Zó zeer enigen op de eenheid [of eendracht; eensgezindheid; overeenstemming] van liefde aandringen, zó zeer moeten wij aandringen op de eenheid van de leer en van het geloof. Wanneer zij deze onaangetast laten dan willen wij samen met hen ook de eenheid van de liefde prijzen, die toch onderworpen is aan de eenheid van het geloof en de Geest. Want als men deze verliest, dan hebt u Christus verloren, wanneer Hij echter weg is, dan heeft ook zeker het leven in liefde geen nut meer.
Wanneer u [zelf] daarentegen de eenheid van de Geest en de liefde behoudt kan niets u meer schaden; zelfs als u het met hen niet eens bent, die het Woord verdraaien en daardoor de eenheid van Geest verdelen en nalaten. Daarom wil ik liever, dat niet alleen zij, maar ook de hele wereld van mij afvalt en mijn vijand wordt, dan dat ik van Christus zou afvallen en Hem als vijand moest hebben.
Voor degenen die Christus liefhebben en Zijn Woord recht leren en geloven, geven wij onszelf over, dat wij niet alleen vrede en eenheid willen houden, maar geheel en van harte, willen wij ook al hun zwakheden en zonden dragen en verdragen, willen hen ook graag door de Geest van de zachtmoedigheid onderwijzen als zij gevallen zijn.
[In epistolam S. Pauli ad Galatas Commentarius, (1531) 1535, WA 40.2, 136, 28 – 137, 14]