De toekomst van het reformatorisch onderwijs
Na afloop van de bezinningsdag van de Gomarus Scholengemeenschap op maandag 5 januari 2026 kreeg ik naast een bos bloemen een boekje mee dat in 2025 is uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van deze scholengemeenschap: Christen-zijn actie en reactie. veranderen om gelijk te blijven. Mij viel op dat we van drie van de vier scribenten moeten aannemen dat zij als zij in het voedingsgebied van de Gomarus Scholengemeenschap zouden wonen, zij hun kinderen er niet naar toe zouden sturen. Nu, kunnen we van anderen leren, maar deze keuze is toch wat merkwaardig zeker als het moet gaan over veranderen om gelijk te blijven.
Een klassiek gereformeerd geluid komt van drs. C. de Groot. Hij legt er de vinger bij dat het buigen voor het Schriftgezag taant, terwijl het gebruik van een bijbelvertaling verdeeldheid teweeg brengt. Hij roept op om trouw te blijven aan klassiek-christelijk opvattingen over onderwijs en waarschuwt ertegen om heel vlot mee te bewegen met het overheidsbeleid dat gericht is op meetbaarheid en maakbaarheid. Al eerder wees dr. R. Toes daarop. Hij onderstreept dat het een misverstand is om te menen dat een leerling weet wat hij nodig heeft en pleitte voor klassieke kennisoverdracht, verbonden met persoonlijkheidsvorming in het licht van de Schrift. Uitdrukkelijk verwoordt De Groot dat de verzoening met God het centrum van de bijbelse boodschap is en doet hij een dringend beroep op het onderscheiden van hoofd- en bijzaken.
Hij noemt, evenals dr. C. Boele terecht het belang van identificatiefiguren voor jonge mensen. Ik zou er wel op willen wijzen dat Boele weinig heeft met de gereformeerde belijdenis en het ook niet nodig vindt dat scholen en leerkrachten zich daaraan gebonden weten. Boele is een exponent van wat vroeger de ethische richting was in de Hervormde Kerk met haar leuze: ‘Niet de leer, maar de Heer’. Maar ik neem aan uit wat ik in zijn bijdrage lees dat ook De Groot dat een onjuiste tegenstelling vindt. Belangrijk zijn identificatiefiguren in wie de gereformeerde belijdenis – en dan denk ik met name aan het eerste antwoord van de Heidelbergse Catechismus – vlees en bloed is geworden.
Ik kijk ook kritischer aan tegen het boekje Voor hart en hoofd van dr. W,. van Vlastuin waarnaar hij meer dan eens instemmend verwijst. Mede door de nogal abstracte toonzetting wordt meer voor het hoofd dan voor het hart geboden. Daarbij komt dat de notie dat er naast ware christenen ook naamchristenen zijn ontbreekt. Ook komt niet echt uit de verf dat we alleen door wedergeboorte een ware christen worden.
Het gevolg daarvan is dat volledig ontbreekt dat een christelijke school erop moet wijzen dat leerlingen als christen de roeping hebben anderen voor Christus te winnen. Dat geldt naar elkaar toe en dat horen we toch van leerlingen op een middelbare school te verwachten als langzaam de ondergrens in leeftijd van het doen van belijdenis en toegang vragen tot het avondmaal in zicht komt. Dat geldt ook naar buiten toe en zeker ook als leerlingen na het verlaten van de school werkzaam worden in een seculiere omgeving. En dan moeten we beseffen dat zo’n omgeving regel is en geen uitzondering, Voor hart en hoofd geeft geen enkel handvat hoe wij in het dagelijkse leven ons verantwoorden en hoe wij getuigen naar hen die in alle opzichten zonder Christus, zonder God en zonder hoop zijn. Dat is geen kleine omissie in een handreiking voor christelijke scholen die als taak hebben leerlingen voor te bereiden voor de samenleving.
*
Vrijheid en gelijkheid in de Vroege Kerk
Voor wie hem kent, zal bekend zijn dat prof. dr. H.A. Bakker zeer goed thuis is in de Vroege Kerk. Dat wij als christelijke minderheid in een seculiere samenleving van de Vroege Kerk kunnen leren, en dan zeker de Vroege Kerk vóór Constantijn de Grote, is zeker. Christenen wisten zich een verloste gemeenschap die niet in de laatste plaats door hun onderlinge liefde en hulpvaardigheid opviel. De boodschap van de christelijke kerk was dat culturele, etnische en sociale verschillen in Christus geen rol spelen. Dat geldt ook voor man en vrouw. Beiden delen op gelijke wijze in de zaligheid.
Echter, dat het niet zomaar de roeping is van de kerk voor de scheppingsorde te tekenen, kan bepaald niet uit het Nieuwe Testament worden afgeleid en was zeker ook niet de zienswijze van de Vroege Kerk. Sinds de zondeval wordt de scheppingsorde misbruikt en niet gehoorzaamd. Bij ongehoorzaamheid denk ik aan de zienswijze dat men meent dat de gave van seksualiteit niet enkel een plaats heeft binnen het huwelijk van één man en één vrouw. De christelijke kerk legde juist de nadruk op seksuele reinheid en huwelijkstrouw, en wees homoseksuele contacten in welke vorm ook af.
Terwijl polygamie onder de oude bedeling werd getolereerd, grijpt de Vroege Kerk aansluitend op het Nieuwe Testament terug op de scheppingsorde. De kanttekening vanuit het Nieuwe Testament die bij meerdere vertegenwoordigers van de Vroege Kerk kan worden geplaatst is dan men het celibataire leven nadrukkelijk hoger stelt dan het huwelijk, maar dat noemt Bakker nu juist weer niet.
De man heeft telkens weer misbruik gemaakt van het feit dat hij vanuit de schepping het hoofd is van de vrouw. Echter, bij die zaak als zodanig stelt het Nieuwe Testament geen vragen. De scheppingsorde wordt niet gerelativeerd, maar eerder geïntensiveerd: een man moet zijn vrouw liefhebben zoals Christus de gemeente heeft liefgehad en een vrouw haar man gehoorzamen zoals de gemeente Christus. De bijdrage lezend van Bakker vond ik niet dat hij handvatten geeft voor veranderen om gelijk te blijven maar juist voor echte verschuivingen. En dat hoeft niet te bevreemden want Bakker is geen gereformeerd theoloog maar een baptist en dan met een soort opvattingen waartegen Spurgeon waarschuwde in de zogenaamde Down Grade Controversy.
*
Christen- zijn ten tijde van de Reformatie
Niet alleen informatief maar ook zeer waardevol vond ik de bijdrage over christen-zijn ten tijde van de Reformatie van dr. H. Klink. Hij focust daarbij op Calvijn en dat zeer terecht. Deze grote hervormer was namelijk geschoold als jurist en heeft diep nagedacht over de wijze waarop de samenleving moet worden geordend. Daarbij sloot hij aan bij Augustinus en breder bij de klassieke traditie.
In onze eigen tijd vindt de visie onder christenen ingang dat de staat en het rijk van God nauw aan elkaar worden verbonden. In de samenleving zou het rijk van God gerealiseerd moeten worden. Een van de bezwaren tegen deze opvatting is (overigens niet de enige) dat bepaald niet ieder staatsburger een burger is van Gods koninkrijk, terwijl een christen niet alleen in de kerk maar ook in de samenleving een taak heeft en daarin met anderen moet en mag samenwerken.
Klink staat in de lijn niet alleen van Calvijn, maar feitelijk van de hele klassiek christelijke theologie voor dat de staat er is om het recht te beschermen en te behartigen. Hij laat zien dat voor Calvijn de overheid niet teruggaat op menselijke overwegingen en afspraken, maar een geschenk is van God. Calvijn leert dat de overheid deugdzaam gedrag moet belonen en kwalijk gedrag bestrijden en straffen. De wetgeving dient volgens Calvijn – en ook hier valt Klink Calvijn bij – gebonden te zijn aan de Tien Geboden die hebben in onderscheid van de specifiek mozaïsche wetten universele geldigheid. Op deze wet mag iedereen (ook zij die geen burgers zijn van Gods koninkrijk, zo voeg ik, voor alle duidelijkheid toe) worden aangesproken.
Recht en billijkheid zijn voor Calvijn de criteria waaraan de wetgeving moet voldoen. Een mens heeft rechten: recht op leven, op eigendom en op de vrijheid van geweten, maar die rechten zijn pas veilig binnen een staatsstructuur die gegrond is op recht en billijkheid. Klink brengt naar voren hoezeer Calvijn ervoor beducht was dat de overheid haar eigen grenzen niet kent en haar macht misbruikt. Hij bepleit daarom voor een staatsstructuur waarin de macht verdeeld is. Met Klink meen ik dat Calvijns gedachten over de overheid zeer relevant en actueel zijn.
*
Christen-zijn te midden van het moderne en postmoderne gelijkheidsideaal
De bijdrage van prof. dr. M. Wisse gaat over christen-zijn te midden van het moderne en postmoderne gelijkheidsideaal. Ik ontken niet dat Wisse behartigenswaardige zaken zegt (ik denk bijvoorbeeld aan het feit dat in het Nieuwe Testament de ongehuwde staat voluit positieve betekenis kan krijgen), maar bij zijn bijdrage heb ik de meeste vragen. Daarbij gaat het mij nadrukkelijk niet om zijn persoon maar om zijn opvattingen.
Richting directie, bestuur en jubileumcommissie van de Gomarus Scholengemeenschap ben ik benieuwd wat hen bewogen heeft voor dit onderwerp een theoloog uit het brede midden van de PKN te vragen; een theoloog die ruimte ziet voor allerlei vormen van geloven van orthodox tot geloven buiten de christelijke kerk en voor wie de wijze waarop hijzelf gelooft een heel sacramentalistisch karakter heeft.
Zijn grondgedachte dat een christen zich ten aanzien van het gelijkheidsideaal van de modernen en postmoderne tijd altijd ( cursivering van mij; P.d.V.) relatief zal opstellen en nooit absoluut wijs ik hartgrondig van de hand. Ook ik kan zondermeer tal van zaken noemen waar een christen zich niet al te absoluut moet opstellen. Kijken we een paar generaties terug in onze eigen geschiedenis dan dacht Kuyper anders over de taak van de overheid als het ging om bescherming van sociaal zwakkeren dan De Savornin Lohman. Nu denkt de ene christen anders over maatregelen die met het oog op het klimaat moeten worden genomen dan de ander. Zelf heb ik hierin ook standpunten die ik nu bewust maar niet deel.
Voor Wisse geldt dit namelijk ook voor de LHBTI-ideologie, abortus, euthanasie en de verhouding man en vrouw. Echter, op al deze terreinen doet de Schrift expliciete uitspraken. Seksuele gemeenschap is bedoeld voor het huwelijk tussen één man en één vrouw en wie deze norm overtreedt en zich er niet van bekeert, zal volgens het Bijbelse getuigenis het koninkrijk van God niet binnengaan. Het leven is vanaf de ontvangenis een gave van God en mag niet door de mens worden beëindigd.
Vanuit de schepping is de man het hoofd van de vrouw. In de verhouding tussen man en vrouw is sinds de zondeval veel misgegaan. Het Nieuwe Testament relativeert echter hier niet de scheppingsorde maar intensiveert die. Een man hoort zijn vrouw lief te hebben zoals Christus de gemeente liefheeft en een vrouw hoort haar man te gehoorzamen zoals de gemeente Christus gehoorzaamt.
Met Wisse ben ik ervan overtuigd dat een christen gekenmerkt wordt door een band met Christus en zich vandaar uit op de wereld oriënteert. Echter, dat het christelijke geloof ook – om met antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus te spreken – een zeker weten is waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard, heeft bij Wisse geen plaats.
Dat betekent niet dat wij, zoals Wisse suggereert, volmaakt kennen. Daarbij komt nog dat de Bijbel als Gods Woord een bepaalde focus heeft en dat blijkt ook in de informatie die zij ons aanreikt. Maar dat wij deze kennis niet als persoonsafhankelijk zien, is niet toe te schrijven aan beïnvloeding door het moderne denken, zoals Wisse stelt, maar verbindt ons aan de wijze waarop kerkvaders en reformatoren de Schriften lazen. De waarheid van de Schrift gaat vooraf aan ons geloof erin en de Schrift blijft waar ook als wij haar gezag niet aanvaarden.
Inderdaad heeft het christendom geen bepaalde politieke orde in die zin dat maar één staatsvorm acceptabel zou zijn, maar een christen wijst er wel op – en dan verwijs ik naar de bijdrage van Klink – dat de overheid behoort te handelen volgens de Tien Geboden. Als Wisse zegt dat het christelijk geloof geen ethische orde heeft, moet ik dat ontkennen. Immers wie Christus toebehoort en liefheeft, wenst naar al Zijn geboden uit dankbaarheid te leven. Daarbij weet hij dat hij andere daartoe niet kan en mag dwingen, omdat christelijk geloof een zaak is van het hart.
Als Wisse stelt dat niet zozeer de concrete geboden maar gerechtigheid bepalend is, maakt hij allereerst een tegenstelling die de Schrift en ook de gereformeerde belijdenis zo niet kent. De gereformeerde belijdenis stelt dat het gaat om het doen van al Gods geboden uit dankbaarheid en daarbij realiseert een christen zich dat bij hem of haar alles nog zo ten dele is.
Daarbij komt dat Wisse bij gerechtigheid kennelijk aan gerechtigheid in deze samenleving denkt. Echter bij gerechtigheid gaat het allereerst om de gerechtigheid waarmee wij zonder vrees God kunnen ontmoeten en dat is de gerechtigheid die wij in geloof ontvangen als wij leren roemen in het kruis van Christus. Ons wordt dan toegerekend dat Christus voor ons en in onze plaats de toorn van God wegdroeg. Aan de toegerekende gerechtigheid is de innerlijke gerechtigheid verbonden. Die wordt ons deel door de wederbarende werking van Gods Geest. Over de fundamentele geloofswaarheden van verzoening door voldoening, van rechtvaardiging door het geloof alleen en van wedergeboorte door Gods Geest – geloofswaarheden die wij allemaal terugvinden in het eerste antwoord van de Heidelbergse Catechismus – lees ik in de bijdrage van Wisse helemaal niets.
Ik ontken niet – en dan verwijs ik opnieuw naar mijn evaluatie van de bijdrage van Klink – dat een christen een taak heeft in de samenleving. Ik zeg Wisse na dat een christen het licht van Christus moet laten schijnen, maar doorwerking van christelijk geloof in de samenleving is slechts indirect met het rijk van God verbonden. Het is een zaak van algemene en niet van bijzondere genade. Juist daarom ziet een christen uit naar de wederkomst. Dan pas zal Gods koninkrijk dat hier niet van deze wereld is wel van de wereld zijn, omdat er dan een nieuwe wereld is. Bij Wisse mis ik volledig de notie van het laatste oordeel en juist als wij spreken over het rijk van God moet die notie een centrale plaats hebben. Wij zijn door de tijd op reis naar de eeuwigheid en kunnen het nieuwe Jeruzalem alleen binnengaan als wij hier op aarde rein gewassen zijn door Christus’ bloed.
*
Geestelijk onderscheidingsvermogen
Ik ken een aantal leerkrachten van de Gomarus Scholengemeenschap en degenen die ik ken weten zich gebonden aan de gereformeerde belijdenis, maar wat is nu eigenlijk de zienswijze die de directie en het stichtingsbestuur willen uitdragen? Dat is voor mij een vraag waarop ik na het lezen van Christen-zijn actie en reactie. veranderen om gelijk te blijven het antwoord niet kan geven.
Ik weet niet of de consequenties van de opname van de bijdrage van Wisse in de bundel ter gelegenheid van de Gomarus Scholengemeenschap doordacht zijn. Is er sprake van naïviteit? Als dat het geval is, is het een zeer gevaarlijke naïviteit die niet mag worden verwacht bij hen die een nieuwe generatie jongeren moeten vormen. Of is er sprake van een bewuste keuze? Ik vermoed van niet, maar heeft men wel door welk signaal men hierbij naar buiten toe en ook naar eigen achterban afgeeft?
Ik stel als lezer die allerlei ontwikkelingen om mij heen ziet de vraag aan waarom men zich in de grondslag nog wil binden aan de gereformeerde belijdenis. Los van de situatie zou ik vermoeden dat men de kant op wil naar de situatie die sinds de negentiende eeuw in de Hervormde Kerk ontstond. De belijdenis bleef in de grondslag van de kerk staan, maar de binding eraan werd, zoals men dat vanaf de Tweede Wereldoorlog verwoordde, dynamisch opgevat. Dat betekent dat de belijdenis meer een document van historische waarde werd dan dat zij relevant was voor het belijden van het geloof in het heden.
Dat was echter juist de reden dat de hervormd-gereformeerde richting in de Hervormde Kerk ernaar uitzag dat de Hervormde Kerk opgericht zou worden uit haar diepe val. Deze uitdrukking kreeg ook een plaats in de onveranderlijke statuten van de Gereformeerde Bond. Wanneer men zich niet langer onvoorwaardelijk aan de gereformeerde belijdenis wil binden, is beter dat aan te geven en ook duidelijk te maken wat wel van leerkrachten wordt verwacht. Dan is ook naar buiten toe duidelijk waarvoor men wil staan en dan kan iedereen zijn of haar afweging maken.
Mij valt telkens op dat breed in de huidige gereformeerde gezindte (ik voeg ‘huidige’ toe, omdat toen ik op de middelbare school de Gereformeerde Kerken nog helemaal bij de gereformeerde gezindte werden gerekend) hoofdzaken, middelmatige zaken, bijzaken en culturele praktijken nogal eens op één hoop worden gegooid. Ik kan voorbeelden noemen dat alles wordt verabsoluteerd, maar ook, zoals ik dat destijds als middelbare scholier ervoer bij leerkrachten behorend bij de Gereformeerde Kerken, alles wordt gerelativeerd.
Toen het Driestar-Wartburg-college voor leerkrachten het gebruik van de HSV vrijgaf, leidde dat, zo merkte ik, tot allerlei protesten, vragen op classes zelfs enz. Ik begreep dat er zelfs een kerkenraad was die ouders aanried hun kinderen niet naar het Driestar-Wartburg-college maar naar de Gomarus Scholengemeenschap te sturen en eventueel financieel steun wilde geven voor de extra kosten die dat met zich meebracht.
Zelf meen ik dat de vraag of men de SV dan wel de HSV leest, zelfs de kwalificatie bijzaak nog te veel is. Hier speelt namelijk dat men wil dat een jongere generatie de Bijbel blijft lezen en hoe men de consequenties van de taalkloof naar de negentiende-eeuwse hertaling van de SV die wij gebruiken inschat. Kan een leerling in de eerste klas van de middelbare school er goed of minstens redelijk goed mee overweg of niet? Als het antwoord negatief is, is bij de Bijbelvertalingen die nu beschikbaar zijn de HSV veruit de beste keuze.
Totdat ik zelf de bundel Christen-zijn actie en reactie. veranderen om gelijk te blijven las, had ik er nooit iemand over gehoord. Ook niet van de kerkenraad voor wie de kwestie SV/HSV zo gevoelig lag, dat zij vond dat ouders voor hun kinderen de voorkeur moesten geven aan de Gomarus Scholengemeenschap boven het Driestar-Wartburgcollege. Ik vrees dat dit niet de enige kerkenraad is die geestelijk onderscheidingsvermogen mist. Van vragen op classicale vergaderingen over de genoemde bundel heb ik evenmin iets vernomen. Hier ligt een groot probleem en dit moet voor ons een grote zorg zijn. Wat kunnen wij van jongeren verwachten als ouderen – tot geestelijke leiders toe – niet in staat zijn het gewicht van de dingen te onderscheiden? Als de jongeren het al leren, moeten zij meer dan eens zelf op oriëntatie uitgaan.
*
De katholieke, protestantse en gereformeerde belijdenis
Welke waarheden zijn nu fundamenteel? Allereerst dit dat God onze Schepper is en wij in Adam van Hem afscheid hebben genomen en daarom Gods toorn van huis uit op ons allen rust. Het wonder van het Evangelie is dat God Zijn Zoon naar deze wereld zond om de zonden te verzoenen, de dood te overwinnen en mensen te verlossen uit de heerschappij van de zonde en van de duivel. Het kruis en de opstanding van Christus vormen de kern van het christelijke geloof.
We krijgen deel aan Christus door een levend geloof en een levend geloof is nooit zonder vruchten. Daarom mag het Evangelie nooit vrijblijvend worden verkondigd maar moet het altijd gepaard gaan met bevel van bekering en geloof. Niet minder is dat de Heilige Geest met Zijn verborgen werking geloof en bekering in ons (be)werkt. Hij gebruikt het Woord om ons aan Christus te verbinden.
In de gereformeerde belijdenis wordt met de Vroege Kerk God als de Drie-enige God beleden en Jezus Christus als God Die mens werd. Er is sprake van twee naturen in één Persoon. Met Augustinus wordt betuigd dat christen worden en christen blijven een zaak van genade is en dat een christen tot zijn dood toe tegen zichzelf moet blijven strijden. Met de grote middeleeuwse theoloog wordt beleden dat Christus aan de eer en het recht van God genoeg heeft gedaan. Dit wordt feitelijk nog dieper verwoordt als de gereformeerde belijdenis het zo formuleert dat het niet straf was of genoegdoening maar het wegdragen van de straf door genoegdoening.
Wat de gereformeerde belijdenis met de anglicaanse en lutherse belijdenis verbindt en ook met latere baptistische, congregationalistische en methodistische belijdenisgeschriften is de boodschap van de rechtvaardiging door het geloof alleen. De geloofsartikelen van Gods onveranderlijke verkiezing en van de volharding der heiligen vinden we naast de gereformeerde belijdenisgeschriften ook in de anglicaanse belijdenis (die feitelijk een eigen vorm is van de gereformeerde belijdenis) en ook in congregationalistische en baptistische belijdenissen. Daarom mogen we zeggen dat de gereformeerde belijdenis ook katholiek is en tal van geloofswaarheden belijdt die ook protestanten die niet expliciet gereformeerd zijn belijden.
Wie God is, wie de Heere Jezus Christus is en hoe wij deel krijgen aan Hem, heeft God ons geopenbaard. Deze openbaring is schriftelijk vastgelegd in de boeken van het Oude en Nieuwe Testament. Dat de Schrift de hoogste en uiteindelijke bron en norm van ons geloof en onze geloofskennis is, heeft de Reformatie nadrukkelijk beleden, al was die overtuiging niet nieuw.
Wie daar kantekeningen bij gaat plaatsen, weet wel waar hij begint maar niet waar hij eindigt. Voor de een is het bijbelse en nieuwtestamentische getuigenis over de verhouding van man en vrouw tijdgebonden. Voor de ander geldt dat ook als het gaat om huwelijk en seksualiteit en een derde meent dat daarom dit breder geldt als het gaat om de tekening van de smalle weg en vraagt zich af of er, hoe dan ook, wel mensen verloren gaan. Niet iedereen komt van het een in het ander, maar als wordt losgelaten dat de Bijbel zondermeer de stem is van de levende God, missen we een vast ijkpunt en als men dan nog een ijkpunt heeft wordt dat in kerkgemeenschap gezocht: wat vindt die acceptabel en wat niet?
*
Strijden voor het geloof en omgaan met verschillen
In zijn brief roept Judas de broer van Jacobus en daarmee ook een broer van Jezus Zelf op om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. Het christelijke geloof heeft, zoals ik al aangaf, een bepaalde inhoud. Christus Die God bleef maar als mens geboren werd uit de maagd Maria heeft plaatsvervangend de toorn van God weggedragen. Gods Kerk belijdt: Hij is gestorven voor onze zonden.
Het is de Heilige Geest Die het Woord van God, de boodschap van Wet en Evangelie gebruikt om ons aan Christus te verbinden. We worden een levend lid van Gods Kerk door wedergeboorte. Wie in Christus is gaat de begeerte gevoelen naar al Gods geboden te leven. Dagelijks moet hij daartoe de toevlucht nemen tot Christus en altijd weer is er reden om aan God te vragen of hij onze zonden wil vergeven. John Newton die vooral bekend is door zijn lied Amazing Grace beleed: Ik ben niet meer die ik eerst was (namelijk geestelijk blind en inmiddels mocht hij zien; P.d.V.) maar ik ben ook nog niet wat ik eenmaal hoop te zijn (namelijk volkomen gelijkvormig aan Christus; P.d.V.).
Bij verschillen moeten we bewaard worden voor bitterheid. Hen die echt andere wegen bewandelen moeten wij voor Christus zoeken te winnen en dat gaat verder dan aantonen dat zij fundamenteel dwalen. Als verschillen de zaligheid niet raken moeten wij dat durven benoemen, al mogen we vurig hopen dat mensen ook in die zaken voor een naar onze diepste overtuiging meer bijbelse visie worden gewonnen. Lankmoedigheid moet er al helemaal zijn in bijzaken en bij culturele zaken geldt: zo zijn wij het gewoon. Hebben anderen andere gewoonten, dan deert ons dat niet. Echter, laten wij niet nalaten uit te komen voor die zaken die de eeuwige zaligheid raken.
Newton, die zelf anglicaan was, had vrienden onder de dissenters (de Engelse afgescheidenen). Hoewel hijzelf overtuigd was van het goed recht van het dopen van kinderen behoorden meerdere baptistenpredikanten tot zijn geestelijke vrienden. Newton was ook een onverdacht calvinist die zonder reserve de leer van Gods soevereine verkiezing en van de volharding van de heiligen beleed. Heel duidelijk blijkt dit laatste ook in zijn lied Amazing Grace.
Toch was Newton er niet minder van overtuigd dat men een onjuist zicht op Gods eeuwige verkiezing kan hebben en toch een kind van God kan zijn. Concreet ging het in zijn tijd daarbij om de wesleyaanse methodisten. Zij meenden dat de boodschap van Gods eeuwige verkiezing het onmogelijk maakte zondaren op te roepen tot bekering en vreesden vooral dat deze boodschap een onheilige wandel zou bevorderen. Degenen die haar belijden zouden kunnen menen dat zij ondanks een onheilige wandel toch wel het koninkrijk van God binnengaan, omdat God nooit verlaat wat Zijn hand begon.
Newton wist juist dat wie zichzelf beter leert kennen er van overtuigd raakt of er des temeer van overtuigd wordt dat wij alleen veilig thuis komen omdat het van het begin tot het einde genade is. Echter, met wesleyaanse methodisten die betuigen dat God Zelf hen had getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht voelde hij zich toch verbonden. Hun beleving was voor hem beter dan hun leer deed vermoeden. In ons land zei de grote Herman Bavinck dat elke christen op zijn knieën een calvinist is, ook al is niet elke christen het met zijn verstand.
In de negentiende eeuw hadden de presbyteriaan Robert Murray M’Cheyne, de baptist Charles Haddon Spurgeon en de anglicaan J.C. Ryle dezelfde instelling. Als het ging om de volkomen betrouwbaarheid en het absolute gezag van de Schrift wilden zij van geen concessies weten. Dat gold ook van de boodschap van verzoening door voldoening en van wedergeboorte en voor de realiteit van het toekomende oordeel met de daaraan verbonden eindbestemmingen: eeuwig zalig of eeuwig rampzalig. Heel ernstig hebben allen gewaarschuwd tegen de gedachte dat deelgenootschap aan de sacramenten – en dat werd niet uitsluitend maar toch wel in het bijzonder met betrekking tot de doop genoemd – nog geen deelgenootschap aan Christus betekent. Wie gedoopt is heeft als hij geen levend geloof heeft, geen deel aan Christus.
Aan het einde van zijn leven raakte Spurgeon verwikkeld in wat bekend staat als de Down Grade Controversy. Deze twist begon in 1887 en zou voortduren tot de dood van Spurgeon. De katalysator van deze twist was een artikel in The Sword and the Trowel van Robert Shindler, een van Spurgeons medewerkers. Deze had gesignaleerd dat voorgangers hun gemeenten meenamen in een neergang (Down Grade). In een aantal volgende artikelen haakte Spurgeon daarop in. Hij schreef in dit verband: ‘Overal wordt de roep om eenheid gehoord, maar naar onze overtuiging is het eerste dat onze tijd nodig heeft geen compromis, maar plichtsgetrouwheid (…) Liefde natuurlijk, maar dan zowel liefde tot God als tot de naaste en liefde tot de waarheid niet minder dan liefde tot eenheid.’
Hij noemde in zijn artikelen de verminderde aandacht voor het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus, het niet nadrukkelijk opkomen voor de noodzaak van een bovennatuurlijke wedergeboorte, het zwijgen over, of het ter discussie stellen van de eeuwigheid van de rampzaligheid en het relativeren van het gezag van de Schrift. Het was voor Spurgeon onbegrijpelijk dat vele predikanten die zelf van de onfeilbaarheid van de Bijbel overtuigd waren, het Evangelie van verzoening door voldoening predikten, en van de noodzaak van wedergeboorte overtuigd waren, nalieten hun stem te verheffen. Zelf heeft hij het wel gedaan.
Dat laatste deed ook Ryle in de Kerk van Engeland (Anglicaanse Kerk). Dan wijs ik allereerst op een bundel van zijn hand die in Nederland uitkwam onder de titel Het hart van het christelijk geloof. Ryle was zoals zijn biograaf Iain H. Murray aangaf bereid om alleen te staan (prepared to stand alone). Daarnaast noem ik de bundel Warnings to the Churches (Waarschuwingen aan de kerken).
Ik ben er diep van overtuigd dat Spurgeons woorden en de houding van Ryle zeer relevant zijn. Ik denk in dit verband ook aan het verschil tussen Erasmus en Luther. Erasmus deelde met Luther de bezwaren tegen de haarkloverij van scholastieke theologen. Evenals Luther constateerde hij vele misstanden in de kerk van zijn dagen. De wegen van Luther en Erasmus gingen echter uiteen als het ging om de betekenis van het leerstellige karakter van het christelijke geloof. Juist op dat terrein wenste Luther in onderscheid met Erasmus een reformatie.
Erasmus had geen vragen bij de geloofsartikelen als de Drie-eenheid, de tweenaturenleer en de maagdelijke geboorte. Als het ging om de reikwijdte en ernst van de erfzonde, vond hij dat een minder belangrijke kwestie. Het antwoord liet hij graag aan de kerkelijke autoriteiten over en die volgden daarin de grote kerkvader Augustinus niet zondermeer. Erasmus meende dat de Schrift op dit punt niet duidelijk was. Dat gold volgens hem ook in andere opzichten. Daarom moesten we maar niet te stellige uitspraken doen. Voor Erasmus lag de betekenis van het christelijke geloof allereerst op het terrein van de levenswandel. We moeten in de levenswandel Christus navolgen.
Luther heeft nooit de noodzaak van goede werken – en daarmee van gelijkvormigheid aan Christus – ontkend. Echter, de grote vraag waarop de Schrift ons antwoord geeft, is hoe God ons met Zichzelf verzoend en naar Zichzelf toetrekt. In het werk De libero arbitrio diatrie save collatio Verhandeling of bijdrage over de vrije wil) maakte Erasmus duidelijk dat hij niet op één lijn zet met Luther.
In het licht van de vraag hoe wij moeten denken over de reikwijdte van de erfzonde doet hij de uitspraak: ‘Stellige beweringen bevallen mij niet.’ Deze zienswijze van Erasmus houdt verband met het feit dat hij ontkent dat de Schrift in zichzelf helder en duidelijk is. Ook als dit niet het geval is moeten we het oordeel over een kwestie als deze overlaten aan het kerkelijke gezag. Een strijd over deze zaak zou alleen maar afbreuk doen aan liefde die christenen voor elkaar behoren te hebben.
In reactie op het werk van Erasmus schreef Luther De servo arbitrio (Over de gebonden wil). Terwijl Erasmus meende dat de vraag naar de ernst en omvang van de erfzonde een zaak van weinig gewicht is, stelt Luther juist precies het omgekeerde. Niet voor niets rekent hij zijn werk De servo arbitrio (Over de gebonden wil) onder de belangrijkste werken die hij heeft geschreven.
Luther stelt dat alle inhouden van de Schrift volkomen zijn uitgesproken, al zijn sommige teksten nog duister door onbekende taalelementen. Alles wat in de Schrift vervat is, is door het woord in een licht van grote zekerheid gebracht, aan de hele wereld kenbaar. Wat de Schrift meedeelt of getuigt, ligt niet alleen open maar dient ook tot ons heil. De Heilige Geest is namelijk geen scepticus. Hij heeft in onze harten geen onzekere dingen of loutere vermoedens geschreven maar stellige overtuigingen, zekerder en vaster dan het leven zelf en alle ervaring.
Ongetwijfeld was Erasmus een groot geleerde en op het terrein van de pedagogie heeft hij waardevolle inzichten naar voren gebracht. Als theologische gids schiet Erasmus echter ernstig tekort. Luther verwoordde het zo dat op het terrein van de theologie Erasmus nog blinder was dan een mol. Mij verontrust en raakt het als ook binnen de gereformeerde gezindte stemmen klinken waarbij ook theologisch Erasmus juist boven Luther wordt geplaatst. Dat men zich dan niet meer echt thuis voelt bij de gereformeerde belijdenis behoeft geen betoog.
Met Kohlbrugge zeg ik echter: ‘De Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houdt daaraan vast.’ Dan gaat het om de boodschap van de ene naam, de twee wegen en de drie stukken.’ Deze boodschap mag en moet in de opvoeding, op de scholen, in de catechisatielessen en in prediking worden doorgegeven. Laat iedereen op zijn of haar plaats getrouw zijn. Dan weten we als de HEERE de stad niet bewaakt de wachter tevergeefs waakt maar ook dat als Hij gaat werken niemand dat kan tegenhouden. Laten wij in getrouwheid anderen de weg wijzen naar het nieuwe Jeruzalem en zelf betonen dat wij die weg bewandelen. Laten wij onbekrompen maar ook ondubbelzinnig het ons toevertrouwde pand bewaren en dat kan alleen door de kracht van de Heilige Geest. Gedurig moeten we smeken dat die Geest in ons woont en werkt.
Als het gaat om de wijze waarop ikzelf in de kerk sta, heb ik altijd gezegd: Ik ben (hersteld) hervormd zoals Ryle anglicaan was. Ryle riep hen die tot de Kerk van Engeland behoorden ertoe op deze kerk trouw te blijven als in eigen parochie het Evangelie werd gebracht. Was dat niet het geval dan gaf hij het advies naar een naburige parochie te gaan. Als dat geen optie was, was de weg het Evangelie buiten de Kerk van Engeland te gaan beluisteren. Ryle zei het zo: ‘Nergens kan ik in de Bijbel lezen dat wij 52 zondagen per jaar onze ziel mogen laten vergiftigen.’
Gods Kerk is overal waar het Evangelie klinkt van verzoening, vergeving en vernieuwing enkel uit genade. God kan de kandelaar wegnemen waar hij scheen en plaatsen waar hij nooit heeft geschenen of al lang niet meer scheen weer laten schijnen. Wij hebben geen recht dat God met Zijn Evangelie bij ons blijft. We mogen Hem er wel vurig om vragen en dan niet pleiten op persoonlijke of kerkelijke kwaliteiten. Dan mogen we grote dingen van God verwachten. Mijn diepe wens is dat ook in de eenentwintigste eeuw in Nederland kerkelijk wonderen mogen gebeuren. Zou er iets voor God onmogelijk zijn?