Meerderen vragen mij of ik nog wil ingaan op de zienswijze van Zacharias Ursinus op de doop. Hij is één van de theologen van de Palts wiens theologie doorklinkt in het doopformulier. Ik hoop dat te zijner tijd te doen, maar dat kan best enige tijd duren. Nu een paar dingen. Van belang is te beseffen dat niet het deelgenootschap van de sacramenten maar een levend geloof dat blijkt in het voortbrengen van vruchten ons doet delen in Christus. De sacramenten verzegelen het Evangelie en zijn bedoeld het geloof te versterken. Wij dopen kinderen van christenouders omdat zij reeds tot Gods gemeente behoren.
Het is niet zo dat zij pas bij de doop in Gods gemeente worden opgenomen. Dit stelt Van Vlastuin feitelijk in zijn boek In Christus gedoopt als hij betoogt dat wij door de doop in een nieuwe werkelijkheid worden geplaatst. Daarmee wordt enerzijds geen recht gedaan aan het onderscheid tussen toezegging en deelachtigmaking en anderszijds geen plaats gegeven dat de Heere met Zijn belofte al vanaf de ontvangenis tot een kind van christenouders is gekomen. Zijn zienswijze doet ook geen recht of op zijn minst niet echt recht aan de zo voor de gereformeerde kerkleer zo fundamentele notie dat de kerk niet alleen levende maar ook dode leden bevat.
Alleen de levende leden van Gods kerk hebben deel aan wat hen in de doop en trouwens ook in het avondmaal is of wordt verzegeld. Dan geldt ook voor het feit dat zij eenmaal onbevlekt en onberispelijk onder de gemeente van Gods uitverkorenen worden gesteld. Voor wie zijn doop en daarmee ook het onveranderlijke karakter van Gods genadeverbond mag verstaan, betuigt en verzekert de doop hem ook dat niets en niemand hem van Gods liefde kan scheiden. Ook het avondmaal bevestigt ons zo in de wetenschap dat tot dit onveranderlijke verbond van genade behoren.
Ursinus schrijft in zijn Grote Catechismus dat kinderen naar de aard en mate van hun leeftijd door de Geest van Christus geheiligd worden. Ook kinderen kunnen reeds het geloof als zaad hebben, en groeien zij op, dan kunnen zij daar op de wijze van een kind blijk van geven. Over zuigelingen die sterven mogen wij heel ruim denken. Dat deden trouwens ook baptisten zoals William Gadsby en Charles Haddon Spurgeon. Zij gaan ervan uit dat alle kinderen die jong sterven opgenomen waren in het eeuwige verbond van de Vader en de Zoon. Daarin gaan zij nog verder dan menigeen die ervan overtuigd is dat kinderen van christenouders gedoopt mogen worden. Als wij daarvan wel overtuigd zijn, zullen wij positief over de zaligheid van jong gestorven kinderen denken, omdat wij geloven dat de toezegging van Godswege verbonden was met het zaad van het geloof in het kind. In de lijn van Augustinus wil ik bij kinderen die voor de puberteit overlijden ook zo breed mogelijk het oordeel van de liefde hanteren.
Verheugend is als kinderen al jong kennelijk kenmerken vertonen van genade. De taak van ouders is kinderen te wijzen op Christus. Te vertellen dat zij Hem nodig hebben, dat zij welkom zijn bij Hem en te vertellen wat het betekent Hem te kennen en lief te hebben. Dan mogen kinderen gewezen worden op het grote voorrecht dat zij van de ene Naam tot zaligheid horen. Helaas blijkt vanaf de puberteit dat lang niet allen die als kind gedoopt zijn de kenmerken van Gods kinderen vertonen. We moeten dan niet met Abraham Kuyper menen dat het zaad van de wedergeboorte noch kan sluimeren. Dan geldt wat Calvijn betoogt: kinderen zijn gedoopt met het oog op hun toekomstig geloof en toekomstige bekering en daartoe moeten zij worden opgeroepen door ouders en ambtsdragers. Trouwens, elke christen heeft een taak naar andere christenen. In niemand van ons mag een boos en ongelovig hart zijn om af te wijken van de levende God.
Het dankgebed van het doopformulier moeten wij niet los maken van de notie van tweeërlei kinderen van het verbond. Wij kunnen in de kerk en toch niet van de kerk zijn. Ursinus wist, zo blijkt uit zijn Grote Catechismus, dat dit helaas niet van een enkeling maar van velen geldt. Ik kan eraan toevoegen dat niet elke gemeente lijkt op die van Philadelphia, al lijken meerdere predikanten er wel heel voetstoots vanuit te gaan dat dit bij de gemeente die zij dienen wel het geval is.
We moeten de dankgebeden in het avondmaalsformulier en de dankgebeden bij de formulieren voor de bevestiging van predikanten, ouderlingen en diakenen niet zo lezen dat zij die ten avondmaal gaan kinderen van God zijn omdat dit dankgebed over hen is uitgesproken of dat ambtsdragers kinderen van God zijn en de kenmerken van in Gods gunst geroepen ambtsdragers vertonen vanwege het in hun bevestigingsdienst uitgesproken dankgebed. Er zijn ook onbekeerde avondmaalgangers en ambtsdragers en de kerkgeschiedenis geeft voorbeelden dat mensen al vele jaren ten avondmaal gingen, toen zij zich pas gingen realiseren dat zij Christus niet werkelijk kenden en tot inkeer kwamen. Ook meerdere predikanten kwamen pas in hun bediening tot bekering.
Het zou niet best zijn als ik het feit dat ik niet alleen predikant maar ook een waren christen ben door te gaan verwijzen naar het gebed uit het formulier dat bij mijn bevestiging is uitgesproken. Zo is het eveneens verdrietig als iemand die als kind gedoopt is, meent een ware christen te zijn vanwege het bij zijn of haar doop uitgesproken dankgebed.
Ouders die hun kinderen hebben verteld dat zij ware christenen zijn vanwege hun doop en het daarbij uitgesproken dankgebed, laten daarmee zien dat zij bepaald niet het middel willen zijn om hun kinderen echt de betekenis van hun doop te laten verstaan. Als hun kinderen werkelijk deel hebben gekregen aan wat in de doop aan hen wat verzegeld is , dan is dat in zo’n geval ondanks wat hun ouders hun vertelden. Immers, het gaat erom dat bij hen die als kind gedoopt zijn, zichtbaar wordt dat zij Christus aanhangen met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.
Deze woorden klonken in het gebed vóór de doop. Het gebed bij de doop uitgesproken hoort het dagelijkse gebed van ouders voor kinderen te zijn. Als ouders dat niet bij hun kinderen zien, moeten zij toch hun kinderen liefdevol en ernstig vermanen. Zoals het heel verdrietig is als het avondmaal wordt verontreinigd omdat er mensen aan deelnemen die geen weet hebben van een levend geloof en van waarachtige bekering, is dit evenzeer verdrietig als dit geldt voor hen die gedoopt zijn. Dan blijft voor ouders de doop die tegen kinderen begint te getuigen, als pleitgrond over. Dan mag toch de bede zijn of God aan Zijn verbond wil gedenken, ook al doen onze kinderen of kleinkinderen het niet.
De kerk bevat in haar uiterlijke gestalte helaas in al haar geledingen niet alleen koren maar ook kaf. Daarmee moet gerekend worden. Daarom behoort er in elke preek ook een woord te zijn voor hen die niet werkelijk geloven en zich nog niet van harte hebben bekeerd (en helaas blijkt dat laatste meer dan eens in levensstijl overduidelijk). Dit is zeker dat wij alleen door geloof in de zegen van onze doop gaan delen. Ontbreekt dat geloof en brengen we geen vruchten voort dan ontheiligen we onze doop als teken van het ambt aller gelovigen. Dat ambt kunnen wij niet neerleggen.
Wij kunnen onze doop niet ongedaan maken. Daarom geldt: ‘Heden zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet.’ (Psalm 95:7-8) Zelf moeten we dagelijks strijden om straks de poort van het nieuwe Jeruzalem te mogen binnengaan. Zijn we er nog niet mee begonnen, laten we het dan nu doen. Weten we niet hoe het moet of merken we dat wij er geen zin hebben, laten we dan zoals Augustinus dat deed vragen of God ons geeft wat Hij ons beveelt. Zijn we er wel mee begonnen laat dan onze dagelijkse bede zijn: ‘Zend Uw licht en Uw waarheid dat die mij leiden’. Dan mag de doop een pleitgrond zijn of God ons vast wil houden en Zijn werk in ons voortzet en voltooid. Met Hem komen we nooit beschaamd uit.
Zelf heb ik een boekje over de doop geschreven dat antwoorden geeft op meerdere vragen die mij hebben bereikt. De titel is: Het paspoort van het koninkrijk. Over de betekenis van de Heilige Doop, tweede herziene en uitgebreide druk (Houten: Den Hertog, 2025), paperback 96 pp., €12,50 (ISBN 9789033127199)
Ik wijs ook op het hoofdstuk ‘Prayer Book Statements about Regeneration’ in het boek Knots Untied van de anglicaanse bisschop J.C. Ryle. Ryle ontkracht daar de zienswijze dat uit het dankgebed van het formulier voor het dopen van kleine kinderen in het Book of Common Prayer kan worden afgeleid dat alle gedoopte kinderen niet langer als kinderen des toorns mogen worden gezien omdat zij allen in de staat van genade zouden zijn overgegaan. Hij wijst erop dat wij bij alle formulieren én moeten begrijpen dat zij spreken vanuit het oordeel van de liefde én dat eronder de gebruikte formuleringen de wetenschap ligt dat de kerk niet alleen levende maar ook dode leden bevat. Bij het opgroeien van gedoopte kinderen zal moeten blijken of het oordeel van de liefde juist en zij inderdaad levende leden van Gods kerk blijken te zijn. Als zij bij het opgroeien niet de kenmerken van Gods kinderen vertonen zijn zij nog altijd kinderen des toorns. Ryle verwijst in voetnoten naar uitspraken van zeventiende-eeuwse Engelse bisschoppen die het doopsformulier uit het Book of Common Prayer ook zo lazen. Dat de kerk niet alleen levende maar ook dode leden bevat behoort bij de kern van de kerkleer van de Reformatie, zo stelt hij terecht.