De theologie van de Reformatie en die van de gereformeerde theologen van de zeventiende eeuw
In de Bijbel is verbond een centraal begrip. Het Hebreeuwse woord voor verbond is berīth. In het Nieuwe Testament wordt hiervoor het Griekse woord diathèkè gebruikt. De twee delen van de Bijbel typeren wij als Oude Testament en Nieuwe Testament, maar wij zouden ook kunnen spreken van de boeken van het Oude Verbond en het Nieuwe Verbond.
In de theologie is pas vanaf de zestiende eeuw echt nagedacht over het verbond. Dat begon met Zwingli. Die verdedigde het dopen van kinderen tegenover de wederdopers – een nieuw verschijnsel in de kerkgeschiedenis – met een beroep op het feit dat ook onder de nieuwe bedeling de kinderen bij Gods verbond behoren. De belofte dat God ook de God van ons nageslacht, ons zaad is, geldt niet alleen voor het oude verbond maar ook voor het nieuwe verbond.
In de lutherse theologie is het verbond nooit een centraal thema geworden. De doop wordt beargumenteerd vanuit de gedachte dat kinderen deel uit maken van de kerk. In de lutherse theologie wordt vastgehouden dat de doop ons alleen tot zegen kan zijn als er sprake is van geloof. Tegelijkertijd loopt door de lutherse theologie een wat sacramentalistische lijn.
*
Wet en Evangelie. Werkverbond en genadeverbond
De boodschap van het Evangelie staat tegen de achtergrond van de zondeval. De gaven van ware Godskennis, gerechtigheid en heiligheid waarmee de mens vóór de zondeval was versierd omdat God hem schiep naar Zijn beeld en gelijkenis, verloor hij met de zondeval.
Sinds de zondeval worden wij allen als kinderen des toorns geboren. Wij kunnen alleen Gods koninkrijk binnengaan als wij verzoend zijn met God en wedergeboren tot een levende hoop. Het wonder van het Evangelie is dat God Zijn Zoon zond om zondaren te redden. Hij verzoende met Zijn bloed de zonden. Plaatsvervangend droeg Hij de toorn van God weg. Hij heeft ook na Zijn hemelvaart de Heilige Geest gezonden en uitgestort. Het werk van Christus wordt namelijk alleen ons deel als wij door de Heilige Geest met Christus worden verenigd. Hij is niet minder dan de Vader en de Zoon Heere en Hij is het Die levend maakt.
In de lutherse theologie staat de boodschap van de Bijbel onder de koepel van de tweeslag van Wet en Evangelie. Dat geldt ook voor gezonde gereformeerde theologie. Dan hoeven we alleen maar te denken aan de Heidelbergse Catechismus. Ook in de lutherse theologie kreeg de wet als regel van dankbaarheid een plaats. Dat blijkt uit de Formula Concordiae maar in de gereformeerde theologie is dat nadrukkelijker het geval.
Vanaf het einde van de zestiende eeuw ging men in de gereformeerde theologie ook voor de verhouding van God en de mensheid voordat de zondeval plaats had gevonden, het woord ‘verbond’ gebruiken. Ingang vond de uitdrukking ‘verbond der werken’. Zo vinden we het niet alleen in de Westminster Confession of Faith maar ook in de Second London Confession of Faith. Dat is een baptistische geloofsbelijdenis die de Westminster Confession volgt, op de kerkleer en op het antwoord op de vraag na of ook kinderen van christenouders mogen worden gedoopt.
In de gereformeerde theologie werd de tweeslag Wet en Evangelie verbonden met de tweeslag verbond der werken en verbond der genade. Beide tweeslagen verbinden klassiek gereformeerden en gereformeerde baptisten met elkaar. Terwijl in de lutherse theologie de verbondsleer niet is ontwikkeld, nemen gereformeerde baptisten een groot deel van de gereformeerde verbondsleer over.
*
Waarom dopen klassiek gereformeerden niet alleen volwassenen die het geloof belijden maar ook hun kinderen?
Zowel onze belijdenisgeschriften als het doopformulier dat wij gebruiken gaan er vanuit dat niet alleen volwassenen maar ook kinderen gedoopt mogen worden. Vraag 74 van de Heidelbergse Catechismus luidt als volgt: ‘Zal men ook de jonge kinderen dopen?’ Daarop wordt het volgende antwoord gegeven: ‘Ja ; want omdat zij zowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de doop, als door het teken van het verbond, in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, zoals in het oude Verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is.’
Christenouders die hun kinderen laten dopen, doen dat – of behoren dat althans te doen – omdat zij er diep van overtuigd zijn dat ook hun kinderen bij Gods verbond en bij Gods kerk behoren. Hetzelfde geldt voor predikanten die de doop bedienen. Het moet niet zo zijn dat hetzij de predikanten hetzij ouders de doop aan kinderen uit gewoonte, of nog erger, uit bijgeloof bedienen. Het eerste is dan in gereformeerde kring een veel groter gevaar dan het tweede en dat geldt helaas ook wel voor predikanten.
Ik noem ook de kanttekening 11 bij Lukas 19:9: ‘En Jezus zei tot hem: Heden is aan dit huis zaligheid geschied, omdat ook deze een zoon van Abraham is.’ De bewuste kanttekening luidt: ‘Dat is, huisgezin; alzo de huisvader in Christus gelovende, het gehele huisgezin in het verbond ook gerekend wordt, volgens de belofte Gen 17:7, Hand. 2:39; 16:15, 33, tenzij dat zij door hun ongelovigheid deze genade verwerpen.’ Ik zou wel willen dan niet alleen gemeenteleden maar ook predikanten beter thuis waren in de kanttekeningen van de Statenvertaling.
Boven het doopformulier voor kinderen wordt over gelovigen gesproken. We moeten dan goed beseffen dat het woord ‘gelovigen’ niet subjectief maar objectief is bedoeld. Gelovigen staan tegenover heidenen zo blijkt ook uit antwoord 74 van de Heidelbergse Catechismus. Het gaat om ouders die het christelijk geloof belijden. In ons doopformulier wordt er dan nog aan toegevoegd dat men zijn instemming betuigt met niet alleen de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar met de leer die alhier wordt geleerd.
Die laatste zin slaat op de gereformeerde belijdenis. Men moet beseffen dat men zijn of haar kind niet in de Rooms-Katholieke Kerk laat dopen of in een Lutherse Kerk, maar in de Gereformeerde of Hervormde Kerk en met de leer van deze Kerk betuigt men instemming. In die leer belooft men kinderen te gaan opvoeden, en dan is de drieslag ellende, verlossing en dankbaarheid essentieel.
Christenouders horen als hun kinderen opgroeien hen te vertellen hoe groot hun zonde en ellende zijn. Niet alleen dat zij zondaar zijn, maar dat niemand het koninkrijk van God kan binnengaan tenzij hij opnieuw geboren is. Zij mogen hun kinderen wijzen op de Heere Jezus Christus Die kwam om zondaren te redden en in Wiens Naam ook zij tot de Vader mogen gaan om te vragen om genade en vergeving van zonden. Ouders leren hun kinderen bidden, maar uiteindelijk kan alleen de Heilige Geest, of het nu volwassenen of kinderen betreft, ons leren bidden. De Heilige Geest wordt niet voor niets de Geest van de genade en van de gebeden genoemd (Zach. 12:10).
Dit is zeker, dat de Heere Jezus ook tegen kinderen zegt: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’ En dan zijn kinderen niet te klein om door de levendmakende werking van Gods Geest Christus nodig te krijgen en Hem als Zaligmaker te gaan liefhebben.
De doop roept ons ook op tot een nieuwe gehoorzaamheid, en vraagt van ons dat wij onze natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen. Zonder bekering als vrucht van het geloof ontheiligen we onze doop. Al deze dingen moeten ouders hun kinderen vertellen als zij hen duidelijk maken waarom zij, toen ze dat nog niet wisten, in de naam van de drie-enige God zijn gedoopt.
*
Kinderen behoren bij het verbond maar er zijn wel tweeërlei kinderen van het verbond
Wij dopen kinderen omdat wij geloven dat zij niet minder dan de volwassenen die het geloof belijden, bij Gods verbond en kerk behoren. Zouden we dat niet geloven, dan zouden we de kinderen ongedoopt moeten laten. Betekent dit dan dat alle gedoopte kinderen in de zaligheid delen?
Abraham Kuyper meende dat je het dopen van kinderen moest gronden op de vooronderstelling dat zij wedergeboren zijn. Hij wist wel dat die vooronderstelling niet altijd juist was. Anderen gaan nog verder en stellen dat zonder onderscheid alle gedoopten in volle zin bij Gods verbond en kerk behoren. Wie dat volhoudt en ernstig neemt wat de Bijbel zegt over het verloren gaan, moet tot de gedachte komen van de afval van de heiligen en de leer van de volharding der heiligen prijsgeven.
Immers, lang niet allen die als kind zijn gedoopt, vertonen bij het opgroeien en als zij de leeftijd van de volwassenheid hebben bereikt, de kenmerken van een ware christen. Van de meeste generaties geldt, wat Paulus schreef over de generatie die uit Egypte uittrok: ‘En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee. (…) Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.’ (1 Kor. 10:2 en 5).
Zowel het klassieke doopformulier als het klassieke avondmaalsformulier gaan echter heel nadrukkelijk uit van de volharding van de heiligen. In het doopformulier lezen we onder andere dat de doop ons de afwassing onzer zonden, en de dagelijkse vernieuwing onzes levens verzegelt, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.
In het avondmaalsformulier lezen we onder andere dat wij het avondmaal gebruiken opdat wij vastelijk zouden geloven dat wij tot dit genadeverbond behoren. Is dat het geval, dan kan niets ons scheiden van de liefde van God in Christus onze Heere. Betekent dit dat alle gedoopte kinderen en alle avondmaalgangers in de toezeggingen van Gods verbond en Evangelie delen? Dan moet het antwoord zijn dat dit alleen het geval is als zij in het geloof Christus hebben leren omhelzen, en dan zal dat geloof blijken uit de bekering.
Anders geldt voor gedoopten en avondmaalgangers dat zij wel in de kerk maar niet van de kerk zijn (artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) of anders gezegd: wel in het verbond maar niet van het verbond (Bavinck in zijn Gereformeerde Dogmatiek). Olevianus, wiens gedachten doorklinken in het doopformulier kon daarom een onderscheid maken tussen het wezen en de bediening van het verbond, een onderscheid dat correspondeert met dat van toezegging en toe-eigening of deelachtigmaking.
Als het gaat om het dankgebed van het doopformulier moeten wij ons dat onderscheid realiseren. We mogen het dankgebed na de doop ook nooit losmaken van het smeekgebed vóór de doop, niet voor onszelf en niet voor onze kinderen.
In de verkorting van het doopformulier die in 1574 tot stand kwam, begint het dankgebed trouwens als volgt: ‘Wij danken U, dat U ons met ons zaad in Uw verbond genomen hebt en hetzelve met de Heilige Doop aan ons lichaam verzegelt en bekrachtigt. Wij bidden U dat U dit kind (deze kinderen) wilt wassen met het bloed en de Geest van Jezus Christus, dat is, wil hem zijn zonde om des bloedstortens van Christus wil, niet toerekenen en door Uw Heilige Geest wederbaren en vernieuwen, opdat het Christelijk en godzalig opgebracht worde, enz.’
Zonder de persoonlijke toerekening van Christus’ gerechtigheid en de persoonlijk ontvangen vernieuwende en wederbarende werking van Gods Geest delen we niet in de zaligheid en daarmee in de zegen die ons in de doop werd verzegeld.
De Dordtse synode van 1618-1619 nam weer de formulering van het dankgebed van 1566 op. Zelf vind ik die van 1574 duidelijker, maar hoe dan ook moeten wij beseffen dat het verbond en de toezegging van het Evangelie wordt verzegeld en niet het persoonlijke aandeel erin. Dat laatste kan nooit zonder wedergeboorte en geloof.
Heel verdrietig is dat bij meerderen die zich gereformeerd noemen de notie ontbreekt dat je wel in het verbond kan zijn, maar dat dit nog niet betekent dat je van het verbond bent. De tekst: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien’ (Joh. 3:3) lijkt niet in hun Bijbel te staan. Zij lijken niet te weten dat een mens alleen maar vrede met God kan hebben als hij door geloof persoonlijk aan de verzoening deel heeft gekregen.
Laten we vasthouden aan de rijkdom van het dopen van kinderen en met onze kinderen daarover spreken, maar dan wel in het licht van de rijkdom van het Evangelie. Christus kwam om zondaren zalig te maken. Deze Zaligmaker is aan ons verschenen opdat wij en onze kinderen leren de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden te verloochenen en matig en rechtvaardig, en godzalig zullen leven in deze tegenwoordige wereld, terwijl wij de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus verwachten (vgl. Titus 2:11-13).
Dan geeft het ons vreugde als wij kunnen horen en merken dat zij die als kind gedoopt zijn in de waarheid wandelen (vgl. 3 Joh. 4). Het moet ons verdriet doen als zo niet in spreken dan zeker uit levenswandel, duidelijk wordt dat zij die gedoopt zijn hun doop niet verstaan maar die juist ontheiligen. Dan geldt wat Johannes de Doper zei: ‘Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.’ (Luk. 3:8).
Laten wij ook de waarschuwing van Paulus ter harte nemen tegen de gedachte dat de doop, of wij die nu als kind of als volwassene ontvingen, een garantie is voor de zaligheid en dat voor het deelnemen aan het avondmaal hetzelfde geldt: ‘En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; En allen dezelfde geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.’ (1 Kor. 10:1-5).
Doop en avondmaal ontvangen hun betekenis vanuit het Evangelie zelf en wij delen in de zegen ervan als wij leren zien op Christus. Als wij door de verborgen werking van Gods Geest worden wedergeboren, gaan we vanuit onze verlorenheid zien op het Lam van God en zaak is dat wij dat blijven doen tot onze dood toe.
*
Waarom laten gereformeerde baptisten hun kinderen ongedoopt?
Gereformeerde baptisten belijden met ons dat God een God van het verbond is. Krachtens Zijn verbondstrouw trekt Hij mensen uit de duisternis tot het licht en verzoent Hij hen door het bloed van Zijn Zoon met Zichzelf. Dat doet Hij niet op grond van werken, verdiensten of kwaliteiten van onze kant. Wij kunnen niet zalig worden in de weg van het werkverbond maar alleen in die van het genadeverbond.
Verschil is dat (gereformeerde) baptisten menen dat kinderen niet tot de (zichtbare) kerk behoren. Zeker gereformeerde baptisten zullen onderstrepen hoezeer kinderen die in een christelijk gezin mogen opgroeien bevoorrecht zijn. Zij bevinden zich, zo heb ik Britse en Amerikaanse gereformeerde baptisten horen uitleggen, in het portaal van de (zichtbare) kerk, een beeld dat veel dieper is dan het beeld van het erf van een boerderij.
Wie het boekje van C.H. Spurgeon: Rondom de schaapskooi leest, kan met eigen ogen constateren hoezeer Spurgeon wenst dat kinderen met liefde en indringend op de Zaligmaker worden gewezen. Hij is niet alleen gekomen om volwassenen maar ook om kinderen zalig te maken. Ik wijs in dit verband op de Bijbelvertellingen en boekjes voor kinderen van B.A. Ramsbottom, een Britse gereformeerde baptist die in 2023 is overleden. Ik kan deze boekjes, ondanks het feit dat ik anders over verbond en doop denk, van harte aanbevelen aan ouders, opvoeders en kinderen.
Echter, bij het verbond en bij de kerk behoor je naar de overtuiging van gereformeerde baptisten pas als je door een levend geloof Christus hebt omhelsd en met Christus bent levend gemaakt door Zijn Geest. Wie in het verbond is, is ook van het verbond. Men kent niet de notie van tweeërlei kinderen van het verbond.
Ook gereformeerde baptisten weten dat kinderen al op heel jonge leeftijd door de Heilige Geest met Christus kunnen worden verbonden. Dat is dan een vrucht van Gods verkiezende liefde (iets wat wij bijvallen) en vanaf dat moment zijn ze ook in het verbond begrepen en behoren zij bij de onzichtbare kerk.
Bij de zichtbare kerk gaan zij pas behoren als zij op volwassen leeftijd hun geloof belijden. Aan die belijdenis gaat een onderzoek van een predikant, diakenen en soms ook ouderlingen vooraf. (Meerdere baptistenkerken kennen het ambt van ouderling niet. Een diaken heeft taken die bij ons een ouderling, diaken of kerkvoogd heeft). Het kan ook de gewoonte zijn dat, voordat men zelf wordt gedoopt in het midden van hen die reeds gedoopt zijn, een getuigenis moet afleggen voordat men kan worden gedoopt.
Theologisch is het bezwaarlijk dat het verbond en de onzichtbare kerk zich bij deze zienswijze ook buiten de zichtbare kerk kunnen bevinden. Wie de notie van tweeërlei kinderen van het verbond opgeeft, zal ook meer moeite hebben om de oproep tot zelfonderzoek te richten op hen die op volwassen leeftijd zijn gedoopt en dus ook ten avondmaal gaan.
Niet alleen naar avondmaalgangers kan dan de oproep tot zelfonderzoek ontbreken, maar ook naar ambtsdragers toe wordt dat moeilijk. Nu zien we dat ook wel in Nederland bij hen die geen enkele moeite hebben met het dopen van kinderen. De oproep tot zelfonderzoek lijkt zeker naar predikanten toe overbodig te zijn. Het uitgangspunt is dan namelijk dat die zonder meer in Gods genade delen.
Hoe belangrijk de leer van het verbond en de doop ook is, de boodschap van het bloed van Christus dat van alle zonden reinigt en van de Geest Die ons wederbaart en met Christus mede levend maakt gaat daar boven uit. Met die twee laatste zaken staat of valt onze zaligheid. Zijn we gewassen door Christus’ bloed en wedergeboren tot een levende hoop?
Tot voor enkele jaren heb ik meer dan eens in een preek gezegd dat wij ook kinderen dopen omdat zij op het erf/de erve van het verbond zijn geboren. In de lijn van het gebruik van het woord ‘erf’ of ‘erve’ in de Statenvertaling dacht ik dan aan het erfdeel van het verbond. Zoals de Israëlieten in het land Kanaän geboren werden op de erve van het verbond of de erve der vaderen, zo geldt dat ook voor kinderen van christenouders.
Een aantal jaren geleden kwam ik er voor het eerst achter dat er predikanten zijn die hier toch een ander referentiekader hebben dan de taal van de Statenvertaling; die taal staat hierbij blijkbaar toch iets verder van hen af. Men denkt dan, zo begreep ik, aan het erf van een boerderij. Nu, dat is een nog wat afstandelijker beeld dan het portaal van de kerk waarover gereformeerde baptisten spreken. Als ik zelf nog een keer spreek over de erve van het verbond, licht ik direct toe wat ik daarmee bedoel.
Immers, als kinderen niet bij de kerk, voorgesteld als boerderij, behoren maar slechts op het erf ervan zijn en zich niet in de kerk zelf bevinden, mogen zij ook het teken en zegel van de doop, dat toch ook een teken en zegel van lidmaatschap van Gods kerk is, niet ontvangen. Dan geven wij namelijk het teken en zegel van de doop aan hen aan wie het volgens onze theologie feitelijk niet toekomt. Ik zou iedereen die ervan overtuigd is dat kinderen gedoopt behoren te worden en toch denkt dit beeld te kunnen gebruiken, ertoe op willen roepen hier nog eens ernstig over na te denken.
*
Slotbeschouwing
Zelf werd ik als kind gedoopt. Rond mijn vijftiende jaar leerde ik de betekenis ervan verstaan en ontstond ook bij mij gaandeweg het verlangen de dood des Heeren te verkondigen. Eigenlijk heb ik daar te lang mee gewacht. Ik was al twintig toen ik dat voor het eerst deed. In de kringen van gereformeerde baptisten is een doopdienst ook altijd een avondmaalsdienst. De nieuwgedoopten gebruiken samen met de reeds gedoopten het avondmaal. Niet ongebruikelijk is dat voordat het avondmaal wordt bediend, de niet-gedoopten c.q. niet-avondmaalgangers de dienst verlaten.
Ook wij behoren vast te houden aan de band tussen doop en avondmaal. Wij horen ernaar uit te zien dat zij die als kind gedoopt zijn, tot een levend geloof en tot waarachtige bekering komen. Dat is bepaald niet vanzelfsprekend. Dat weten we als het gaat om de geestelijke betekenis van de besnijdenis uit de prediking van de oudtestamentische profeten en die van Johannes de Doper. Menigeen dacht dat de besnijdenis van het vlees een garantie was voor de zaligheid.
Hoezeer ik ook overtuigd ben van het feit dat Gods genadeverbond ook de kinderen omvat, ik voel mij meer verbonden met een baptist die weet dat hij eerst verloren lag en nu behouden is, eerst blind was en nu ziet, dan met hen die het dopen van kinderen voorstaan maar geen onderscheid maken tussen in en van het verbond zijn.
Echt gereformeerde baptisten zijn goed vertegenwoordigd in de Engelssprekende wereld. In Nederland kom je ze nauwelijks tegen. Dan denk ik alleen al aan het feit dat gereformeerde baptisten de eerste dag van de week als de nieuwtestamentische sabbat zien (dat is de lijn van de Westminster Confession). Uiteraard zijn er dan elke eerste dag van de week (men spreekt dan vaak liever over ‘the Lord’s Day’ dan over ‘Sunday’) twee diensten en vrijwel altijd is er dan ook nog elke week een doordeweekse dienst. Helaas komt dit laatste in Nederland ook onder hen die het dopen van kinderen voorstaan nauwelijks voor.
Maar ook in Nederland ontmoette en ontmoet ik christenen die anders tegen het dopen van kinderen aankijken dan men naar mijn diepe overtuiging op grond van de Bijbel behoort te doen, en met wie er toch gemeenschap der heiligen mag zijn vanuit de gemeenschap met Christus. Ik denk dan niet in de laatste plaats aan Johan Frinsel, een van de personen die ik beschrijf in mijn boekje Hij zal genade en ere geven. We wisten zonder dat wij het ooit hebben uitgesproken, van elkaar dat wij verschillend dachten over de doop.
Immers, over Gods genade in Christus valt zoveel te zeggen. Daarover raak je nooit uitgepraat en is er telkens weer gespreksstof. Meer dan eens heeft Frinsel in deze gesprekken opgemerkt dat hij veel gereformeerder was dan veel mensen die zo heten. En dat kon ik alleen maar beamen. Wie zijn verhalen leest, kan de hoofdstukken 3 en 4 van de Dordtse Leerregels ernaast leggen als het gaat om het antwoord op de vraag hoe mensen ertoe komen zich te bekeren en te geloven.
Veel duidelijker dan bij menigeen die met de lippen zijn instemming met de Dordtse Leerregels belijdt, komt in de verhalen van Frinsel naar voren dat tenzij een mens wedergeboren wordt hij het koninkrijk van God niet kan zien, en dat zalig worden van het begin tot het einde genade is. Wat mij aan Frinsel verbond was juist dat hij de kern van de gereformeerde leer van harte bijviel, namelijk dat het kruis van Christus de enige en volkomen grond van zaligheid is en dat – zonder iets af te doen van onze verantwoordelijkheid – het enkel te danken is aan Gods trekkende liefde dat wij tot Christus komen. Dat was ook telkens weer de inhoud van onze gesprekken. En daarin ben ik, zoals ik mevrouw Frinsel duidelijk maakte, nu juist wel streng gereformeerd.
Ik noem ook Lois Stehouwer, een oudere dame van baptistische achtergrond. Ik had haar onder mijn gehoor toen ik een aantal malen voorging in de Providence Reformed Church in Grand Rapids. Zij kerkte daar omdat zij in de baptistengemeente waartoe zij behoorde, steeds meer de boodschap van zonde en genade was gaan missen.
In de Providence Reformed Church zingt men de Psalters, een wat vrijere weergave van de Psalmen. Ik zong die mee maar kon ze niet citeren. Toen kwam mij van pas dat ik wel Engelse gezangen in de preek kon citeren. Zo citeerde ik het lied van de Anglicaanse predikant John Newton:
May the grace of Christ our Saviour,
And the Father’s boundless love,
With the Holy Spirit’s favour,
Rest upon us from above.
Thus may we abide in union
With each other and the Lord;
And possess, in sweet communion,
Joys which earth cannot afford.
Zoals iedereen kan zien is dit de apostolische zegebede in een wat vrijere dichtvorm: ‘De genade van de Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heiligen Geest, zij met u allen. Amen.’ (2 Kor. 13:13)
Na de dienst waarin ik dit gezang had geciteerd kwam Louis Stehouwer direct naar mij toe. Zij sprak haar verwondering en grote blijdschap uit: ‘You are a pastor from Holland and you quote in your sermon our good old hymns’ (U bent een predikant uit Nederland en u haalt in uw preek onze goede oude gezangen aan). Vooral had het haar ontroerd dat ik May the grace of Christ our Saviour volledig geciteerd had. Dit gezang werd namelijk in elke avondmaalsdienst gezongen van de baptistengemeente waarin zij als kind was opgegroeid en waar zij op volwassen leeftijd was gedoopt. Als kind hadden haar ouders in de vreze des Heeren opgevoed en ik begreep dat zij nog jong was toen de Heere reeds Zijn goede werk in haar was begonnen.
Als we wedergeboren worden en door geloof met Christus verenigd, is dat nooit zonder vreugde in God en ontstaat er heimwee naar God. Dat verbindt Gods kinderen hier op aarde aan elkaar of zij gereformeerd zijn, presbyteriaan, luthers, anglicaan of baptist, enz. Vanuit de geestelijke eenheid die er al is, mogen wij ook zoeken zo niet naar kerkelijke eenheid dan toch zeker wel samenwerking. Het is niet zo dat als de een maar zicht heeft op de verkiezing, de ander op het verbond, de derde op bevinding en de vierde op nog iets anders dat een basis is voor eenheid.
Dat geeft nog geen geestelijke verbonden en dat op zich in ieder geval voor de eeuwigheid tekort. Want dan ontbreekt nog de kern der zaak: de geloofsvereniging met Christus en het in gemeenschap met Hem aan al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben . We mogen wel weten dat God uit Zijn eeuwige verkiezende liefde en onwankelbare verbondstrouw – hoe mensen ook over het verbond denken – dat aan mensen leert en daarmee doorgaat tot de jongste dag.
Daarom besluit ik deze bijdrage met een gezang van Newtons gemeentelid in Olney, William Cowper, en wel met name vanwege de laatste coupletten:
There is a fountain filled with blood,
Drawn from Immanuel’s veins,
And sinners plunged beneath that flood,
Lose all their guilty stains.
*
The dying thief rejoiced to see
That fountain in his day;
And there have I, though vile as he,
Washed all my sins away.
*
Dear dying Lamb! Thy precious blood
Shall never lose its power,
Till all the ransomed Church of God
Be saved, to sin no more.
*
E’er since, by faith, I saw the stream
Thy flowing wounds supply,
Redeeming love has been my theme,
And shall be till I die.
*
But when this lisping, stammering tongue
Lies silent in the grave,
Then, in a nobler, sweeter song,
I’ll sing thy power to save.
*
Lord, I believe Thou hast prepared,
unworthy though I be,
For me a blood bought free reward,
a golden harp for me!
*
’Tis strung and tuned for endless years,
and formed by power divine,
To sound in God the Father’s ears