Gedachten over de prediking en het geestelijk leven

Van het verleden kunnen we leren. Bijbelkennis is het allerbelangrijkste, maar ondergeschikt daaraan is het van groot belang iets te weten van de geschiedenis van de kerk door de eeuwen heen. Dat kan ons onder Gods zegen verbondenheid geven met de kerk van alle eeuwen maar het kan ons ook leren ontwikkelingen in het heden te onderkennen, omdat wij weten van het verleden.

Helaas is ook onder ambtsdragers en zelfs onder predikanten vooral de laatste jaren de kennis van de geschiedenis van kerk en theologie minimaal. Iedereen die hier een manco constateert en zich wil gaan verdiepen in de kerkgeschiedenis raad ik het lezen aan van De Kerk van alle tijden van dr. Louis Praamsma. Ik meen dat predikanten zich echt moeten schamen als zij dat nog nooit hebben gedaan en het is een must voor elke student in de theologie.

*

Ik geef u een aantal gedachten weer over de prediking en het geestelijk leven die ik vond bij een prediker en theoloog uit het verleden. Ik meen dat ze waard zijn te worden doorgegeven en overdacht. Wie deze gedachten leest, kan begrijpen dat de lievelingspsalm van deze theoloog Psalm 89:8 was:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Voor deze theoloog stond vast dat wij alles in het schepsel schade en drek moeten achten, wat iets af of toe zou willen doen aan die geheel enige goddelijke waardij van wat op Golgotha gestreden en geleden en overwonnen is. Hij zag er dan naar uit dat al zijn kinderen nooit iets anders zouden bedoelen, nooit iets anders zouden willen dan te roemen in het kruis van de Zoon van Gods tederste liefde. Hij meende te mogen weten dat dit van al zijn kinderen mocht gelden, maar helaas niet van een van zijn zoons.

Zoals helaas voor meerdere predikantskinderen geldt, moest ook deze theoloog het kruis dragen dat één van zijn kinderen brak met de kerk. Het was voor hem een zware last. Dagelijks droeg hij deze zoon in gebed aan God op. Eén van zijn vrienden schreef hem in een brief: ‘Ik weet dat uw vaderhart niet ophoudt te bidden en te pleiten op de trouw van de God des verbonds.’ Hij wist dat het de hartenwens van de genoemde theoloog was dat hij ook uit de mond van deze zoon zou horen dat hij zich gekocht wist door Jezus’ bloed.

In een brief aan deze bewuste vriend schreef de genoemde theoloog zelf: ‘O, ’t zou mij toch zo heerlijk zijn, als ik vóór mijn sterven van hem horen mocht: vader, ik keer tot Jezus terug. Maar tot dusver van zoiets nog geen woord. Ik blijf bidden.’ Helaas moest hij tot zijn dood het kruis meedragen dat zijn zoon geen Verlosser nodig meende te hebben.

Bij zijn begrafenis sprak ook de vriend aan wie hij meer dan één brief had geschreven. Deze merkte onder andere het volgende op:

‘Dat tedere in het diepst van zijn ziel was een grote liefde, die allereerst uitging tot God, tot de God van zijn leven. Hoe kon zijn blik schitteren, zijn woord gloeien als hij in een vertrouwelijk gesprek verhaalde van de ervaringen zijns levens en van de leidingen des Heeren.

Hoe warm was zijn toon als zijn ziel zich uitgoot in het gebed. Het was die liefde die hem nog op zijn sterfbed deed getuigen dat God zijn toevlucht was, zijn hulp in benauwdheden. (…) Wat ervoer hij diep het “nabij God te zijn” als zaligheid! Hoe kon hij genieten van de gemeenschap met zijn Verlosser. Toen de doodsschaduw reeds op hem viel, kwam over hem een trek van verrukking bij de verzekering dat bij Christus te zijn “zeer verre het beste” was.’

Ik besluit dat deze predikant tegen een meisje uit zijn eerste gemeente zei toen hij haar ouders vanuit zijn nieuwe gemeente nog een keer bezocht: ‘Kind, zal je vroeg de Heere Jezus zoeken? Ik heb Hem niet gezocht. Maar Hij heeft mij gezocht en gevonden.’

*

Dan nu een aantal citaten van de bewuste theoloog:

Geloof

Zeker het bekeerd of onbekeerd zijn geeft grondverschil, en daar moet de prediking telkens op terugkomen, want oproepen tot bekering is voor de kerk een levenstaak.

*

Men spreekt dan van geloof. Men ontleedt het geloof in zijn hoofd- en onder- en zij-begrippen. Men scherpt zijn tegenstellingen tegen bijgeloof en ongeloof. Men onderscheidt, men splitst, men verkavelt, men omschrijft en bepaalt, en zet een brede borstwering op tegen alle ketterijen in zake het geloofsbegrip. Men meet de krachten van het geloof breed uit. Men bepaalt er den oorsprong, den inhoud, en werking van. Kortom, men toont alles van het geloof te weten. In zijn boek staat alles wat ge omtrent het geloof maar wensen kunt, haarfijn. De cognossementen van het geloof zijn keurig in orde. Er ontbreekt niets aan. Alleen maar, men vergeet zo licht, dat dit alles, zonder meer, nog niet de allergeringste waarde ter zaligheid bezit, want dat het voor de zaligheid niet aankomt op het geloofsbegrip in het boek, maar op het levend geloof in het hart.

*

In gewone tijden komt ge met uw haarfijn beleden geloof nog uit. Maar als de nood aan den man komt, en uw hart wordt bestormd door tegenheden, dan geven al uw begrippen en formuleringen en logische uiteenzettingen niets. Dan komt het aan op het wezenlijke geloof, dat in den kelder van uw hart verborgen ligt. En als dat er dan niet is, dan zijt ge geestelijk bankroet. Zo ziet men het dan ook telkens.

*

Verstand, gevoel en wil

Beeldt u niet in, dat onze bestrijding van het intellectualisme bedoelt een pleidooi te worden voor het sensualisme, d. i. voor de gevoelseenzijdigheid, of een lokaas voor de wilsmannen, die hun christendom uitsluitend zoeken in werken, offers en veel bezigheid. Ons protest gaat tegen elk dezer drie eenzijdigheden, en tegen elk van die drie even sterk. Zal het goed zijn, dan moeten we mannen des geloofs zijn, en het geloof heeft juist dit eigenaardige, dat het ons innerlijk leven als zodanig in beweging zet, en zulks wel naar de drie uitgangen onzes levens, ons actief denken en willen, en ons passief gevoelen.

*

Toch moet men elk dezer drie eenzijdigheden op haar beurt nemen, en wie een beurt zal geven aan elk der drie, moet wel een keuze doen, welke dezer drie het eerst onder de ogen zal worden gezien; en zó genomen lag het voor de hand, eerst het intellectualisme te bestrijden. Die orde wordt gemeenlijk gevolgd, en met name onder ons gereformeerden ligt voor die eenzijdigheid ons kerkelijk leven het eerst en het meest open.

*

Bevinding

Ook de bevindelijke prediking kan zonder eigen bevinding worden nagebootst. En dat klinkt dan wel eerst vaak uiterst fraai, en misleidt voor een tijd. Maar al spoedig begint men ook hier te merken, dat men met bevindelijke lippentaal in plaats van met taal uit het hart te doen heeft, en dan natuurlijk is „nagebootst gevoel” nog vervelender dan klassieke deftigheid en dor geredeneer over algemeenheden. Maar als het echte bevindelijke aan het woord komt, was er in elke kring steeds gehoor, en kon men het den kerkgangers aanzien, dat ze genoten. In de volle en de lege kerken ligt zoveel lering.

Welnu dat feit beslist. Niet voor de bevindelijke tegen de voorwerpelijke prediking. Bij die tegenstelling staat het heel anders. Maar wel voor een prediking waar geestelijke realiteit achter zit, en waar het hart in meespreekt, tegenover de prediking van den dorren, zij het opgeschroefde intellectualist. Het volk wil, en terecht, geen notaris op den kansel.

*

Ge hoort het aan, hoe er over uw duurste goederen geredeneerd wordt, maar de vrucht van den edelen wijnstok proeft ge niet. Er wordt wel telkens gezegd, dat het om uw ziel, om uw eeuwige behoudenis, om uw zaligheid en om uw eeuwig leven gaat, maar onder het horen raakt ge niet zelden nog verder van uw ziel af, dan toen ge u onder het gehoor nederzette. Als ge wezenlijk met uw ziel te doen hadt, in angst over uwe zonde waart, of voor de poorten der eeuwigheid stond, en men begon u zulk een predicatie voor te lezen, zou u bidden en smeken dat men toch ophield, en u met uw ziel bezig liet zijn.

*

Aldus begint allengs het verstandelijk kennen het geestelijk kunnen te vervangen. Verstandelijkheid begint proeve van echte bekering te worden wie die verstandelijke loop niet mee kunnen maken, dalen af tot een lageren rang, om heel hun leven lang tobbende te blijven, zonder ooit de zaligheid der uitverkiezing als den grond hunner vertroosting ervaren te hebben.

Aanvankelijk wordt dat dan nog met enige teerheid verzeld, en blijft de ernst van de godsvrucht aan de verstandelijkheid een hoger karakter lenen. Maar het kwaad, dat in een beginsel schuilt, is nu eenmaal niet te stuiten. Het werkt altoos door tot aan zijn voleinding. En zo nadert men dan in zulk een gemeente al meer het gevaarlijke punt, dat historisch geloof voor echt geloof wordt aangezien, en dat het is alsof niet aan den nederige, maar aan de hogere in kennis de genade voor genade was toegezegd.

*

Het „kinderen, hoort, wat God aan mijne ziel gedaan heeft”, behoudt zijn onveranderlijk recht. Alleen, dat bevindelijke kan noch mag ooit voor den voorwerpelijken dienst van het Woord in de plaats komen. En ook, nooit mag het Woord naar die bevinding, maar altoos moet de bevinding naar het Woord van God beoordeeld worden.

*

Toepassen

Er mag daarom niets op worden afgedongen: de Dienst des Woords bestaat daarin, dat het eeuwenoude Woord van God, gelijk dat in de Heilige Schriftuur geopenbaard voor ons ligt, telkens opnieuw tot de gemeente gebracht, haar uitgelegd, op haar toestand toegepast en door mannen vol van kracht en des Heiligen Geestes haar op de ziel worde gebonden.

Toepassen is niet maar twee, drie algemeenheden zeggen, die elke hoorder vooruit weet. Neen, toepassen is indringen, niet in zijn eigen onderwerpelijk leven, maar in de onderwerpelijke noden der gemeente, en voor elke nood aanwijzing doen van het daarvoor passend medicijn.

*

Als wij God kennen, of althans iets van God weten willen, begint Hij zelf met ons een oog en een oor te geven; en het gaat alzo in den allerstrengste zin door, dat wij niets van God weten of kennen dan door zijn eigen daad. Als God ons ziende maakt, dan zien we; als God ons horende maakt, dan horen we. Anders blijft het om ons heen en in ons, eeuwige nacht en geluidloze grafstilte.

*

Redeneren over de waarheid of weten dat de waarheid indrong in ons hart en leven

Dat u bidden moet, en hoe u bidden moet, leert u de Schrift; maar het zalige gebed zelf is een mystieke handeling tussen u en uw God. Wie dit nu wegcijfert houdt een prachtige haard over, maar zonder vuur; een keurig recept maar zonder het geneesmiddel; getekend of geschilderd brood, maar geen brood dat zijn honger kan stillen. De beredenering der zaak kan ook een ongelovige u geven, maar de beredeneerde zaak zelve is het getuigenis van het hart.

*

Vandaar, dat het indringen van de waarheid in hun persoonlijk leven hun ook vreemd is. Zonde belijden ze. Dat doet immers iedereen. Maar kennis van zonde, zodat ze onder de wet zijn gevallen, en in Adam, zijn verzonken, schijnt hun ijdel geklank. Daar verstaan ze niets van. Ze moeten liefhebben, en ze hebben hun naaste dan ook lief; maar wat het mysterie der liefde in de verborgenheid der ziel, in de gemeenschap met den Heiland, en in den verborgen omgang met hun God is, werd nooit aan hun ziel ontdekt.

*

Dood waar is uw prikkel?

De dood met zijn prikkel is vreselijk. Dan zijt gij weg. Dan zijn er in dien dood banden der helle en eeuwige afgrijzing. Maar is die dood zijn prikkel kwijt , dan is ook op eenmaal alle verschrikking geweken. Dan zijn er die naar de dood verlangd hebben, omdat alleen die dood hen voor eeuwig bij hun God kon brengen.

Alleen vergis u nu niet. Er zijn een soort Catechismus-christenen die kortweg aldus redeneren: ‘Christus stond uit de doden op. Door die opstanding heeft Christus de prikkel aan de dood uitgebroken. Dus heeft nu de dood geen prikkel meer. En alzo kan ik nu gerust inslapen.

Alsof er ooit enige vreugde kon vloeien uit een redenering! Nee, de dood heeft nog wel waarlijk na Jezus’ opstanding zijn giftige angel behouden. Denk maar aan die duizenden bij duizenden die buiten he t geloof aan Jezus, ook na Jezus’ verrijzenis, de dood ten prooi werden.

Ook nu nog sterven er telkens aan wie hij in hun sterven met zijn angel die giftige steek toebrengt. En wel zegt ge naar waarheid dat er toch ook duizenden bij duizenden zijn heengegaan voor wie alle prikkel uit de dood weg was, maar die allen was het een persoonlijke daad. Als de dood aan hen toekwam, dan, werd de angel werkeloos die anderen nog zo giftig stak.

En zo hebt gij dan aan een redenering uit uw Catechismus niets. Ook voor u is de vraag maar, of ge, als de dood op u aankomt, dat geloof in Christus werkende hebt, waardoor die angel van de dood ontwapend wordt. Zo ja, vrees niet. Dan, dan alleen, maar dan ook zeker, zal uw sterven vrede zijn.

*

Goddelijke kastijding

“Bastaard” is een hard woord, om in Christus’ kerk te bezigen; en toch is het volkomen op zijn plaats; want “bastaard” is de eigenlijke naam van een hypocriet, of nog zuiverder te nemen voor een iegelijk, die de uitwendige kerk verkiest zonder tot inwendige kerk te behoren.

De kerk treedt dan in het beeld van de vrouw op, die God tot “haar man” heeft, gelijk de Schrift dit van de dochter Zions zegt. Maar deze vrouw verontreinigt haar paden, loopt haar boelen na, en baart nu een onheilig kroost dat wel in haar gezin opgroeit maar buiten het kindschap Gods staat.

Die beide soorten kinderen moeten dus eigen merktekenen hebben, want de echte kinderen krijgen de erfenis, de bastaard krijgt die niet; en het is nu met het oog hierop, dat de heilige apostel u gebiedt, een die merktekenen in kastijding te zoeken.

Plaats een reactie