In 2001 schreef ik in het voorjaar in een van de nummers van de Veluwse Kerkbode iets wat ik nu graag in deze bijdrage doorgeef:
Wij hebben niets verdiend. Als ouders moeten we leren dat ook onze kinderen Gods gramschap dubbel waardig zijn. Zij kunnen Gods koninkrijk niet zien, tenzij zij wedergeboren worden. Dan is het voornaamste: ‘Och Heere, red de ziel van mijn kind, opdat zij U leert loven.’ Vurig was en is ook het gebed of dochter Hanna mocht herstellen. De Heere, Die niets aan ons verplicht is, is een God die boven bidden en denken hoort.
In deze dagen heb ik bijzonder mogen ervaren dat de doop van onze kinderen voor ouders een machtige pleitgrond is. Er worden mensen zalig omdat God naar Zijn eeuwig welbehagen zondaren trekt uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht. Het verbond der genade is de uitdrukking in de tijd van Gods eeuwige liefde tot al de Zijnen. Dat is een liefde zonder einde, omdat het een liefde zonder begin is. Zoals Hij Abraham met het geloof begiftigde, zodat deze in die God leerde geloven Die goddelozen rechtvaardigt, zo doet God het nog. Hij schenkt blinden het lieflijk licht. Zalig worden is enkel genade. Wie God werkelijk leert kennen, leert Hem kennen als de God van volkomen zaligheid. Zo worden we persoonlijk de schatten en zegeningen van het verbond der genade deelachtig.
Een andere weg dan deze weg waarbij wij ontdekt worden aan onszelf en afgebroken in onszelf opdat Christus gestalte in ons krijgt, is er niet. Calvijn heeft over de kinderdoop het volgende opgemerkt: ‘Want het teken Gods, dat het kind medegedeeld wordt, bevestigt als door een ingedrukt zegel de belofte, die de vrome ouders is gegeven, en verklaart, dat het zeker is, dat de Heere niet alleen hun, maar ook hun zaad tot een God zal zijn, en dat Hij niet alleen hen met zijn goedheid en genade wil bejegenen, maar ook hun nakomelingen tot in het duizendste geslacht. En daar de grote goedertierenheid Gods zich hierin vertoont, geeft ze in de eerste plaats een zeer ruime stof om zijn heerlijkheid te verkondigen en doordringt ze de vrome harten met buitengewone blijdschap, waardoor ze tegelijkertijd krachtiger aangevuurd worden om een zo liefhebbende Vader wederliefde te bewijzen, van wie ze zien, dat Hem om hunnentwil ook hun nakomelingschap een voorwerp van zorg is.’
Als je deze dingen overdenkt, blijven alleen lof, dank en verwondering over. Ik heb als vader machteloos bij het bed van mijn kind gestaan, maar de hemelse Vader is Almachtig. Wat Zijne liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet. Dan is er ook het gebed: ‘Leer onze kinderen zo ook de doop en de beloften Gods waarvan de doop als teken en zegel is te verstaan. Onderwijs ze toch Heere, opdat zij de dood in zichzelf en het leven in Christus vinden en door de liefde van Christus gedrongen tot Uw eer begeren te leven.’
Ik voeg er nog een woord van Calvijn aan toe wat ik in een daarop volgend nummer van de Veluwse Kerkbode citeerde: ‘Dit zij de hoofdzaak: Zodra ook de minste droppel van het geloof in onze harten is ingedruppeld, beginnen wij reeds het vriendelijke en liefelijke en ons goedgunstige gelaat Gods te aanschouwen, weliswaar uit de verte en op een afstand, maar toch met een zo vaste blik, dat wij weten, dat wij allerminst het ons slechts inbeelden. Naarmate wij dan vorderingen maken, zoals wij voortdurend moeten doen, komen wij, als het ware naderend, tot een aanschouwing van meer dichtbij en die daardoor des te zekerder is, en die wordt ons bij de voortgang steeds meer vertrouwd. Zo zien wij, dat het hart, door de kennis Gods verlicht, in het begin bevangen is met veel onwetendheid, die langzamerhand verdwijnt. Toch wordt het niet, doordat het sommige dingen niet weet, of wat het ziet, enigszins onduidelijk ziet, verhinderd om een duidelijke kennis van Gods wil jegens hem te genieten, wat in het geloof de eerste en voornaamste rol speelt. Want evenals wanneer iemand, die, in de gevangenis opgesloten door een klein venster de stralen van de zon slechts van terzijde en als het ware ten halve ziet schitteren, wel beroofd is van het vrije aanschouwen der zon, maar toch met zijn ogen geen twijfelachtige glans opvangt en het gebruik daarvan ontvangt, zo worden wij, hoewel we gebonden zijn door de boeien van het aardse lichaam en met veel duisternis aan alle kanten worden omschaduwd, toch, ofschoon Gods licht slechts een weinig ons bestraalt om zijn barmhartigheid te doen zien, voldoende verlicht om een grondige gerustheid te verkrijgen.’