Hoe gaat een christen om met geld en goed? Is dat een bijkomende zaak of een kernzaak?

Pelgrimschap en matigheid

Als wij het over het christelijk geloof hebben, wat zijn dan kernzaken, wat middelmatige zaken en wat bijkomende zaken? Nu zal iedereen hopelijk met mij instemmen dat wie een christen wordt, ook een reiziger wordt naar een beter vaderland. Hij wordt een pelgrim. Zo spreekt de Schrift over de aartsvaders Abraham, Izak en Jacob. De grote kerkvader Augustinus heeft het christenleven als een pelgrimsleven getekend. Ik denk niet in de laatste plaats aan zijn magnus opus De Civitate Dei (De stad van God). John Bunyan werd bekend door zijn boek De Christenreis. De oorspronkelijke titel is echter The Pilgrim’s Progress en dat betekent zowel de reis als de vorderingen van een pelgrim. We moeten toenemen in godzaligheid en ervoor waken al te zeer op te gaan in op zich geoorloofde genoegens.

Niet voor niets schreef Paulus aan Titus: ‘Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus; Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.’ (Titus 2:11-14)

Geldgierigheid is een wortel van alle kwaad (1 Tim. 6:10). Daarom moet onze wandel zonder geldgierigheid zijn. Immers God Zelf heeft al de Zijnen beloofd dat Hij hen niet zal loslaten en verlaten. Luther was heel vrijgevig. Zo vrijgevig dat zijn vrouw bepaalde zaken zelf onder haar beheer hield, omdat zij wist dat haar man die anders zou weggeven.

Zag Luther iemand van wie hij dacht dat hij financieel in nood was – en dan was hij feitelijk wat goedgelovig – dan kon hij zeggen: ‘Daalder laat ons zien of jij mijn meester bent of ik de jouwe?’ Dan gaf hij hem vervolgens weg. We kunnen beter, zo wist Luther ten onrechte aan iemand wat geven dat hij feitelijk niet nodig heeft, dan dat het omgekeerde het geval is.

Nu hoeft rijkdom op zich ons niet uit de hemel te houden. Ook de aartsvaders waren rijk en wij hoeven aan hun zaligheid niet te twijfelen. Als het goed is, zien we er naar uit om met hen aan te zitten in het koninkrijk van God en met hen het Lam te prijzen dat ons heeft vrijgekocht met Zijn bloed.

Dat neemt niet weg dat er maar weinig rijken in de hemel komen, al komen er gelukkig wel enkele. In het Engels kan je dan de zinspeling maken van ‘not many who are rich’ en ‘not any who are rich’. Rijkdom is een geweldige verleiding. De Heere Jezus vertelde niet voor niets de gelijkenis van de rijke dwaas en van de rijke man en Lazarus.

Zeker is ook dat materialisme een groot kwaad is. Er zijn genietingen die onverenigbaar zijn met het christelijk geloof, maar er is ook het gevaar dat we al te zeer genieten van op zich geoorloofde zaken. Calvijn benadrukte dan dat een christen met mate mag, maar ook hoort te genieten.

Heel lang hebben de leden van de gereformeerde gezindte bekendgestaan als de ‘kleine luiden’. Matigheid en soberheid was kenmerkend voor hun levensstijl. Inmiddels zijn de leden van de gereformeerde gezindte gemiddeld rijker dan de meeste Nederlanders, en sommigen behoren zelfs tot de zeer rijken. Ik moet in alle eerlijkheid constateren dat dit de gereformeerde gezindte gemiddeld geen goed heeft gedaan.

*

Matigheid en vrijgevigheid

Matigheid en vrijgevigheid behoren een christen te typeren. Als we geld gaan overhouden en meer inkomen hebben dan nodig is voor ons eigen levensonderhoud, dan behoren we te beseffen dat wij de plicht hebben met ons geld onze naaste goed te doen. De Bijbel noemt dat wij vrienden moeten maken uit de onrechtvaardige mammon (Luk. 16:9). Van belang is wel hier gewetensvrijheid te betrachten en jezelf niet als de norm te zien. Zeker in vergelijking met hen die meer verdienen dan wij of meer vermogen hebben zijn we al gauw matig. Maar geldt dat ook als wij onszelf vergelijken met iemand die in gelijke omstandigheden als wij verkeert of met iemand die met minder moet rondkomen?

Calvijn had er al weet van dat matigheid niet voor ieder hetzelfde kan worden ingevuld. De ene christen bekleedt namelijk een andere tot heel andere positie dan zijn medechristen. Laat ik concreet zijn. Ik zal het een president-directeur van een multinational niet kwalijk nemen als hij in een auto van anderhalve ton of wel twee ton rijdt. Daarmee zeg ik nog niet dat hij dit zou moeten doen. Echter als ik met een auto die een ton of nog meer heeft gekost, arriveer om te komen preken, kan ik heel goed begrijpen dat mensen vraagtekens zetten bij mijn roeping tot het ambt van predikant en mijn genadestaat. Ik meen ook dat zij er dan alle reden toe hebben. Als van elke christen matigheid, rechtvaardigheid en godzaligheid wordt verwacht, moeten ambtsdragers en zeker predikanten die immers voor hun werk door de gemeente worden betaald, een voorbeeld zijn.

*

Twee voorbeelden

Ik denk in dit verband aan het boekje van de achttiende-eeuwse predikant Philip Doddridge The Rise and Progress of Religion in the Soul (Het ontstaan en de voortgang van religie in de ziel). Het ontwerp ervan was gemaakt door Isaac Watts, de grote Engelse gezangendichter en een vriend van Doddridge. Op diens verzoek heeft Doddridge het tot een boek uitgewerkt na de dood van Watts. De titel van het boek biedt wat zij belooft. Doddridge maakt duidelijk hoe God onbekeerden wakker schudt, tot inkeer brengt en aan Christus verbindt.

Na het ontstaan van geestelijk leven komt de voortgang ervan aan de orde en dat loopt uit op het omgaan met geld en goed. Wie leest wat hij toen schreef, moet zich realiseren dat de eerste doelgroep van Doddridge toch een wat bemiddelder publiek lijkt te zijn en dat de belastingdruk in de achttiende eeuw in Engeland vele malen lager was dan nu bij ons. Maar dan nog.

Als het gaat om hoeveel je van je inkomen moet weggeven, noemt hij, als je je dat kunt veroorloven vijftig tot zeventig procent, om vervolgens te stellen dat hij kan begrijpen dat er mensen zijn die helaas niet verder kunnen komen dan tien procent. Hij acht het niet verkeerd dat je wat spaart voor je kinderen, maar vraagt zich af of het wel verstandig is je kinderen een heel groot vermogen na te laten.

Dan is het goed om te weten dat het lezen van The Rise and Progress of Religion in the Soul het middel was voor de bekering van William Wilberforce (1759-1833), de Britse parlementariër die bekend is geworden om zijn strijd tegen de slavenhandel en om vervolgens de slavernij in het Britse rijk afgeschaft te krijgen.

Van zijn kinderloze oom William erfde Wilberforce die daarvoor al vermogend was, zowel een prachtig huis in de St. James’s Place in Londen als het Lauriston House in Wimbledon, toen een dorpje niet ver van Londen. Als jong parlementariër trok hij zich graag terug in Lauriston House. Op dit landgoed kwam ook William Pitt jr. (1759-1806), die van 1783 tot 1800 en daarna van 1804 tot zijn dood in 1806 eerste minister was, evenals Wilberforce graag als hij wat tot rust wilde komen. Na zijn bekering ging het Wilberforce steeds meer bezwaren dat hij een landgoed bewoonde waarvan voor de kosten van het personeel en het onderhoud ervan wel een heel dorp een jaar lang van voedsel kon worden voorzien. Daarom deed hij het van de hand. Hij kon het bezit en de kosten van het daarbij behorende onderhoud niet met zijn geweten verantwoorden en gaf het geld dat hij daarmee overhield aan filantropische doelen. Een veelzeggend voorbeeld van omgang met geld en goed.

Ik noem ook de Britse ondernemer John Laing (1879-1978). Onder zijn leiding groeide de bouwonderneming die al een aantal generaties in het bezit was van zijn familie tot een internationale onderneming. Toen hij na zijn werkzame arbeid een woning liet bouwen, meende men dat die voor zijn chauffeur was, maar het huis was voor hemzelf.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw werd Laing gevraagd of hij sponsor wilde zijn van de campagne die Billy Graham in het Verenigd Koninkrijk ging houden. Nu weet ik dat Graham geen man is van gereformeerde beginselen, al stelt hij inmiddels menigeen in de gereformeerde gezindte beschaamd als het gaat om het heilig houden van het huwelijk.

Maar goed is het volgende te weten. Voor Laing bevestigend antwoordde, had hij gevraagd of Graham in een viersterren- of driesterrenhotel verbleef. Ik zeg er wel bij dat er toen nog geen vijfsterrenhotels waren. Het bleek een driesterrenhotel te zijn. Daarom werd het antwoord van Laing positief. Was het een viersterrenhotel geweest, dan was het negatief geweest.

Plaats een reactie