Als het goed is heeft het uitzien naar de wederkomst van de Heere Jezus Christus een centrale plaats in ons geloofsleven en vragen wij er elke dag om. Welke gebeurtenissen gaat er vooraf aan Zijn wederkomst en welke volgen erop? Die vragen worden verschillend beantwoord. Dat geldt zeker ook als het gaat om de betekenis van het duizendjarige rijk waarover Johannes het boek Openbaring schrijft. Onlangs verscheen van mijn hand een klein boekje over de leer van de eschatologie met als focus de betekenis van het visioen van het duizendjarige rijk. Hieronder volgt het woord vooraf uit dit boekje.
Woord vooraf
Dit boekje gaat terug op een lezing die ik op vrijdag 26 september 2025 hield op een studiedag georganiseerd door ‘Hart voor de Gemeente’. Het thema van deze conferentie was de eschatologie of de leer van de laatste dingen met de focus op het verstaan van de passage over het duizendjarige rijk die wij vinden in Openbaring 20:1-10.
Thijs van Reijn verdedigde deze dag het prechiliasme en wel in zijn dispensationalistische vorm. Het prechiliasme plaatst het duizendjarige rijk na de wederkomst maar vóór het laatste oordeel. Daarbij stelt het dispensationalisme dat de nieuwtestamentische gemeente zeven jaar vóór de wederkomst wordt opgenomen in de hemel. Chris Verhagen vertolkte het postchiliastische standpunt. Dan wordt het duizendjarige rijk gezien als de glorierijke slotfase van deze bedeling, een slotfase die na een laatste opstand van machten die zich tegen God en Christus verzetten, wordt gevolgd door het laatste oordeel.
In dit boekje vindt u niet alleen een uitwerking en uitbreiding van de lezing die ik destijds hield, maar schenk ik ook uitvoerig aandacht aan de wijze waarop het Joodse volk ter sprake komt in het boek Openbaring. Expliciet wordt daar namelijk niets van gezegd. Toch is het Joodse volk erin aanwezig. Dat maak ik duidelijk door te laten zien hoe de eerste lezers op dit punt het boek Openbaring hebben begrepen.
Zelf heb ik op de bewuste studiedag uiteengezet dat zowel in de context van het boek Openbaring als in het geheel van het Nieuwe Testament, het duizendjarige rijk slaat op de heerschappij van Christus samen met de ontslapen heiligen. Vanuit de hemel wordt de aarde geregeerd en wordt de gemeente van Christus beschermd, zij het dat zij vlak vóór de wederkomst door een zeer donker dal zal gaan. Deze visie staat bekend als amillennialisme maar feitelijk is dat een minder juiste aanduiding. Immers, ook bij deze zienswijze zijn het koningschap en de regering van Christus een realiteit.
Het is wel goed te beseffen dat er binnen elk van de drie hier geschetste zienswijzen varianten zijn en dat de ene vertegenwoordiger van een bepaalde zienswijze andere accenten legt dan de andere. Zo ben ik zelf – en dan bevind ik mij overigens in het gezelschap van onder andere Athanasius en Augustinus – ervan overtuigd dat het Joodse volk ook onder de nieuwe bedeling een bijzondere plek houdt in Gods bedoelingen.
Altijd zal er binnen de nieuwtestamentische gemeente een Joodse rest blijven en nog vóór de wederkomst van Christus zal het Joodse volk massaal tot de erkenning komen dat niet alleen Jezus de Christus is, maar dat Hij ook God is Die mens werd en Die plaatsvervangend stierf aan het kruis en de dood overwon. Ik houd de mogelijkheid open dat de bekering van het Joodse volk tot een opbloei van de nieuwtestamentische gemeente in de volkerenwereld leidt. En dat zijn dan weer verwachtingen die lang niet alle zogenaamde achiliasten delen.
Het belangrijkste blijft hoe dan ook dat wij voorbereid zijn op de wederkomst van Christus en op het laatste oordeel, hoe we ook precies denken over het verloop van de dingen die ons nog wachten. We dienen voorbereid te zijn op het feit dat wij eenmaal moeten verschijnen voor de rechterstoel van Christus. Sterven we daaraan voorafgaand, dan worden, als wij Hem toebehoren, eerst onze lichamen in heerlijkheid opgewekt. Leven wij nog als Christus wederkomt, dan zal als wij Hem toebehoren, ons lichaam in een punt des tijds – om de woorden van de Statenvertaling te gebruiken – worden veranderd en verheerlijkt (1 Kor. 15:51-52).
Nooit mag de zienswijze die wij hebben over het verloop van de dingen als het einde van deze geschiedenis nadert, ons afhouden van het bevel dat wij moeten waken en bidden en onze wandel in de hemel moet zijn van waaruit wij Christus de Zaligmaker verwachten (Filipp. 3:20). Wij hoeven er ook niet aan te twijfelen dat Christus al degenen die de Vader Hem heeft gegeven, vóór het laatste oordeel tot Zich zal hebben getrokken (Joh. 6:37-40; 12:32). Het hoogste wat wij mogen verwachten is toch dat we God zullen zien zoals Hij is, en voor eeuwig het loflied van het Lam Dat ons kocht met Zijn bloed (1 Joh. 3:1; Openb. 5:9; 14:3).
Dan gaat het gebed van de Heere Jezus Zelf in vervulling dat Hij bad in de nacht waarin Hij werd verraden: ‘Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.’ (Joh. 17:24) Er is dan maar één ding dat telt namelijk of wij Hem hier op aarde hebben lief gekregen, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven (vgl. Joh. 21:15-17; Gal. 2:20; 1 Joh. 4:19). Immers, ‘Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maranatha!’ (1 Kor. 16:22).
Hij komt, Hij komt om d’ aard’ te richten. Toekomstverwachting en de visie op het duizendjarige rijk (Tholen: Lucasboeken, 2026), paperback 76 pp., €12,90 (ISBN 978-9490165970)