In Christus gedoopt (slot)

Hoe delen wij in de zaligheid?

In deze bijdrage ga ik verder met de analyse van In Christus gedoopt. Een aantal zaken die feitelijk al in de vorige bijdrage ter sprake kwamen, belicht ik nu wat meer om met een aantal overwegingen gericht op de toekomst te besluiten. In het boek van Van Vlastuin staan passages over de Wet als naald en het Evangelie als draad die ik op zich bijval. Ik noem ook wat hij schrijft over verzoening door voldoening en dat het kruis van Christus ons zowel Gods heiligheid als Gods liefde openbaart. Meer dan eens citeert hij ook puriteinen, mannen van de Nadere Reformatie en hun geestelijke nazaten. En dan zijn het citaten waarvan de inhoud hartelijk bijval verdient.

Echter, als het gaat om de grondlijnen die naar voren moeten komen bij het vertolken van de Bijbelse boodschap slaat Van Vlastuin heel andere wegen in dan de puriteinen, en de mannen van de Nadere Reformatie. Van Vlastuin heeft kennis genoeg om toe te geven dat dit inderdaad het geval is, maar het was beter geweest als hij naar de lezers toe ook duidelijk had aangegeven dat het feit dát hij deze predikers citeert niet betekent dat hij hun theologie bijvalt.

Afhankelijk van de definitie die je van het piëtisme hanteert zijn niet alle puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie zondermeer piëtisten, maar in de achttiende eeuw kan men eigenlijk allen die in het spoor gaan van het puritanisme en de Nadere Reformatie zo aanduiden. Van Vlastuin geeft zelf aan dat hij in zijn doopvisie eigenlijk dichter bij Rome staat dan bij het piëtisme, en wie In Christus gedoopt leest, kan constateren dat dit inderdaad het geval is.

Hoe dan ook heeft, niet alleen bij piëtisten, maar ook bij de puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie (als je die van piëtisten onderscheid), en evenzeer bij Calvijn, het onderscheid tussen toezegging van het heil en delen in het heil een fundamentele plaats. Dat is nu juist een onderscheid waar Van Vlastuin niet van wil weten. Van Vlastuin vertelt dat al jaren geleden het lezen van een preek van Ebenezer Erskine over de woorden: ‘Ik ben de HEERE, uw God’ een keerpunt in zijn leven is geworden. Hij leerde zien dat het startpunt van de relatie tussen God en hem niet in hemzelf lag maar in de belovende God. Ongetwijfeld, moeten wij leren dat het begint met God Die met Zijn Evangelie tot ons komt.

Maar mijn vraag aan Van Vlastuin waarom hij niet aangeeft dat voor Ebenezer Erskine de toezegging ‘Ik ben de HEERE, uw God’ staat in het kader van het feit dat de zondaar die ligt onder de vloek van het werkverbond wordt opgeroepen te vluchten tot de Middelaar van het genadeverbond? (zie https://drpdevries.com/2025/12/18/waarom-spreken-de-gebroeders-erskine-hen-die-nog-niet-door-geloof-met-christus-zijn-verenigd-nooit-aan-op-hun-doop)

Voor Van Vlastuin betekenen deze woorden dat er al een levende relatie met God is. Ook hier en telkens weer in zijn boek komt naar voren dat hij niet wil weten van het onderscheid tussen toezegging en deelachtigmaking dan wel de belofte en de vervulling van de belofte in hen die door een levend geloof in Christus worden ingeplant.

Wie behoort bij Gods kerk en weg dwaalt van God of nog nooit een levende relatie met God heeft gehad, mag en moet worden aangesproken met Jeremia 3:22 ‘Keer weder gij afkerige kinderen’. Wie In Christus gedoopt leest bemerkt dat deze oproep uitsluitend staat in het kader van de dagelijkse bekering. Dat ligt bij de puriteinen en bij de gebroeders Erskine heel anders. Deze denken bij dergelijke oproepen allereerst aan de zondaar die nog niet wedergeboren is en niet met God verzoend en genodigd wordt om Christus te omhelzen.

Alle verbondskinderen, zo zegt Van Vlastuin, staan in een bijzondere relatie met God. Van de notie van inwilligen van het verbond wil hij niet weten, want dan zou God nog op afstand staan en dat is niet zo. God poneert in de doop dat Hij een relatie met ons heeft en dan mogen wij geen onderscheidingen gaan aanbrengen.

Telkens weer brengt Van Vlastuin naar allen toe die gedoopt zijn zonder onderscheid naar voren dat Gods liefde tot hen in de vaste rechtsgrond van het verbond is ingekaderd. Er is wel sprake van tweeërlei kinderen van het verbond maar dan alleen in die zin dat er verbondsbrekers zijn. Als wij gedoopt zijn, is er geen afstand tussen ons en God en moeten we actief iets doen om verloren te gaan, zo stelt hij. De vraag: ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’ moet dus blijkbaar voor hen die gedoopt zijn luiden: ‘Wat moet ik allemaal doen om verloren te gaan?’

In de zienswijze van Van Vlastuin zou antwoord 54 van de Heidelbergse Catechismus op de vraag ‘Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?’ moeten luiden: ‘Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware geloof, van het begin van de wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt en dat wij allen daarvan levende leden zijn tenzij wij het verbond breken.’ Zoals Van Vlastuin de dingen verwoord kun je niet meer kunt belijden dat het onmogelijk is uit de staat van de genade der aanneming en van de rechtvaardigmaking te vallen of je zo ervan uit moeten gaan dat alle gedoopten zalig worden .

Eveneens loopt je zo vast de troost van de volharding der heiligen. Ik gaf in de vorige bijdrage al aan dat Van Vlastuin met de vaste troost en zekerheid ervan niet goed raad weet. Wie het lied ‘Amazing Grace’ kent, weet dat dit voor John Newton, de dichter van dit lied, anders lag.. Hij mocht zeker weten dat God Die hem uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht had geroepen, het goede werk dat God in hem was begonnen, zou voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.

*

Iedere gedoopte bevindt zich volgens Van Vlastuin zonder enig onderscheid in de Christuspositie

Alles wat Van Vlastuin schrijft over geloof en bekering (en dan zegt hij vaak ware dingen) staat wel in het kader van de positie waarin God hen die gedoopt zijn heeft geplaatst en dat is de Christuspositie. In de Christelijke Gereformeerde Kerken kon men vroeger over de gehele breedte van deze kerk een onderscheid maken tussen de Adampositie, Abrahampositie en Christuspositie. Dan werd gesteld dat de Abrahampositie de Adampositie niet opheft. Het feit dat je een kind van het verbond bent doet niets af van de noodzaak van wedergeboorte. De wedergeboorte brengt ons pas in de Christuspositie.

Deze onderscheidingen wil Van Vlastuin niet maken. Over wedergeboorte wil hij uitsluitend in ruimere zin spreken, namelijk de levenslange vernieuwing van de gelovige. Van wedergeboorte in engere zin, namelijk dat de Heilige Geest het hart van een kind des toorns opent en vernieuwd, wil hij niets weten. In zijn optiek is namelijk elke gedoopte in de Christuspositie en is hij niet alleen in Gods verbond begrepen maar deelt hij ook, zolang hij het verbond niet breekt in de genade van het verbond. Onduidelijk blijft trouwens wanneer we van breken van het verbond kunnen spreken en wanneer de oproep aan een gedoopte moet worden gedaan zich van harte te bekeren omdat Gods toorn nog altijd op hem rust.

Totdat in de Christelijke Gereformeerde Kerken zelf zaken gingen verschuiven, waren dit zeer belangrijke punten van gesprek in samensprekingen met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. De visie van Van Vlastuin komt overeen met die van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en dan in een behoorlijk massieve vorm. Dat komt wel heel duidelijk naar voren in de toelichting die hij op zijn boek geeft in een podcast van het ND. Voor een gedoopte blijkt verloren-gaan echt een randmogelijkheid te zijn, zo blijkt in de podcast.

Telkens weer schrijft Van Vlastuin over de doop waar over het geloof of wedergeboorte moet worden gesproken. De doop is het teken van versterking van het geloof en een teken en zegel van de reiniging door Christus’ bloed en wedergeboorte door Zijn Geest. Immers niet door de doop maar door geloof worden wij Christus ingelijfd en dat geloof is een vrucht van de wederbarende werking van Gods Geest. Van Vlastuin kan echter schrijven dat als ons geloof en onze bekering onwaar blijken te zijn, de doop waar is.

Dat laatste klopt, maar dat in de zin dat de doop, tenzij wij ons aan deze zijde van het graf met God laten verzoenen en ons tot Hem bekeren, in de eeuwigheid ons oordeel zal verzwaren zoals dat ook geldt voor het avondmaal. Ook dat is waar ondanks ons ongeloof en onze onbekeerlijkheid maar onze avondmaalsgang zal evenals onze doop op de jongste dag ons oordeel verzwaren als wij niet door het geloof met Christus werden verenigd en niet wisten van droefheid naar God en vreugde in God.

Meer dan eens gebruikt Van Vlastuin het woord ‘huiveren’. Het is waar dat ook een gelovige moet huiveren voor Gods majesteit, zijn eigen nietigheid en blijvende zondigheid in dit leven. Echter als het gaat om de godsdienst van de rijke jongeling en het oordeel van Christus schiet huiveren te kort als er nooit de mogelijkheid is dat wij tot de ontdekking komen: ‘Ik ben nog een vreemdeling van God. Mijn schuld staat nog open. Ik heb geen vrede met God.’

Dan denk ik ook aan de woorden uit de Nederlandse herdichting van ‘Het Wachtwoord der hervormers’: ‘Ik was blind en stond van verre, in mijzelve zo rijk.’ Van Vlastuin haalt een couplet uit dit lied in zijn boek aan, maar ook dan staat het in de context van hen die God reeds waarachtig kennen. Bewust citeer ik nu Kuyper. Die kon schrijven: ‘In gewone tijden komt ge met uw haarfijn beleden geloof nog uit. Maar als de nood aan den man komt, en uw hart wordt bestormd door tegenheden, dan geven al uw begrippen en formuleringen en logische uiteenzettingen niets. Dan komt het aan op het wezenlijke geloof, dat in den kelder van uw hart verborgen ligt. En als dat er dan niet is, dan zijt ge geestelijk bankroet.’ Nergens lees ik bij Van Vlastuin dat hij zijn lezers zo persoonlijk aanspreekt op de realiteit van het geestelijk bankroet zijn die bepaald geen denkbeeldige mogelijkheid is.

*

Een andere kijk op het doopformulier

Telkens weer stelt Van Vlastuin aan de orde dat hij een geheel andere kijk op de dingen heeft gekregen door het doopformulier niet met een moderne bril te lezen waarin het onderscheid tussen objectieve toezegging en subjectieve vervulling zo fundamenteel is. Ik heb in mijn vorige bijdrage al gesteld dat zijn analyse hier op zijn minst zeer eenzijdig is. Wie het dankgebed na de doop leest zonder van dit onderscheid weet te hebben heeft het niet begrepen. Ik zou iedereen willen aanraden juist om deze reden de brochure te lezen van prof. P.J.M. de Bruin (zie https://drpdevries.com/2025/12/08/prof-p-j-m-de-bruin-over-het-doopformulier-2/).

Als ouderlingen en diakenen worden bevestigd, wordt gedankt dat God ons mannen gaf begiftigd met Zijn Geest. Meer dan eens kan worden gevreesd dat dit ondanks dit dankgebed niet het geval is. Uit dit dankgebed mag zeker niet worden geconcludeerd dat er in de kerk geen onbekeerde ouderlingen en diakenen zijn. Evenmin kunnen we uit het dankgebed bij het avondmaal concluderen dat een onbekeerde avondmaalganger een onmogelijke mogelijkheid is. We mogen het dankgebed na de doop niet anders lezen dan genoemde dankgebeden.

Van Vlastuin kan schrijven dat wij met de doop in een nieuwe werkelijkheid zijn geplaatst die groter is dan mijn eigen wereldje. Ik denk ook aan de volgende zin uit zijn boek: ‘Zo breekt in Christus’ doop de nieuwe schepping door en door de doop delen wij erin.’ Van Vlastuin citeert het prachtige lied van Luther Christ unser Herr Zum Jordan kam in de Nederlandse vertaling van herdichting van J.S. Bach. Mijn grote punt is dat de zin uit dit lied ‘Het is Gods Woord en het is Gods Geest Die de zondaren doopt en reinigt’ bij Van Vlastuin niet echt functioneert, omdat hij de doop met water en de doop met Gods Geest laat samen vallen. In de doop, zo stelt hij , worden de stromen van Gods Geest over ons uitgegoten. Ik lees ook: ‘De doop markeert onze opname in de heilswerkelijkheid van Christus. We horen van nu af aan bij Gods koninkrijk.’

Deze zienswijze faalt op twee manieren. Kinderen van christenouders behoren niet vanaf hun doop tot Gods koninkrijk maar al vanaf hun ontvangen. Zij worden gedoopt, omdat zij reeds tot Gods gemeenten behoren en reeds kinderen van het koninkrijk. De doop verzegelt die werkelijkheid en maar bewerkt die niet. Daarom mogen we ook ruim denken over de zaligheid van ongedoopte kinderen.

Van Vlastuin doet met de wijze waarop hij dingen formuleert ook geen recht aan het feit dat de doop het uiterlijke waterbad is. In antwoord 72 van de Heidelbergse Catechismus lezen we dat alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest ons reinigt van alle zonden. Het bloed van Christus en Zijn Geest worden ook aan de kinderen toegezegd, maar ook voor kinderen geldt dat zij alleen in de zegeningen van de doop delen door geloof. Ik val Spurgeon niet in zijn zienswijze dat kinderen nog geen lid zijn van Gods gemeente naar haar zichtbare zijde, maar ik deel ten volle zijn zeer diepe bezwaar tegen de gedachte dat de doop de wedergeboorte bewerkt of, zoals Van Vlastuin het formuleert, in een nieuwe werkelijkheid plaatst. De ernstige waarschuwingen die Spurgeon naar voren bracht in zijn 5 juni 1864 gehouden preek met de titel ‘Baptismal regeneration’ gelden ook zonder enige reserve voor datgene wat Van Vlastuin naar voren brengt in zijn boek In Christus gedoopt.

We mogen nooit ontkennen dat de kinderen reeds op een wijze die met hun bevattingsvermogen overeenkomt, kunnen geloven maar dan is dat een vrucht van de wederbarende werking van Gods Geest en die valt niet samen met de doop en niet alle gedoopten delen daarin. Dat blijkt helaas duidelijk en meer dan eens zelfs overduidelijk bij het opgroeien. Dan is er gelukkig nog altijd een weg terug. Dan denk ik in het bijzonder aan de gelijkenis die wij kennen als de gelijkenis van de verloren zoon. Deze jongste zoon keerde met belijdenis van schuld terug bij zijn vader. Om in de aanwezigheid van zijn vader te mogen zijn was zijn diepste vreugde geworden. God kan aan Zijn verbond gedenken als wij dat niet meer doen en dan gaan wij ervaren dat wij Hem vinden omdat Hij ons eerst heeft gezocht.

Niet minder dan zoals eerder bij zijn jongste broer voelde de oudste zoon uit de gelijkenis zich bij zijn vader niet echt op zijn thuis. Zonder dat zijn vader erbij was had hij met zijn vrienden feest willen vieren. Hij weigerde zelfs naar binnen te gaan om deel te nemen aan de vreugdemaaltijd die aangericht werd omdat zijn jongst broer was teruggekeerd. Dan leert ons de bekering van Paulus dat er zelfs voor een oudste zoon nog hoop is. Altijd geldt dat God Zijn genade bewijst aan zondaren die dat niet hebben verdiend. Van die genade is de doop een teken en zegel.

Voor ouders blijft de doop als teken van Gods verbond een machtige pleitgrond ook als kinderen nog niet hebben geleerd tot Christus te vluchten en voor Hem te leven of zij nu leven als de jongste zoon voor zijn bekering of als zij de gestalte vertonen van de oudste zoon. Zeker is ook dat allen die hun doop hebben leren verstaan mogen betuigen: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden) en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus, opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave.’ (Efeze 2:4-8).

Ik kom terug bij In Christus gedoopt. De opvatting die Van Vlastuin vertolkt, sluit naadloos aan bij die van de oude ethischen. J.H. Gunning jr., de grote voorman van de ethische richting, kon verklaren: ‘De grote waarheid van de doop is deze, dat wij door Gods genade op het nieuwe levensterrein van de wedergeboorte zijn overgezet; dat wij tot Gods kinderen zijn aangenomen, vóór we nog geloven, en niet eerst later dat zullen worden, als wij zullen geloofd hebben. Het geloof is, naar wij ontvouwden, volstrekt nodig opdat de gave Gods haar werkelijkheid in ons heeft, waarlijk ons eigendom wordt; maar of wij geloven of niet, dat is of wij haar aannemen of niet, de gave Gods blijft evenwel van Hem geschonken.’

Al de uitdrukkingen die Van Vlastuin gebruikt, zouden zo uit de pen van John Henry Newman gevloeid kunnen zijn. Zij passen helemaal in een hoogkerkelijk anglicaans klimaat. En dan moeten we weten dat, in ieder geval in de negentiende eeuw, de hoogkerkelijke theologen allesbehalve liberaal en Schriftkritische theologen waren. Het waren bepaald ook geen theologen die de erfzonde of de verzoening door voldoening ontkenden. Men had grote achting voor de kerkvaders en voor een man als Thomas à Kempis, maar van het onderscheid tussen levende en dode leden van de kerk wilde men niet weten. Ook zij wilden, om een uitdrukking uit de gereformeerde gezindte te gebruiken, op hun manier bevindelijk zijn. Echter, hun spreken over geloof en geloofservaring stond altijd in een sacramentalistisch kader en had daarom een heel andere kleur dan die van de puriteinen en hun geestelijke erfgenamen.

Wie iets weet van de anglicaanse bisschop J.C. Ryle weet hoezeer hij tegen de zienswijze dat de doop ons doet delen in Christus heeft gewaarschuwd. Ook de gedoopte moet wedergeboren worden waarbij Ryle weet dat dit al jong kan gebeuren. Maar puur uit de praktijk blijkt dat dit meer de uitzondering dan de regel is. Dat iemand van jongs af aan al droefheid naar God kent, met gevoel van zonde Christus liefheeft, en heimwee heeft naar God, zien we bepaald niet bij elk gedoopt kind dat opgroeit. Graag zou ik Ryle citeren maar dan wordt deze bijdrage te lang.

Ik wijs in het bijzonder op de hoofdstukken ‘Regeneration ’(Wedergeboorte) en ‘Prayer-Book statements about regeneration’ (Uitspraken het Gebedenboek [het Book of Common Prayer van de Church of England] in Knots Untied (Knopen ontbonden), en op‘Thoughts on Baptism’ in Principles for Churchmen (Beginselen voor leden van de (Anglicaanse) Kerk). Uitdrukkelijk noemt Ryle dat wij ons moeten hoeden voor de gedachte dat wij door de doop delen in de genade van de verkiezing, rechtvaardiging, aanneming tot kinderen, wedergeboorte en het ontvangen van de Heilige Geest.

*

Het zaad van geloof en bekering

We mogen weten dat ook kinderen reeds het zaad van het geloof bij zich kunnen dragen. Voor de meeste gereformeerde theologen stond het vast dat wij mogen weten dat God hen die hij jong uit dit leven wegneemt krachtens zijn verbond dit zaad van het geloof heeft geschonken. Bij Brakel vinden we dat heel nadrukkelijk. Als het gaat om kinderen van niet-christenen laat hij het oordeel aan God over.

Zoals volwassenen niet alleen in, maar ook van het verbond zijn, als er sprake is van geloof en bekering, zo geldt voor kleine kinderen dat zij niet alleen in, maar ook van het verbond kunnen zijn, als zij het zaad van geloof en bekering hebben ontvangen. En dan mogen wij bij jong gestorven kinderen het oordeel van de liefde hanteren. Echter, duidelijk moet zijn dat ook jong gestorven kinderen niet zonder wedergeboorte het koninkrijk van God zijn binnengegaan.

Voor baptisten horen kinderen van christenouders niet bij de zichtbare kerk. Zij bevinden zich in het portaal van de zichtbare kerk. Echter, predikers als Charles Haddon Spurgeon en ook William Gadsby meenden wel dat zelfs alle jong gestorven kinderen in het eeuwige verbond tussen de Vader en de Zoon waren begrepen. Dat was trouwens ook de visie van John Newton (anglicaan) en Charles Hodge (presbyteriaan). Opmerkelijk is dat ook Gadsby dit standpunt huldigde. Hij kan namelijk theologisch als een hypercalvinist worden getypeerd. Hij wilde namelijk de uitdrukkingen aanbod en bevel van bekering en geloof niet gebruiken.

De Dordtse Leerregels I, 17 spreken iets voorzichtiger dan Brakel en al helemaal dan Spurgeon en Gadsby. Daar wordt gesteld dat godzalige ouders niet hoeven te twijfelen aan de zaligheid van hun jong gestorven kinderen. De geloofsworsteling ermee wordt zo aangeduid. Hoe dan ook moeten gesprekken over de zaligheid van kleine kinderen ons er nooit van afhouden zelf in te gaan door de enge poort. Laten wij anderen daartoe ook opwekken.

Terecht distantieert Van Vlastuin zich van de opvatting van Kuyper die sprak van een veronderstelde wedergeboorte en meende dat het zaad van geloof en wedergeboorte ook bij het opgroeien lange tijd tot zelfs hoge ouderdom kon blijven sluimeren. Wel mis ik bij Van Vlastuin dat Kuyper voor een aantal van die gedachten kon aansluiten bij Voetius en Witsius. Het verschil is dat het bij hem een geheel uitgewerkt systeem is.

Echter, ook bij Kuyper is de toezegging nog niet de vervulling. We delen niet in de zaligheid zonder wedergeboorte. Met de mannen van de Nadere Reformatie weet Kuyper van de noodzaak van wedergeboorte in engere zin en dat niet elke gedoopte wedergeboren is. Zo kan ook hij anders dan Van Vlastuin, toch recht doen aan het feit dat er tweeërlei verbondskinderen zijn. Deze notie ontbreekt bij Van Vlastuin volledig. Daarom is de afstand tussen Kuyper en de puriteinen en de mannen van de Nadere Reformatie veel kleiner dan de afstand waarop Van Vlastuin zich van deze theologen bevindt.

Bij het opwassen moeten de kinderen blijk gaan geven van het besef van hun zonde en ellende voor God, hun zaligheid in Christus gaan zoeken en de goede keuze leren maken om voor Hem te leven. Dan gaat het om de boodschap van de ene Naam, de twee wegen en de drie stukken. De ene Naam komt bij Van Vlastuin zonder meer aan de orde, maar met de twee wegen ligt het anders. Nergens vinden we de oproep de brede weg te verlaten en de smalle te gaan bewandelen. Dat komt omdat hij uitsluitend vanuit de gelovige over de doop spreekt.

Het boek ademt daarin het klimaat van de jeugd van dhr. M. de Vos, over wie ik schreef in Hoe zalig is het volk. Hij vertelde mij: ‘Je hoorde’, zo zei hij van je ouders, ‘dat je door de doop aan Christus toe behoorde, dat je een kind was van de hemelse Vader en natuurlijk was er een brede weg, maar je ging ervan uit dat je met elkaar op de smalle liep.’

Hij vertelde mij ook dat zijn ouders die behoorden tot de ethische richting in de Hervormde Kerk in levensstijl voorbeeldig waren en aan menig gereformeerde (en daarmee bedoelde De Vos leden van de Gereformeerde Kerken, Christelijke Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Gemeenten en Gereformeerde Bonders, enz.) ten voorbeeld kon worden gesteld, maar nooit spraken zij over de noodzaak van wedergeboorte. ‘Je was Gods kind en daaraan hoefde je niet te twijfelen, want je was gedoopt.’ Het deed hem verdriet dat hij op zijn oude dag als kerkganger in preken van Hervormde Gemeenten van gereformeerde richting steeds meer dezelfde geluiden hoorde die hij als kind uit de mond van ethische voorgangers had gehoord. Gaat de boodschap van het boek van Van Vlastuin doorwerken dan zal dat ook voor Hersteld Hervormde Gemeenten steeds meer gaan gelden.

Als het gaat om de drie stukken, dan komen die in In Christus gedoopt uitsluitend in het kader van de dankbaarheid voor. We kunnen onder andere uit De Grote Catechismus van Ursinus afleiden dat dit een andere lijn is dan de opstellers hebben bedoeld. De drie stukken hebben blijvend een plaats in het stuk van de dankbaarheid, maar dat is niet hun enige plaats. De drie stukken laten ons zien dat een mens van nature verloren ligt. Hij is een kind des toorns. Zaligheid is er alleen in Christus. Daar krijgen we deel aan als wij van ons Adamsbestaan worden afgesneden en door geloof Christus worden ingeplant. Geloof gaat altijd gepaard met bekering. We verlaten de brede weg en gaan de smalle bewandelen.

*

Hoe spreken we over de noodzaak van wedergeboorte en inplanting in Christus?

Terecht stelt Van Vlastuin dat wij de leer van de rechtvaardiging en van de wedergeboorte niet los van de gemeenschap met Christus mogen zien. Echter, in zijn benadering komt de betekenis van deze leerstukken als zodanig niet uit de verf. Nergens lees ik van de rechtvaardiging als persoonlijke vrijspraak want bij Van Vlastuin zijn we wegens ons deelhebben aan Christus door de doop rechtvaardig voor God.

Van Vlastuin wil er niet van weten dat het heil scharniert op een innerlijke, individuele wedergeboorte. Nu, is de wedergeboorte niet het heil zelf, maar zonder wedergeboorte delen wij er niet in. In die zin scharniert het heil nu juist wel om de wedergeboorte. Dat mis ik helemaal in In Christus gedoopt. En dan herhaal ik nogmaals dat als hij al over wedergeboorte spreekt het alleen wedergeboorte in de zin van levenslange heiliging is.

Dit laatste verklaart ook dat hij feitelijk geen raad weet met het feit dat het doopformulier zegt dat wij kinderen des toorn zijn, tenzij opnieuw geboren worden. De opsteller van het formulier (zou dat vanuit didactisch oogpunt doen. En ook is het een gegeven dat de ware gelovige een zondaar blijft. Dat zou dan de reden zijn van de tegenwoordige tijd zijn. Van Vlastuin merkt wel op dat wij door wedergeboorte overgaan tot de positie van kinderen van God, maar naar zijn overtuiging zijn alle gedoopten in die positie. Dat hoeven we bij hem niet zoals bij Kuyper te vooronderstellen en we hoeven niet bevreesd te zijn, zoals Kuyper dat kan stsellen, dat het tegendeel aan deze zijde van het graf zou kunnen blijken. Het is zo.

De tegenwoordige tijd wijst er naar zijn overtuiging op dat wij dagelijks nog te maken hebben met onze oorspronkelijke positie. Dat is ongetwijfeld waar. Zijn hele leven lang moet een christen tegen zichzelf strijden. Maar dat is niet wat het doopformulier hier stelt. Ieder mens – en daaraan doet het ontvangen van de doop, het gebruik van het avondmaal en het bekleden van een ambt niets af – een kind des toorns zolang hij niet wedergeboren. Telkens weer negeert of relativeert Van Vlastuin de realiteit dat óf in de staat van toorn óf van genade zijn. Daarom wordt aan de noodzaak van verandering van staat geen recht gedaan.

Heel merkwaardig is ook dat hij over Gods goede toorn schrijft. Bij Gods kinderen kun je zeggen dat God als een Vader op het vertoornd kan zijn, maar dat geldt niet voor de toorn van Gods die op hen rust die nog niet wedergeboren zijn. Daarover gaat bij hen die kinderen des toorns zijn (vlg. Rom. 1:18; 5:9; Efeze 2:3). Ongetwijfeld vormen als Gods eigenschappen en werkingen een eenheid. Maar nergens in de Bijbel lees ik over Gods goede toorn.

Gods toorn is rechtmatig en in die zin vanuit God gezien goed, maar voor de mens is Gods toorn ontzagwekkend zolang hij niet met God verzoend is. Immers, als dat niet aan deze zijde van het graf gebeur moet hij voor eeuwige onder Gods toorn verzinken. Maar de realiteit dat ook een verbondskind voor eeuwig verloren kan gaan, wordt door Van Vlastuin slechts vanuit de positie van de mens die gelooft en die het dus niet treft verwoord. Nergens roept zijn boek de vraag op: Hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God? Laat staan dat het op die vraag een antwoord geeft.

Van Vlastuin stelt telkens dat de toe-eigening van het heil zich voltrekt in het grotere geheel van de heilige, katholieke kerk. Zo stelt hij: ‘Als we in de kerk geboren worden, worden we geboren in het lichaam dat de wedergeboorte van de hemel en de aarde in zich draagt en dat als zodanig het eerste begin van de nieuwe schepping is.’

Van Vlastuin wil vanuit het grotere geheel naar de enkele persoon denken. Ook hierin gaat hij in de lijn van de oude ethische richting in de Hervormde Kerk. Gunning kon schrijven: ‘Het gemeenschappelijke leven, de gemeenschap des bloeds, was er voordat op grond van dat leven een onderlinge liefde kenbaar werd. Zo is ook de christelijke kerk één huisgezin, en het leven dat de grond van het geloof en van de liefde is, dat leven is geschonken in het Doopverbond. Alle gedoopten behoren tot de christelijke kerk. Eén lichaam is het en één geest.’

Met Van Vlastuin zeg ik dat het niet nodig is het tijdstip van de wedergeboorte aan te wijzen en evenmin mogen we een bepaalde bekeringsweg voorschrijven. Maar als de HEERE ons door Woord en Geest levend maakt merken wij dat wel. Hij heeft weliswaar zonder ons maar ook in ons gewerkt. Door Gods Geest bewogen gaan wij ook zelf werken. Nergens kan ik in de Bijbel lezen dat wij moeten sterven aan ons wedergeboren zijn, zoals Van Vlastuin schrijft. Ik kan deze uitspraak niet verbinden met de woorden van de Zaligmaker: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.’

Als we werkelijk wedergeboren zijn, zijn we geboren uit onvergankelijk zaad. In de wedergeboorte schrijft de Heilige Geest Gods Woord in ons hart. Ons bestaan wordt blijvend vernieuwd. Heel treffend is in dit verband de kanttekening van de Statenvertaling bij de uitdrukking ‘onvergankelijk zaad’ in 1 Petrus 1:23. Deze kanttekening luidt als volgt: ‘Zo wordt het woord van het Evangelie genoemd, omdat het met de onberouwelijke werking van de Heilige Geest gevoegd is, en dat de wedergeboorte, die daardoor in ons teweeg wordt gebracht, onvergankelijk is.’ Als Gods Woord in ons hart geschreven is door Gods Geest, is er een liefde ontstaan tot God en Zijn Woord die nooit meer kan sterven.

*

We mogen wedergeboorte en het leven uit de belovende God niet tegenover elkaar stellen. Alleen een mens die wedergeboren is tot eene levende hoop leeft uit de belovende God

Heel merkwaardig is ook hoe Van Vlastuin het leven uit de wedergeboorte en het leven vanuit de belovende God tegenover elkaar stelt. Het leven uit de wedergeboorte concretiseert hij namelijk als volgt: ‘vanuit mijn bidden, vanuit mijn berouw, mijn Bijbellezen, vanuit mijn serieuze gezindheid enz.’ Echter, op berouw na en dan alleen als het verbonden is met geloof en voortkomt uit een bevatting van Gods barmhartigheid in Christus, zijn dit geen van allen tekenen van wedergeboorte. Het zijn tekenen van godsdienstigheid.

Wie door de verborgen werking van Gods Geest is wedergeboren, weet en voelt dat hij door deze werking met het hart gelooft en zijn Zaligmaker liefheeft (Dordtse Leerregels III/IV, 13). De kenmerken van de wedergeboorte zijn geen andere dan die van onze verkiezing, namelijk het ware geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid naar God die over de zonde is, honger en dorst naar de gerechtigheid enz. (Dordtse Leerregels I, 12).

Dat zijn bepaald geen zaken waaraan wij moeten sterven. Wel moeten wij leren onze kracht niet in ons geloof als zodanig te zoeken maar in Hem in Wie wij geloven en de vruchten van wedergeboorte blijven onvolkomen. Daarom is ons laatste houvast wat Christus voor ons en in onze plaats deed. Had Van Vlastuin het zo verwoord, dan was ik hem hartelijk bijgevallen. Maar met wat ik nu lees, is dat anders.

Dat de uitdrukking vragen om een nieuw hart als een blokkade voor het komen tot Christus kan functioneren, zoals Van Vlastuin stelt, onderschrijf ik. Maar ik mis bij hem dat een mens eenmalig getrokken wordt uit de duisternis tot Gods wonderbare licht. Dan mogen ouders en opvoeders kinderen erop wijzen dat zij Christus als hun Zaligmaker nodig hebben. Daar mogen kinderen ook om vragen. Zij mogen vragen of zij de Zaligmaker lief mogen krijgen en als zij Hem reeds liefhebben nog meer lief mogen krijgen.

Voorbeeldig vind ik dan de wijze waarop John Duncan zijn dochter Maria Dorothea benaderde (zie mijn bijdrage van 13 februari 2026: Het kennen en navolgen van Christus, de doop en het avondmaal) en John Newton zijn nichtje en pleegdochter Betsy Catlett (zie mijn bijdrage 9 mei 2022: De brieven van John Newton aan zijn nichtje en pleegdochter Betsy Catlett’).

Wanneer Van Vlastuin stelt dat de positie ‘eerlijk onbekeerd’ niet te verkiezen is tussen ‘oneerlijk bekeerd’ val ik hem bij, maar we moeten en hoeven ook niet te kiezen tussen elektrische stoel of de kogel, maar tussen zegen en vloek, dood en leven. Toen Augustinus bemerkte dat hij niet kon en wilde kiezen ging hij bidden: ‘Geef mij wat Gij mij beveelt en beveel dan van mij wat gij van mij wilt.’ Zo te gaan bidden durf ik iedereen aan te raden die merkt dat ook hij niet kan en wil kiezen. Dit is ook zeker: als Gods Geest ons levend maakt, kunnen en willen wij niet anders meer dan bij Christus schuilen en voor Hem gaan leven.

Trouwens, ik kan eerlijk zeggen dat ik de uitdrukkingen ‘eerlijk onbekeerd’ en ‘oneerlijk bekeerd’ nooit uit de mond van mijn ouders hebt gehoord. Zij dachten in een andere tegenstelling, namelijk verzoend met God of niet met God verzoend, wedergeboren of niet wedergeboren. Dan was ook in het licht van je doop de vraag of je je rein gewassen wist door Christus’ bloed en wedergeboren tot een levende hoop.

Dit is zeker: dat een levend geloof en waarachtige bekering door Gods Geest in ons worden gewerkt. Zo gaan wij over uit de dood in het leven en komen we van de staat van veroordeling in de staat van genade. Dat geldt ook als wij reeds als kind waren gedoopt. Ik val Charles Wesley niet bij in zijn moeite met de gereformeerde verkiezingsleer, maar helderder dan menigeen die zegt gereformeerd te zijn verwoordde hij het wonder van de verborgen werking van Gods Geest waardoor wij wedergeboren worden. Al miste hij het juiste zicht op de verkiezing. Hij betuigt op heel bevindelijke wijze het werk van de Heilige Geest in de wedergeboorte; iets wat je bij meerderen die op zich gereformeerd zijn in de leer wel eens mist:

No one can truly say
that Jesus is the Lord
unless you take the veil away
and breathe the living word.

*
Then, only then, we feel
our interest in the blood
and cry, with joy unspeakable,
‘You are my Lord, my God!’

*

Hoe moeten we onszelf onderzoeken als we belijdenis willen doen c.q. de kerkenraad willen vragen of we het recht om ten avondmaal te gaan mogen ontvangen en welke criteria moet een kerkenraad daarbij hanteren?

De notie van zelfonderzoek ontbreekt niet geheel in In Christus gedoopt maar staat uitsluitend in het kader van de vraag of wij uit de belofte leven en ook dan wordt deze notie weinig uitgewerkt. Immers, leven uit de belofte betekent ook dat ik met de wereld heb leren breken en hemelsgezind ben en al kunnen anderen niet over mijn hart oordelen, zij kunnen wel zien of ik godzalig wandel of niet. In In Christus gedoopt heeft het zelfonderzoek nooit betrekking op de vraag: Ben ik in Christus ingeplant, want als gedoopte ben ik in Christus. Echter, dat is nu juist de grote vraag. Want wie gedoopt is met water, is daarmee nog niet gedoopt met de Heilige Geest.

Ongetwijfeld moeten we als het gaat om anderen het oordeel van de liefde hanteren. Wij oordelen niet over het hart, maar over leer/opvattingen en leven. Meer dan eens ben ik geschrokken van opvattingen die gemeenteleden huldigen en moest hen daarom indringend oproepen tot bekering. Als het gaat om levenswandel noem ik dat het ook mensen buiten de kerk opvalt hoe sensueel veel meisjes die reformatorische middelbare scholen bezoeken gekleed gaan. Ik zal de woorden die een gepensioneerde arbeider die de kerk nooit van binnen had gezien en vlakbij een reformatorische middelbare school woonde niet gebruiken, want dat vrees ik dat mijn mailbox van reacties zou overlopen. Maar laat ik dit zeggen: de man verwoordde het heel onverbloemd.

In een trouwdienst belooft een bruid dat zij aan anderen een goed voorbeeld van zedigheid zal geven maar zij laat met haar trouwjurk al zien dat zij dat niet van plan is en dat zij Christus nog niet kent en liefheeft. Dan ga ik nog voorbij aan het feit dat een kerkenraad die dit tolereert eenmaal voor Gods rechterstoel moet verantwoorden hoe zij dit kon doen. Dat geldt ook voor vaders en moeders die hun dochters daarop niet aanspreken.

Zij hadden hen er toch op moeten wijzen dat zij of zich moeten bekeren of met zo’n keuze niet Gods zegen over hun huwelijk kunnen vragen. Dit is maar één aspect van levensstijl dat voor een kerkenraad al helemaal een verhindering moet zijn om iemand belijdenis te laten doen en daarmee het kerkelijk recht te geven om ten avondmaal te gaan.

De levensstijl van meerderen laat – nog afgezien van opvattingen die worden gehuldigd – zien dat men zijn doop nog helemaal niet verstaat en dat helaas nog altijd ontheiligt. Gelukkig zijn er nog altijd jonge mensen die de goede keuze hebben leren maken en die de Heere vrezen en hartelijk lief hebben gekregen; jonge mensen aan wie bemerkt en gezien mag worden dat zij de betekenis van hun doop kennen.

Als ik In Christus gedoopt lees met het oog op de bovengenoemde vragen, krijg ik het gevoel dat Van Vlastuin de werkelijke wereld niet kent. Is hij met deze zaken, zo niet in eigen gezin, dan toch in de gemeenten die hij diende, nooit geconfronteerd? Geldt dit voor zijn gezin, dan is hij daarin een bevoorrecht mens, ook al is er meer maar toch zeker niet minder nodig. In meerdere gezinnen en in vrijwel elke gemeente die ik ken ligt het echt anders.

Soms deert het ouders niet. In het ene geval gaat men ervan uit dat kinderen toch nog onbekeerd zijn en in het andere geval meent men dat de kinderen, omdat zij gedoopt zijn, toch kinderen van God zijn. Dan moet je vrezen dat ook ouders Christus nog niet kennen en liefhebben. Dan zijn die kinderen bevoorrecht die ouders hebben die hen in liefde tot de goede keuze aansporen. Met dit alles ik bedoel niet dat wij met een rijke-jongelingsgodsdienst God kunnen ontmoeten.

We moeten onszelf onderzoeken en mogen elkaar eerlijk vragen of Christus ons alles is geworden en wij weten dat wij met onze beste werken God niet kunnen ontmoeten. Daarin schiet In Christus gedoopt ernstig tekort en geeft het kerkenraden geen handvatten als zij de vraag moeten beantwoorden of iemand zijn doop heeft leren verstaan en daarom belijdenis mag doen.

*

Een aantal overwegingen en aansporingen

Ik kom aan het einde van mijn analyse van het boek van Van Vlastuin. Voor hem is deze analyse niet nieuw. Tijdens de periode dat wij samen aan het Hersteld Hervormd Seminarie werkten, werd meer en meer duidelijk dat wij heel verschillende lijnen trokken. Dat kwam ook in het docentenberaad meer dan eens naar voren. Dan reageerde ik op publicaties van mijn collega die iedereen had kunnen lezen of uitspraken in de media waarvan iedereen kennis had kunnen nemen. Hier verwoord ik nu het een en ander wat voorzichtiger dan ik in besloten kring heb gedaan. Ik denk ook aan twee gesprekken die gevoerd zijn met de COV van de Hersteld Hervormde Kerk. Ik heb ook geen behoefte mij sterker uit te drukken dan ik nu doe.

De kritiek op mijn oud-collega heeft parallellen met de kritiek die in hervormd-gereformeerde kring door I. Kievit op J.G. Woelderink werd uitgeoefend. Dat mijn kritiek op mijn oud-collega indringender is dan die van Kievit op Woelderink heeft te maken met het feit dat Van Vlastuin veel hoogkerkelijker en sacramentalistischer denkt en spreekt dan Woelderink en daarom zijn doopvisie nog veel massiever is. Klassiek gereformeerde is dat de doop de weldaden van het genadeverbond verzegelt die hen die gedoopt worden reeds toebehoren, omdat er sprake is van een geloof en omdat het geloof als zaad reeds bij kinderen aanwezig kan zijn.

Hoe dan ook kan de doop die aan een kind bedient is, niet minder dan bij een volwassen alleen tot zegen zijn als er bij opgroeien mag blijken dat er sprake van berouw over de zonde, van geloof en bekering. Van Vlastuin kan echter zeggen dat de doop als zodanig in een nieuwe werkelijkheid plaatst. Dat is het geluid van sacramentalistische vormen van christendom waarin de noodzaak van persoonlijk ewedergeboorte wordt ontkend, omdat doop en wedergeboorte samenvallen

Meerdere overeenkomsten zijn er ook tussen de kritiek die vele jaren vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken richting de Gereformeerde erken Vrijgemaakt is uitgeoefend. aan de vragen die aan Van Vlastuin kunnen worden gesteld. Naast de verbondsleer en kerkleer van de ethische richting past de visie van Van Vlastuin het best bij die van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt die inmiddels zijn opgegaan in de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Zij sluit er eigenlijk naadloos bij aan. Overeenkomst is dat de notie van tweeërlei kinderen van het verbond geen plaats is. Wel houdt men de mogelijkheid op dat zij in volle zin verbondskind zijn, het verbond verbreken. Maar degenen van dat geldt in de preek moet worden aangesproken wordt niet duidelijk en al helemaal niet dat zij moeten worden opgeroepen de toekomende toorn te ontvlieden en tot Christus te gaan om voor het eerst werkelijk in de weldaden van het verbond te gaan delen.

Dat bevreemdt niet als wij bedenken dat Van Vlastuin in 2024 in een podcast van het ND aangaf dat helaas de samensprekingen tussen de Hersteld Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, die niet lang na 2004 plaatsvonden, geen vervolg kregen. Hij gebruikte het woord ‘vreselijk’ om aan te geven hoe erg hij het vond dat het niet tot kerkelijke eenheid was gekomen. Wie In Christus gedoopt heeft gelezen, kan deze uitspraak helemaal plaatsen. Hij zal ook beter gaan begrijpen waarom Van Vlastuin weinig moeite heeft om publiek van zijn geestelijke verbondenheid met midden-orthodoxe theologen te spreken. Ongeloof en onbekeerlijkheid zijn immers voor gedoopten onmogelijke mogelijkheden.

Zonder een laatste oordeel over mensen persoonlijk te vellen (dat komt alleen aan God toe), moet ik eerlijk zeggen dat mijn geestelijke verbondenheid in heel andere richtingen gaat. Binnen de gereformeerde gezindte voel ik mij buiten hervormde kring het meest verwant aan hen die qua instelling en geestelijk houding vergeleken kunnen worden met wat ds. W.L. Tukker de oudchristelijk-gereformeerden noemde.

In de wereldkerk denk ik naast presbyterianen zoals John Duncan en Archibald Alexander aan anglicanen zoals John Newton en J.C. Ryle (een van mijn oude schoolvrienden en de oudste broer van mijn inmiddels overleden zwager kerkte in Canada in een anglicaanse gemeente van dat karakter) ook aan baptisten zoals John Bunyan, Charles Haddon Spurgeon en om dichter in het heden te komen aan mensen als Albert Mohler, John MacArthur en Ben Ramsbottom.

In tegenstelling tot deze baptisten geloof ik dat ook kinderen van christenouders niet alleen bij de onzichtbare kerk kunnen behoren maar dat zij hoe dan ook bij de zichtbare kerk behoren en daarom gedoopt moeten worden. Met hen ben ik er echter van overtuigd dat wij pas een ware christen worden als wij gehoor geven aan Christus’ roepstem: ‘Kom herwaarts tot Mij, gij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’

Voor mij is het ongedoopt laten van kinderen van gelovige ouders bepaald geen middelmatige zaak, maar daarboven uit gaat toch de band met hen die weten van de boodschap dat God vijanden met Zichzelf verzoend en doden medelevend maakt met Christus. Met hen die er niet van willen weten dat je in de kerk, en niet van de kerk, kunt zijn, voel ik een zeer, zeer grote geestelijke afstand.

Ik zou degenen die het boek van Van Vlastuin hebben gelezen ook willen aanraden naast de traktaten die ik al van Ryle noemde, ook zijn boek Warnings to the Churches waarvan een Nederlandse vertaling beschikbaar is, te lezen. Ik denk ook aan de catechismusverklaring van Kohlbrugge die wij kennen onder de naam De eenvoudige Heidelberger.

Ik kan niet laten een sprekende passage uit dit werk te citeren: ‘Dus kom ik tot u, mijn kind, tot u, volwas­sene, met de vraag: „Welke is uw enige troost, beide in leven en sterven?” Het Evangelie sluit hier niet één uit. De vraag komt tot een, tot twee, tot vier, tot duizend, tot een gehele Gemeente, tot een hele stad, tot een geheel land. „Maar die hebben het toch niet allen!”

Nee, niet één heeft het van zichzelf. Maar de vraag moet hun gedaan worden. Hij, die in de Catechismus deze vraag stelt, is iemand, die weet, in wie hij gelooft, iemand, die weet, dat zijn erfdeel bij God voor hem weggelegd en bewaard wordt tot op de Jongste dag. Maar als hij met de vraag komt, richt hij haar in het algemeen tot allen zonder onderscheid.

„Ja”, zegt u, „maar daarom heeft men de troost nog niet!” Nee, maar de vraag komt juist daarom, opdat de mens tot zichzelf inkere en wel overwege: „Wat vraagt die man daar? Hij spreekt van troost; – wat is dat? Hij spreekt van troost, beide in leven en sterven. Hij vraagt mij: welke is uw troost? Hij vraagt: Welke is uw enige troost?” De zon heeft geschenen, de regen is gevallen; – waar de vraag werkt, daar werkt zij. De vraag komt echter niet zo, dat zij zegt: dat gaat ú wel aan, maar ú niet! Maar zij komt, zoals de ware Gereformeerde leer altijd komt, met de genade. En nu een vraag: wie kan zich bij aanvang of voortgang, met deze vraag voor ogen, op zijn leven be­roemen? De vraag zelf zal bekeren.’

Mijn bede is dat in deze geest en lijn het Woord verkondigd wordt in plaatselijke gemeenten of het gemeenten van de Hersteld Hervormd Kerk betreft, de Protestantse Kerk in Nederland, de christelijke Gereformeerde Kerken, de Nederlands Gereformeerde Kerken, (Oud) Gereformeerde Gemeente (in Ned) en ook gemeenten buiten de gereformeerde gezindte in strikte zin. Dat die prediking er blijft waar zij zo klinkt en dat zij terugkomt waar zij zo heeft geklonken dat zij zo gaat klinken waar zij tot dusver niet zo klonk. De prediking van de ene Naam tot zaligheid, van de noodzaak de brede weg te verlaten en de smalle te gaan bewandelen en van het feit dat wij vanuit onze nood om genade gaan roepen en als wij verlossing vinden in Christus maar één wens hebben en dat is om voor Hem te leven.

Mijn bezwaar tegen In Christus gedoopt kan ik ten slotte het beste zo weergeven dat ik daarin mis wat ik een heel bekend lied wordt verwoord. Mijn diepe wens dat iedereen die deze bijdrage leest dit lied niet alleen met de mond maar ook met het hart leert zingen. Gezien wat ik tot dusver schreef hoef ik dat niet verder toe te lichten:

Amazing grace how sweet the sound,

That saved a wretch like me;

I once was lost, but now am found;

Was blind, but now I see.

*

’Twas grace that taught my heart to fear,

And grace my fears relieved;

How precious did that grace appear

The hour I first believed!

*

Through many dangers, toils, and snares,

I have already come;

’Tis grace has brought me safe thus far,

And grace will lead me home.

*

The Lord has promised good to me,

His Word my hope secures;

He will my shield and portion be,

As long as life endures

*

Yes, when this flesh and heart shall fail,

And mortal life shall cease,

I shall possess, within the veil,

A life of joy and peace.

*

The earth shall soon dissolve like snow,

The sun forbear to shine:

But God, who called me here below,

Will be for ever mine.

N.a.v. Dr. W. van Vlastuin, In Christus gedoopt. Ons doopformulier voor hart en hoofd (Apeldoorn: De Banier, 2025), hardcover 432 pp., €34,95 (ISBN 9789402912302)

Plaats een reactie