van het geloof gaat boven uiterlijke eenheid

Over de kerk zijn in de loop van de eeuwen vele stormen gegaan. Vaak was de kerk zoals zij was wel heel anders dan de kerk zoals zij behoort te zijn. Toch bleef veelal de uiterlijke eenheid van de kerk bewaard, al waren er in de eerste eeuwen na Christus wel christelijk getinte sekten die zich los van de kerk organiseerden.

Augustinus maakt een onderscheid tussen de zichtbare en onzichtbare kerk. Met de zichtbare kerk bedoelt hij de kerk zoals wij haar zien in haar samenkomsten, in de bediening en het gebruik van de sacramenten enz. Niet allen die zich binnen de zichtbare kerk bevinden zijn ware gelovigen. De ware gelovigen zijn de onzichtbare kerk. Augustinus gebruikt hier het woord ‘onzichtbaar’ omdat alleen God onfeilbaar weet wie de Zijnen zijn.

In de zestiende eeuw kwam het tot een breuk in de Kerk van het Westen. Op de vraag hoe een mens God kan ontmoeten gaf de Rooms-Katholieke Kerk het antwoord dat men door het ontvangen van de sacramenten deel krijgt aan Gods genade. Deze genade stelt je in staat goede werken te verrichten en zo wordt men rechtvaardig, al is dat maar gedeeltelijk en het is mogelijk de in de sacramenten ontvangen genade te verliezen.

De Reformatoren leerden dat rechtvaardiging geen innerlijke vernieuwing is maar vrijspraak. Zij maakten een onderscheid tussen rechtvaardiging als vrijspraak en heiliging als het dragen van het Christus’ beeld. We mogen die twee nooit van elkaar losmaken, maar we moeten ze wel van elkaar onderscheiden.

Luther leerde verstaan dat rechtvaardiging vrijspraak is; een vrijspraak die uitsluitend op het werk van Christus’ buiten ons is gebaseerd. Het rechtvaardigende geloof brengt goede werken voort, maar de goede werken zijn geen grond van de vrijspraak. Voor Luther was de Schrift de uiteindelijke bron en norm van het geloof. Pausen en zelfs concilies kunnen dwalen. Luther negeert de pauselijke banvloek die over hem wordt uitgesproken. Hij is bereid de kerkelijke hiërarchie te trotseren vanwege het Evangelie. De eenheid van het geloof gaat voor hem boven eenheid in structuren.

Dat de eenheid van de kerk allereerst een eenheid in geloof is betuigt ook Calvijn in zijn brief aan kardinaal De Sadolet. Alleen de boodschap van de rechtvaardiging op grond van de toegerekende gerechtigheid van Christus kan een gewond geweten echt troost geven. Zowel Luther als Calvijn hebben overigens telkens weer onderstreept dat er geen levend geloof is zonder vruchten. Sadolet had een open oog voor misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk, maar in de leer van de rechtvaardiging viel hij Rome helemaal bij. Hij vond ook dat hoe dan ook de uiterlijke eenheid van de kerk niet mocht worden gebroken.

De reformatoren waren bereid ter wille van de boodschap van het Evangelie de uiterlijke eenheid van de kerk op te geven, hoe belangrijk die ook voor hen was en bleef. Echter de kerk dat zijn allereerst degenen die God de Vader liefheeft met een eeuwige liefde, die door God de Zoon zijn vrijgekocht met Zijn bloed en door God de Heilige Geest zijn verzegeld en worden vernieuwd. Zichtbaar krijgt de kerk gestalte in de zuivere bediening van het Woord en van de sacramenten. Ik verwijs hiervoor naar de artikelen 27 t/m 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Al vanaf het paradijs vergadert Christus volgens het antwoord op vraag 54 van de Heidelbergse Catechismus in enigheid van het ware geloof een gemeente, tot het eeuwige leven verkoren, en hij gaat daarmee door tot de jongste dag.

Tegenwoordig hoor je uit de mond van menig protestant dat wij Christus toebehoren en aan elkaar gegeven zijn. Wie dat als uitgangspunt neemt, kan de breuk tussen Rome en de Reformatie niet rechtvaardigen. Niet toevallig is dat zij die zo spreken en denken de kloof tussen Rome en de Reformatie op zijn minst relativeren.

Wie zo spreekt en denkt, heeft ook al zou hij dit zichzelf niet bewust zijn, geen zicht op de werkelijke betekenis van de boodschap van de rechtvaardiging door het geloof. De vrijspraak is geen objectief oordeel over iedereen die bij de kerk behoort laat staan over heel de mensheid, maar een persoonlijke vrijspraak die de Heilige Geest ons meedeelt als het Evangelie aan ons hart wordt verzegeld. Het rechtvaardigende geloof leidt altijd van meet af aan tot een heilige wandel. Een geloof zonder goede werken is een dood geloof.

Eenheid van geloof is overigens niet hetzelfde als eenvormigheid. Binnen de eenheid van het geloof mogen en zullen er verschillende accenten worden gelegd. Er moet overeenstemming (enigheid of eenheid) in grondartikelen van het geloof zijn maar er hoeft geen eenheid te zijn in theologische zienswijzen.

*

De kerk openbaart zich zichtbaar daar waar de bediening van de verzoening plaatsvindt

Volgens Rome behoren wij ons bij haar te voegen, al gaat zij er sinds Vaticanum II wel vanuit dat er buiten Rome sporen van de kerk aanwezig zijn. Echter alleen binnen Rome is het volle heil te vinden waaraan men deel krijgt door het gebruik van de sacramenten. Daarom is voor Rome het doel van oecumene altijd: zich onder de hoede van de bisschop van Rome voegen, als opvolger van Petrus en plaatsvervanger van Christus op aarde.

In vele protestantse kerken wordt de boodschap van de rechtvaardiging, als die nog klinkt, universeel en puur objectief opgevat. We horen dat wij zondaar zijn maar ook dat God ons in Christus heeft geaccepteerd en dit moet ook ons uitgangspunt zijn naar andere christenen en voor menigeen uiteindelijk naar alle mensen. Dat was bijvoorbeeld de visie van de invloedrijke theoloog Karl Barth. Voor hem is verloren gaan slechts een mogelijkheid aan de rand.

Hier geven de belijdenisgeschriften van de Reformatie een ander geluid. De kerk openbaart zich overal waar de bediening van de verzoening echt functioneert. Daar waar het Woord recht wordt bediend, zo lezen we in antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus, wordt aan alle gelovigen betuigd dat zo dikwijls als zij de beloftes van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn; daarentegen wordt aan allen ongelovigen, en aan hen die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd , dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren, en naar dit getuigenis van het Evangelie zal God oordelen, zowel in dit en in het toekomende leven.

Als het gaat om de belijdenisgeschriften van de Reformatie dan zijn die een ontvouwing van de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Tien Geboden en het Onze Vader. Expliciet is dat heel duidelijk zichtbaar in de Heidelbergse Catechismus.

Meer dan eens laten protestantse kerken (en dan denk ik niet allereerst aan kerkverbanden maar aan gemeenten) naar buiten toe al zien dat bij hen de bediening van de verzoening niet functioneert. Ik denk aan het feit dat men naar buiten aangeeft dat men ook ruimte ziet voor seksuele relaties buiten het huwelijk. Soms alleen als noodoplossing, maar vaak ziet men meer tot veel meer ruimte. De ambtsdragers van zo’n gemeente geven zo openlijk aan dat zij in het licht van de Schrift blinde leidslieden van blinden zijn en dat zij er geen moeite mee hebben dat de toorn van God over de gehele gemeente wordt uitgeroepen (vgl. Heidelbergse Catechismus vraag en antwoord 87). Maar ook als dat niet zo openlijk wordt aangeven is dat helaas meer dan eens het geval. Het relativeren van het bijbelse getuigenis over huwelijk en seksualiteit staat nooit op zichzelf en er gaat altijd een kortere of langere weg aan vooraf.

In de prediking klonk niet meer duidelijk door dat de vrijspraak van het Evangelie alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de veroordeling door de wet en dan is heel de wereld voor God verdoemelijk. Om het in de woorden van de Heidelbergse Catechismus te zeggen: de drieslag van ellende, verlossing en dankbaarheid functioneerde niet meer in de prediking. En dan moeten we beseffen dat de opstellers van de Heidelbergse Catechismus die drieslag rechtstreeks aan de brief aan de Romeinen hebben ontleend.

Waar de verzoening met God en wedergeboorte tot een levende hoop niet meer als zaken waaraan wij persoonlijk deel moeten krijgen, worden verkondigd, verbleekt ook de boodschap van de twee wegen. Het behoren tot de kerk en het wandelen op de smalle weg worden feitelijk aan elkaar gelijk gesteld. Zo verliest ook de ene Naam tot zaligheid gegeven haar glorie en kracht.

Een gemeente kan op zich nog vasthouden aan het bijbelse getuigenis over huwelijk en seksualiteit (dat doet Rome ook als we afgaan op haar officiële leer) maar allang het belangrijkste kenmerk van de ware kerk missen, namelijk de rechte bediening van de verzoening. Een ambtsdrager die Wet en Evangelie niet kan onderscheiden en elk haar juiste plaats kan geven, kan voor anderen geen betrouwbare geestelijke leidsman zijn.

Heel eenvoudig verwoordde ik het naar gemeenteleden en vooral catechisanten: bij de rechte bediening hoor je van de ene Naam die wij moeten kennen, namelijk die van Jezus Christus, van de brede weg die wij moeten verlaten en de smalle die wij moeten gaan bewandelen, en dan horen we ook hoe groot onze zonde en ellende is, dat alleen de Heere Jezus Christus kan verlossen en dat wie Hem echt kent voor Hem gaat leven (één Naam, twee wegen, drie stukken).

Een prediking kan gebrekkig zijn – en welke prediking is dat niet – maar daarmee is zij nog niet onzuiver en onwaarachtig. Daarop wees J.C. Ryle, de eerste anglicaanse bisschop van Liverpool, in zijn boekje Warnings to the Churches (Waarschuwingen aan de kerken). Ryle diende uit overtuiging de Kerk van Engeland (Anglicaanse Kerk) maar zijn liefde tot de waarheid van het Evangelie ging boven zijn band aan de Kerk van Engeland uit. In het genoemde boekje schreef hij dan ook dat het vanuit de Schrift niet te verantwoorden is 52 zondagen per jaar onze ziel te laten vergiftigen.

Hij wees erop dat als in de eigen parochie het Evangelie niet werd verkondigd, men naar een nabij gelegen parochie kon gaan. Maar als dat geen optie was had hij liever dat men naar de dissenters ging (naar een chapel zoals een kerkgebouw van de afgescheiden gemeente werd genoemd) dan een parochie bleef bezoeken (naar een church bleef gaan; church was de naam van een kerkgebouw van de Kerk van Engeland). Gezond voedsel voor de ziel was voor Ryle een levensvoorwaarde voor een christen en alleen een gemeente waar gezond voedsel wordt uitgedeeld is een ware openbaring van de kerk van Christus. Ik val in dit alles Ryle van harte bij.

*

Gebed voor de eenheid van de kerk

De kerk van Christus is verbrokkeld. De schaduw van de Reformatie is dat in Europa (en ten slotte met wereldwijde gevolgen) de uiterlijke eenheid van de kerk verdween. Ook de Reformatie zelf bleef of werd niet uiterlijk één en evenmin bleek de gereformeerde belijdenis een garantie voor kerkelijke eenheid te zijn. Allerlei factoren hebben daarbij een rol gespeeld. Zeker vanaf de achttiende eeuw groeiden de kerken van de Reformatie in meer dan één geval weg van hun eigen belijdenis.

Ds. G. Hoogerland schreef al weer een aantal jaren geleden een boekje Om vriend en broed’ren spreek ik nu. Daarin deed hij een heel indringend appel op kerken en christenen die onverkort aan de gereformeerde belijdenis willen vasthouden om naar kerkelijke eenheid te zoeken. Ik wil aan dit appel niets af doen. Integendeel, ik bepleit naar het inslaan van wegen die dat bevorderen. Als het openstellen van kansels in gewone diensten nog een brug te ver is, kan je denken aan het vragen van voorgangers en sprekers uit andere kerken voor een gemeenteavond, een jeugdbijeenkomst enz. Aan kerkelijke eenwording die betekenisvol is, gaat geestelijke herkenning vooraf en die krijgt gestalte in ontmoetingen. Ik zou wensen dat al deze wegen nog veel ingeslagen werden.

Echter, ik moet eerlijk zeggen dat er iets is dat mij nog nader aan het hart ligt dan het ontstaan van meer uiterlijke kerkelijke eenheid in Nederland en dat is dat de prediking van de verzoening, de boodschap van de ene Naam, de twee wegen en de drie stukken, werkelijk functioneert of blijft functioneren. En dan heb ik over alle kerkverbanden in Nederland mijn zorgen en zou ik geen enkele uitzondering weten te noemen, ook al is de situatie in het ene kerkverband anders tot soms heel anders dan in het andere kerkverband. Laat ik er aan toevoegen dat ik ook voor mijzelf bidt dat in mijn prediking echt mag blijken, en dat dit zo mag blijven, dat ik een gezant van Christus ben die zondaren zoekt te bewegen zich met God te laten verzoenen en kinderen van God opwek daaruit te leven.

Er is een prediking die wel rechtzinnig is maar toch heel vrijblijvend. De zaligheid wordt wel beschreven maar niet verkondigd en geproclameerd. En dat is juist de bedoeling mensen moeten concreet schuldig worden verklaard, maar zij moeten ook gewezen worden op het Lam van God, en aangespoord worden – als een doemwaardig zondaar (ik gebruik dat ouderwetse woord hier welbewust) – tot Christus te gaan. Dat kan geen uitstel leiden. Er moet ook verteld worden wat er allemaal in Christus te vinden is, al kan de ene prediker daar ongetwijfeld meer van zeggen dan de ander.

Dit moet duidelijk zijn dat er maar twee soorten mensen zijn: verloren zondaren en geredde zondaren. Dat onderscheid kan nooit scherp en duidelijk genoeg gepredikt worden. En nu is God de laatste Rechter, maar voor ambtsdragers moet toch de vraag zijn: zijn de leden van onze gemeente geredde zondaren? Neemt hun aantal toe of af?

Er is ook een andere vorm van vrijblijvendheid. Die komt als wij het hele kerkelijke landschap overzien veel breder voor. Ook in deze prediking ontbreekt het appel, of functioneert het maar heel matig, omdat de gedachte is dat – zo niet de gehele gemeente dan zeker het overgrote deel – reeds in de zaligheid deelt. Daar wordt in prediking en pastoraat zonder grond van uitgegaan. Er wordt niet gevraagd: hoe hebt u persoonlijk de Heere Jezus leren kennen? Wat betekent Hij voor u? Als een godzalige wandel ontbreekt, wordt er hooguit wat omfloerst tegen gewaarschuwd. En dan komen we op het punt dat het verdwijnen van en het weggroeien van de bediening van de verzoening niet iets is dat van de ene op de andere dag gestalte krijgt, maar altijd een proces is.

Het gevaar dat de bediening van de verzoening niet functioneert bedreigt alle kerken. Dan denk ik alleen maar aan de Hersteld Hervormde Kerk. Ook daar zijn allerlei symptomen van verval aan te wijzen en geldt dat herstel en hervorming heel concreet een blijvende opdracht en daarom vooral een zaak van volhardend en aanhoudend gebed is.

Laten we allen vurig bidden dat de bediening van de verzoening ook in de toekomst in Nederlands kerken gestalte krijgt. Dat zij blijft waar zij nu nog functioneert en dat zij terugkeert of krachtiger wordt waar zij nu niet of nauwelijks functioneert. Laten we zo samen over de muren van kerkverbanden heen het goede voor elkaar zoeken. Want als het gaat om de kerk van Christus: de muren van die kerk scheiden de kerk van de wereld. Die muren moeten niet worden geslecht. Integendeel, maar laten we hen die buiten staan wel aansporen de poort tot de kerk door te gaan Die poort is Christus. We kunnen ook zeggen die poort is verzoening met God door Zijn bloed en wedergeboorte door Zijn Geest.

Onlangs bezocht ik voor het eerst een samenkomst waarop elke week op woensdagavond een Bijbelgedeelte wordt ontvouwd. De bezoekers komen zeker uit zes kerken. Niet alleen ik was er die avond voor het eerst, dat gold ook van een echtpaar (niet hersteld hervormd) dat ik ’s middags had ontmoet en had aangeraden de bewuste samenkomst te bezoeken. De reactie van hen na afloop deed mij zeer goed: overal waar de Heere werkt, hoor je dezelfde dingen en dan werd daarmee bedoeld: de boodschap van de ene Naam, de twee wegen en drie stukken. Laten wij daarbij blijven, daaruit leven. Dan is er al innerlijke eenheid en kan meer uiterlijke eenheid een vrucht zijn.

Plaats een reactie