Bewaar het pand u toevertrouwd door de kracht van de Heilige Geest Die in u is (1)

Hebben we nog wel zicht op het verschil tussen essentiële zaken, middelmatige zaken en puur cultuurgebonden zaken?

Dat er niet alleen maatschappelijk maar ook kerkelijk veel in beweging is hoeft voor niemand betoog. Ik zou geen enkele kerkelijke kring weten waar dit niet merkbaar is. Zeker als wij ons niet beperken tot wat predikanten voorstaan en verkondigen, maar ook de gewone kerkganger die geen ambtsdrager is erbij betrekken. Het is een grote troost te weten dat Christus Zijn Kerk in stand houdt en dat een tijd zo donker niet kan zijn of God kan erin worden gediend. Dat mogen we een jonge generatie voorhouden en dan mogen ouderen wel vragen of zij daarin voor jonge mensen een identificatiefiguur mogen zijn.

Pas vroeg een cursist van een van de cursussen die ik verzorg voor de stichting ‘Godsvrucht en wetenschap’: wat moeten wij nu eigenlijk geloven? De een vindt dit belangrijk en de ander dat. De een zegt dat het zus is en de ander zo. Daarnaast werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt toen ik na afloop van een bezinningsdag van de Gomarus Scholengemeenschap, waarop ik een workshop over het vertalen van de Bijbel had gegeven, een boekje meekreeg dat bij het vijftigjarig bestaan van deze scholengemeenschap was uitgegeven.

Wat mij ernstig kan verontrusten, is dat ik telkens weer merk dat ook onder hen die leiding moeten geven het voorkomt dat totaal ongelijkwaardige zaken op één hoop worden gegooid. Zo kan het gebeuren dat de doop, homoseksualiteit, Bijbelvertaling, kledingregels, de vrouw in het ambt en de schepping of evolutie in één adem worden genoemd. Wanneer dat gebeurt, wordt het gezag van de Schrift, en daarmee het gezag van God Zelf, niet ernstig genomen. Immers, er is een groot verschil tussen puur culturele zaken, zaken waarover – hoe verdrietig het ook is – ware christenen verschillend blijken te denken, en zaken die echt de zaligheid raken.

Toen ik in Boven-Hardinxveld stond sprak ik eens een oudere man. Hij behoorde bij de PKN-gemeente ter plaatse die zijn wortels heeft in de Gereformeerde Kerken. Het gesprek kwam over het gezag van de Schrift. Hij had weinig moeite met homoseksuele relaties. Zijn argument was: ‘Vroeger mochten we alleen lopend naar de kerk. Nu komt iedereen die wat verder weg woont, zonder problemen met een fiets of auto.’ Daaruit trok hij de conclusie dat als men hierin anders was gaan denken, het geen probleem was om dat ook met betrekking tot huwelijk en seksualiteit te doen.

Ook hij verbond totaal ongelijkwaardige zaken met elkaar. Het opnoemen van volstrekt ongelijkwaardige zaken in hetzelfde verband is op zich al een bedenkelijke zaak. Doen we daar zelf aan mee dan wekken we op zijn minst de indruk geestelijk onderscheidingsvermogen te missen. Ik zeg niet dat dit altijd zo is, maar meer dan eens blijkt dit toch echt het geval te zijn.

Zowel in mijn preken, vroeger op catechisatielessen en in colleges, en nu nog op cursussen die ik geef, heb ik telkens weer het verschil tussen kernzaken, middelmatige zaken, bijzaken en cultureel gebonden zaken benadrukt. De laatste jaren is dat steeds meer nodig geworden omdat publiek meer dan eens doop, homoseksualiteit, Bijbelvertaling, kledingregels, de vrouw in het ambt en de historiciteit van de zondeval in hetzelfde rijtje staan. Dat is op zich al een zaak om verontrust over te zijn. Voor de een zijn al deze zaken hoofdzaak. Voor de ander zijn ze allemaal bijzaak en die groep groeit. Zeker is dat, als alles hoofdzaak is, uiteindelijk alles bijzaak wordt. Dan moet het ons niet verwonderen dat mensen die eerst heel behoudend waren, in betrekkelijk korte tijd heel andere standpunten gaan innemen.

De diepste oorzaak is dat men niet echt geworteld was in de Bijbelse boodschap van verzoening met God door Christus’ bloed en wedergeboorte door Gods Geest. Ik kan het ook met verwijzing naar de tweede vraag van het klassieke doopformulier, zo verwoorden dat men niet geworteld was in de leer die in het Oude en Nieuwe Testament en in de artikelen van het christelijke geloof (de Apostolische Geloofsbelijdenis, P.d.V.) begrepen is en in de christelijke Kerk alhier geleerd wordt. Met dit laatste bedoelt men de gereformeerde belijdenis. De kinderen worden niet in een lutherse, laat staan rooms-katholieke maar in een gereformeerde kerk gedoopt.

Zowel het gezag van de Schrift als de binding aan de gereformeerde belijdenis staan in de praktijk onder zware druk. Toen ik op de middelbare school zat, was dat proces aan de gang in de Gereformeerde Kerken die toen nog tot de gereformeerde gezindte werden gerekend. Het gebeurt nu in wat er nog van de gereformeerde gezindte over is. Ik geef een tegengeluid, biddend dat het mensen mag raken bij Gods Woord en hen mag bewaren bij de kernen van de gereformeerde belijdenis of erbij terugbrengen. Ik stel onder andere het rijtje kledingregels, doop, vrouw in het ambt, homoseksuele relaties en de historiciteit van de zondeval aan de orde om daarna nog aan te geven wat de kernen zijn waarbij wij bewaard moeten worden.

*

Kleding(regels)

Bij kledingregels is het de vraag hoe deze worden ingevuld. Als het erom gaat dat kleding eerbaar moet zijn en er een zekere matigheid in kleding wordt verwacht van de vrouw op dit gebied, dan geldt dat in alle gemeenten die het klassieke huwelijksformulier gebruiken, dit van de bruid wordt gevraagd. Wie dit bepaald niet essentieel acht, zal als hij ambtsdrager is moeten pleiten voor een ander huwelijksformulier – en dan is er keuze te over.

Anders wordt het als het over de kleur van kleding gaat, een legging dragen of niet enz. Dan hebben we het over cultuur en bepaald niet over wat de Bijbel over kleding zegt. Immers wat het klassieke huwelijksformulier noemt over de kleding van de vrouw, komt rechtstreeks uit het Nieuwe Testament (vgl. 1 Tim 2:9; Titus 2:3; 1 Petr. 3:1-5). Wanneer we nu gaan verbieden wat God toelaat, dreigt het gevaar dat wij in de toekomst gaan toelaten wat God verbiedt. Immers, culturele en menselijke regels kregen hetzelfde gewicht als Gods geboden en vervolgens worden Gods geboden als een aantal culturele regels gezien.

Zelf geef ik er sterk de voorkeur aan dat een vrouw een (nette) rok draagt en een rok wordt nog altijd als specifiek vrouwelijk ervaren. Toen een aantal decennia geleden ook vrouwen broeken gingen dragen werd dat als mannenkleding ervaren, maar dat station zijn we in de maatschappij allang gepasseerd. Er zijn nu ook broeken die een man niet zou willen dragen. Een vrouw die sensueel gekleed is, al draagt zij een rok gaat expliciet tegen Gods Woord in en dat kunnen we niet zomaar zeggen van een vrouw die een broek draagt.

Helaas voldoet kleding van meerdere vrouwen en meisjes binnen de gereformeerde gezindte, al dragen zij een rok, bepaald niet aan de bijbelse eis van eerbaarheid en is op dit punt bekering nodig. Hoezeer ik er ook aan gehecht ben en blijf dat vrouwen en meisjes een rok dragen, de eis van eerbaarheid gaat daar (ver) boven uit. De tekst uit Deuteronomium 22:5 slaat op travestie. De vrouw moet niet iets aantrekken wat kenmerkend is voor de man en omgekeerd. De man moet zich niet als vrouw voordoen en de vrouw niet als man.

Overigens is het ook een Bijbels gegeven om je binnen grenzen aan te passen. Paulus was de Joden een Jood en de Grieken een Griek. Ik geef een voorbeeld dat mij rechtstreeks als predikant raakt. Zelf heb ik altijd als predikant een zwart pak gedragen. Er zouden voor mij in Nederland geen deuren opengaan als ik dat niet meer zou doen en er gaan wel voor mij deuren dicht als ik dit opgeef. Wel merk ik dat in de brede samenleving zwarte kleding steeds minder met het predikantschap wordt verbonden. Meerdere malen vermoedde men, zo constateerde ik, dat ik in de leiding zat van een multinational. Dat moest ik dan ontkennen. Ik kon dan weer wel zeggen dat ik ambassadeur ben en wel van de Koning der koningen. Dat gaf het zwarte pak toch weer aanleiding tot een gesprek.

Echter, in meerdere kringen buiten ons land roept het zwarte pak alleen maar vragen op. Zwarte kleding van ambtsdragers associeert men dan met een zeer hoogkerkelijke instelling en het ontkennen van de noodzaak van wedergeboorte. Men meent dat een predikant die in het zwart gekleed gaat, ook wel zal leren dat een mens met de doop wedergeboren is. Begeef ik mij buiten Nederland in kringen waar men dat zo aanvoelt, dan trek ik dus geen zwart pak aan. Terwijl men hier kan zeggen je moet een predikant aan zijn kleding al kunnen herkennen, zegt men daar: een predikant herken je aan zijn spraak. En zeker is dat het laatste fundamenteler is.

*

Bijbelvertaling

Taal en zeker de taal van de Bijbel waarmee we vanaf onze jeugd vertrouwd zijn, is voor ons van emotionele waarde. Veranderingen daarin raken ons. Echter, een taal ontwikkelt zich door en dat proces blijft doorgaan. Inmiddels leest niemand voor eigen gebruik meer de originele Statenvertaling. Wie de Statenvertaling leest, gebruikt een editie die gebaseerd is op een hertaling uit het einde van de negentiende eeuw. Door de snelle ontwikkeling van de taal met name in de laatste decennia wordt voor een steeds groter deel van het kerkvolk – om over mensen buiten de kerk maar te zwijgen – het lezen van de Bijbel in deze uitgave een steeds moeilijker opgave.

De Reformatie heeft het van fundamenteel belang geacht dat er vanuit de brontalen een vertaling voor het gewone kerkvolk beschikbaar is in de taal die mensen kunnen begrijpen. Wie daartegen inbrengt dat jongelui toch ook Engels kunnen leren, moet begrijpen dat dit in de context van de zestiende en zeventiende eeuw eenzelfde argument is als: jonge mensen kunnen toch naar de Latijnse school om daar Latijn te leren? Dat zo voor menigeen de Bijbel een gesloten boek blijft hoeft geen betoog.

Inmiddels is voor menigeen de Statenvertaling, ook in een uitgave in een negentiende-eeuws taalkleed grotendeels een gesloten boek. Dat maakt een nieuwe vertaling, herziening of hertaling tot een opdracht. De Herziene Statenvertaling kwam als antwoord op deze behoefte. Zij die hierop kritiek hadden en hebben, vonden het niet nodig om zelf met een alternatief te komen. Zeker is dat het nu geen enkele basisschool lukt om bij het verlaten ervan leerlingen af te leveren aan een middelbare school die in ieder geval de historische boeken van de Bijbel zonder problemen kunnen lezen. En alleen als kinderen hier vanaf de basisschool al mee vertrouwd raken zal de HSV een alternatief zijn voor de SV. Anders moeten we erop rekenen dat jongelui – als zij nog in de Bijbel lezen – naar de Bijbel in Gewone Taal of de Basisbijbel grijpen.

De ene Bijbelvertaling is beter dan de andere. Het kan zijn dat in de taal die je beheerst alleen een gebrekkige vertaling beschikbaar is. Dan zal je die moeten gebruiken totdat er een beter alternatief komt. Het gebruik van een Bijbelvertaling is hoe dan ook geen kwestie die de zaligheid raakt, al begrijp ik ten volle dat het horen en lezen van de Bijbel in een nieuw taalkleed voor een oudere generatie emotioneel altijd als een stuk verlies wordt ervaren. Heel ernstig is het als de Bijbel niet of nauwelijks meer wordt gelezen. En dat laatste komt inmiddels in kerkelijke kring vaker voor dan menigeen zou denken.

*

Wie mogen er worden gedoopt?

Bij de vraag wie de doop mogen ontvangen, ligt het al anders. Zowel voorstanders als tegenstanders van het dopen van kinderen gaan uit van het volstrekte gezag van de Schrift. En als dat niet het geval is, betreft het evenzeer zowel voorstanders als tegenstanders van het dopen van kinderen. Zeker is dat het Nieuwe Testament noch uitdrukkelijk het dopen van kinderen voorschrijft, noch het uitdrukkelijk verbiedt. Dat verklaart dat ook bij het gezamenlijk aanvaarden van het gezag van de Schrift, de wegen toch uiteen kunnen gaan.

De vraag is hier: horen ook onder de nieuwe bedeling kinderen bij Gods gemeente. Zij die het dopen van kinderen verwerpen, beantwoorden die vraag ontkennend en voorstanders van het dopen van kinderen bevestigend. Hier heeft de kijk op de verhouding tussen het Oude en Nieuwe Testament een fundamentele plaats. Overheerst ten aanzien van Gods verbond en gemeente de continuïteit of de discontinuïteit? Ik zeg vol overtuiging het eerste en kan de doop ook niet zien als een teken en zegel van het geloof maar van het Evangelie zelf.

Hoe belangrijk ook de grenzen van Gods gemeente voor mij zijn en het zicht op de betekenis van de doop als zodanig (los van de vraag of zij alleen aan volwassenen of ook aan kinderen mag worden bediend), belangrijker is voor mij dat geleerd wordt dat een mens persoonlijk met God verzoend wordt en wedergeboren wordt tot een levende hoop. Daarom voel ik mij veel meer verbonden aan (gereformeerde) baptisten, zoals Charles Haddon Spurgeon dan aan voorstanders van de kinderdoop bij wie dat feitelijk geen plaats heeft. Daarom voelde ik mij ook meer verbonden aan een pinksterbroeder als Johan Frinsel, die zelf overigens zei dat hij veel gereformeerder was dan veel mensen die zich zo noemen, dan aan meerderen uit kerken die de gereformeerde belijdenis (de Drie Formulieren van Enigheid) als grondslag hebben.

*

Is er ruimte voor de vrouw in het ambt?

De vraag of wij al dan niet ruimte zien voor de vrouw in het ambt, heeft te maken met het antwoord dat wij geven op de vraag of de Schrift zonder reserve het Woord van God is, of ook inhoudelijk gezien het Woord zowel van God als het woord van mensen. Immers dat God mensen in dienst nam bij de op schriftstelling van Zijn openbaring ontkent niemand. Wie ruimte ziet voor vrouwelijke ambtsdragers moet aan de huidige maatschappelijke context een zelfstandige betekenis geven ten opzichte van de Schrift

Bij alle aandacht die het Nieuwe Testament schenkt aan de betekenis van vrouwen in de gemeente van Christus, blijft duidelijk dat het leren en leidinggeven van de gemeente – en dat is de taak van opzieners/ouderlingen en diakenen – alleen aan mannen toekomt. Zo lezen we het ook in de Didachè, het oudste christelijke geschrift buiten het Nieuwe Testament. De scheppingsorde is door Christus namelijk niet opgeheven, maar juist geïntensiveerd. Inmiddels verschuift een steeds groter deel van de huidige gereformeerde gezindte in een richting die afvoert van het volledig aanvaarden van het gezag van de Schrift. Dat is des te verdrietiger omdat wij elders in de wereld – juist ook op het punt van vrouwelijke ambtsdragers – voorbeelden van een omgekeerde ontwikkeling zien.

*

Is er ruimte voor homoseksuele relaties?

Acceptatie van de vrouw in het ambt zouden we een dwaling kunnen noemen op het gebied van de levenswandel. Anders ligt dat als men ruimte ziet voor homoseksuele relaties. Dat is Bijbels gezien een ketterij. Immers, in onderscheid met wat het Nieuwe Testament leert meent men dan dat het liggen bij mensen van hetzelfde geslacht (om de nieuwtestamentische spreekwijze te gebruiken) ook zonder bekering ervan niet betekent dat men het koninkrijk van God niet zal binnengaan.

Men gaat ervan uit dat de smalle weg heel wat breder is dan het Nieuwe Testament ons die tekent. En dat raakt wel heel rechtstreeks het meest fundamentele kenmerk van de ware kerk, namelijk dat op betrouwbare wijze de weg naar de hemel wordt onderwezen. In de Heidelbergse Catechismus lezen we in antwoord 84 dat de gelovigen telkens als zij de belofte van het Evangelie door een waar geloof aannemen moet worden verkondigd dat hun zonden hun om Christus’ wil zijn vergeven, maar ook dat de ongelovigen en die zich niet van harte bekeren verkondigd en betuigd moet worden dat de toorn van God op hen rust zolang zij zich niet bekeren.

Dan moeten we er wel voor waken om homoseksueel gedrag als de enige zonde tegen het zevende gebod te benoemen en ook alleen tegen overtreding van het zevende gebod te waarschuwen. Het zevende gebod vraagt dat wij kuis en ingetogen leven of dat nu in de heilige staat van het huwelijk is of daarbuiten. In het laatste geval gaat het om een heilig celibatair leven.

In het klassieke gereformeerde huwelijksformulier dat hierbij de huwelijksethiek van de Kerk der eeuwen weerspiegelt wordt als derde doel van het huwelijk genoemd alle onreinheid te vermijden. We mogen ons lichaam als tempel Gods niet verontreinigen. Dat laatste gebeurt bij geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk en ook geslachtsgemeenschap voor het huwelijk is geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk.

Verdrietig maar veelzeggend is dat er nu formulieren zijn waarin het derde doel anders wordt geformuleerd. Dan wordt gevraagd of men in het huwelijk aan elkaar trouw wil blijven. Wanneer een dergelijk formulier wordt gebruikt, is de onuitgesproken vooronderstelling dat de kerk maar moet zwijgen als zij die gaan trouwen vooruitgrijpen op het huwelijk. Albert Mohler, een bekende Amerikaanse gereformeerde baptist en president van het Southern Baptist Theological Seminary, heeft in dit verband terecht gezegd: ‘Als de kerk bij vooruitgrijpen op het huwelijk de andere kant op kijkt, is het aanvaarden van homoseksuele relaties een kwestie van tijd.’ Zijn punt was dat de kerk veel getuigender moet worden en niet selectief moet zijn in het benoemen van zonde tegen het zevende gebod.

Nooit mogen we vergeten dat er ook andere zonden zijn die ons zonder bekering buiten Gods koninkrijk houden. Het klassieke avondmaalsformulier noemt nadrukkelijk dat wij alle haat, nijd en vijandschap van harte moeten afleggen. Zelf heb ik eens meegemaakt dat een avondmaalganger van zijn overigens zeer en zeer lastige en onredelijke schoonvader had gezegd: ‘Hij mag voor mijn part dood vallen.’ Ik heb de persoon in kwestie erop gewezen dat als hij hierover geen schuld beleed en aan zijn schoonvader niet om vergeving vroeg (die had dit ook gehoord) hij niet tot het avondmaal kon worden toegelaten. Datzelfde geldt voor financieel wangedrag.

Wel moeten we beseffen dat tucht over uitwassen gaat, we kunnen vragen hebben over de wijze waarop iemand met geld en goed omgaat, maar dat betekent nog niet dat direct het wapen van de tucht mag worden ingezet. Wel ben ik van mening dat matigheid in levensstijl veel meer aandacht zou moeten krijgen in de prediking. Hier ligt inmiddels een grote zwakte in de gereformeerde gezindte. Het materialisme is de eeuwen door een geweldige bedreiging geweest. Waar dat binnendringt gaat het geestelijk leven kwijnen en zo God het niet verhoedt verdwijnen. Van het eerste zien we al genoeg signalen in de gereformeerde gezindte. We mogen wel vurig om een opwekking bidden opdat ook het tweede niet geschiedt.

*

Schepping of evolutie

Is de evolutieleer met het bijbelse getuigenis verenigbaar? Meerderen beantwoorden die vraag bevestigend. Ik zou niet graag beweren dat ik alle vragen rond de verhouding tussen het bijbelse getuigenis over de schepping en wetenschappelijke verklaringen over het ontstaan van de wereld kan beantwoorden. Maar met Augustinus zeg ik dat het geen twijfel lijdt dat er een historisch paradijs is geweest waarin het eerste mensenpaar woonde van wie heel de mensheid afstamt. Zij werden geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

Nog altijd is voor iedereen zichtbaar dat de mens wezenlijk anders is dan het hoogst ontwikkelde dier. Sinds de zondeval is ook elk mens een kind des toorns die verzoening met God en wedergeboorte nodig heeft. De dood van de mens is het loon op de zonde Wie de historiciteit van de zondeval ontkent, neemt het bijbelse fundament weg onder het Evangelie met de boodschap van verzoening door Christus’ bloed, de noodzaak van wedergeboorte door Gods Geest en de overwinning op de dood met de opstanding van de Heere Jezus Christus.

*

Is er alleen behoud voor wie in Christus gelooft en zich bekeerd heeft tot God?

Niet altijd wordt dit laatste in een rijtje dat begint met bijbelvertaling of kledingregels genoemd, maar zeker is dat hierover ook binnen de huidige gereformeerde gezindte verschillend wordt gedacht. Voor menigeen gaat de notie van alverzoening (uiteindelijk worden alle mensen zalig) te ver of in ieder geval net iets te ver. Maar menigeen meent dat verloren gaan een randmogelijkheid is die nooit concreet benoemd mag worden. Dat laatste wordt dan verdedigd door erop te wijzen dat God Rechter is. Dat laatste is ongetwijfeld juist. Maar God heeft ons wel geopenbaard welke maatstaaf Hij op de jongste dag hanteert. Daarover mag niet worden gezwegen.

‘Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.’ (1 Joh. 5:12) De waarachtigheid van ons geloof blijkt uit onze levenswandel. ‘En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.’ (1 Joh 2:3). Aan deze woorden mogen we nooit iets afdoen.

*

De relatie met Christus is toch het meest fundamenteel?!

Onze zaligheid staat of valt niet bij de bijbelvertaling die wij lezen en evenmin met onze kledingstijl. Wel moeten we eerlijk zeggen dat de kleding van een vrouw zo sensueel kan zijn, dat moeilijk anders de conclusie kan worden getrokken dat de bewuste vrouw Christus nog niet liefheeft en navolgt. Niet voor niets wordt in het klassieke huwelijksformulier van de bruid gevraagd dat zij met kleding een voorbeeld van zedigheid wil zijn. Meer dan eens blijkt uit de trouwjurk al dat de bruid dit niet van plan is. Afgezien van het falen van een kerkenraad in het uitoefenen van tucht, moeten we dan toch gewoon constateren dat de bruid zelf nee zegt tegen Christus als Koning.

Hoezeer we ervan overtuigd mogen zijn dat ook kinderen van christenouders bij Gods gemeente horen en daarom gedoopt moeten worden, we mogen de zaligheid niet ontzeggen aan hen voor wie het voorrecht van kinderen van christenouders niet verder reikt dan dat zij in de directe nabijheid van Gods gemeente zijn geboren en die hen daarom ongedoopt laten.

Anders wordt het met het zien van ruimte voor homoseksuele relaties. Wie daarvoor ruimte ziet neemt aan dat de smalle weg breder is dan in de Bijbel staat. Wie dat doet moet een onderscheid maken tussen de Bijbel en het Woord van God en dat op een zaak die bij de diepste kern van het bijbelse getuigenis behoort namelijk de boodschap van de twee wegen.

Als mannen die bij mannen liggen zonder bekering in ieder geval in bepaalde gevallen het koninkrijk van God naar men meent toch zullen binnengaan, kunnen we moeilijk uitsluiten dat dit in principe in bepaalde gevallen ook zo zal zijn voor hoereerders, afgodendienaars, overspelers, dieven, gierigaards, dronkaards, en lasteraars.

Zeker is dat het mogelijk is uiterlijk van onbesproken gedrag te zijn en toch geen christen te zijn. De allereerste vraag die wij onszelf en anderen moeten stellen, is: Ben ik als een schuldig zondaar tot Christus gevlucht, rust ik met het oog op de jongste dag alleen op wat Hij voor mij en in mijn plaats deed? Maar hoe zou iemand die mag weten dat Christus hem heeft liefgehad en Zich voor hem heeft overgeven, nog niet de begeerte kunnen hebben of voor Hem – en dat is naar al Zijn geboden te leven?!

Het bijbelse getuigenis vormt een appel op een schuldig zondaar zich met God te laten verzoenen en uit de verzoende betrekking met God te leven. ‘Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.’ (2 Kor. 5:20–21).

Plaats een reactie