Vr. Wat is een waar geloof?
Antw: Een waar geloof is een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil.
(Vraag en antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus)
Het oprechte geloof hebben wij allen nodig. Wie dit geloof niet heeft, gaat voor eeuwig verloren. En geliefden, het is nog te verkrijgen. Gods Woord leert ons, dat wie geloofd zal hebben, zalig zal worden. En dat de ziel die in de Zoon gelooft, het eeuwige leven heeft. En u die dit oprechte geloof nog mist, geve de Heere te beleven dat u gaat beseffen, dat u verloren ligt en schuldig bent tegenover Hem. Ja, u kunt daarom niets anders verwachten dan de eeuwige dood en de ontzaglijke verdoemenis. De God van alle genade doe in u de vraag geboren worden om genade: ‘Zou die rechtvaardige en heilige God mij nog genadig willen zijn?’ Voor die zaak van eeuwig wel of eeuwig wee dienen onze ogen geopend te worden. Als kerkelijke mensen kunnen wij veel belijden en zelfs achting hebben voor Gods volk, maar tegelijk blind zijn voor onze verloren en schuldige staat en toestand voor God. De Bijbel leert ons, dat een onbekeerd mens ligt onder het oordeel van God. Wij zijn van nature allen kinderen des toorns, zegt het Doopformulier.
Echter, als de Heere ons het oprechte geloof schenkt, dan geloven wij het oordeel van God over ons leven. Het gevolg hiervan is, dat we met ons oude leven niet verder kunnen. Het kan met ons leven, net als met het water van de zee, nog wel een tijd op en neer gaan. Als we alleen met de algemene werking van Gods Geest te maken hebben, is het bij ons slechts consciëntiewerk. En daar kunnen wij overheen werken met gedachten, woorden en daden. Maar als God zaligmakend in ons werkt, dan kunnen wij niet verder gaan met ons oude, ongehoorzame leven. De Heere werkt op Zichzelf aan. Dan steunen we niet meer op deze man of die vrouw, maar de Heere moeten we hebben. Hij is het allerhoogst en eeuwig goed. Het zaligmakende geloof werkt alleen op Hem aan.
O geliefden, als we daarnaar hunkeren, zal God Zelf uw Leidsman zijn. Het is een onuitsprekelijk voorrecht om zich door de Heere te laten leren. Om niet meer te kunnen en te willen leven zonder het onderwijs van Hem. In die weg zal het Woord van God dierbaar worden. Alleen een begenadigd mens leert dat kennen. Zij zouden Gods Woord wel aan hun hart willen drukken. De oorzaak daarvan is, dat hen in dat Woord de Parel van grote waarde is geopenbaard. Ook krijgen zij een hoogachting voor Gods volk. Zij kunnen in dat volk geen zonde meer zien.
Nog eens geliefden. Wij moeten het in ons leven met God eens zijn geworden, want al het andere neemt de schuld niet weg. Deze taal dient ons niet vreemd te zijn: ‘Ik heb de hel verdiend. De zondeschuld moet worden betaald. God kan van Zijn recht geen afstand doen. Is er nog een middel tot verlossing?’ Als u deze hartetaal nog mist, dan geve de Heere, dat u maar veel op uw knieën wordt gevonden in gebed: ‘Heere, leert U het mij, want ik weet de weg niet.’ Geliefden, kniel met uw ongeloof aan de voeten van de Middelaar, want alleen Hij kan uw boeien van ongeloof en vijandschap verbreken. Ach, zie naar Hem uit, opdat Hij tot u mag zeggen: ‘Ik ben uw heil. Ik ben de uwe.’ En in die weg wordt u van uzelf verlost. Amen.
ds. D. Th. Keck
*
Wie was ds. Keck?
D(iederik) Th(eodorus) Keck werd op 2 juni 1878 geboren in de hoofdstad van Friesland. Zijn familie was afkomstig uit Duitsland. Het gezin verhuisde uit Leeuwarden naar de residentie van ons land, ’s-Gravenhage. Na lager en voortgezet onderwijs genoten te hebben, studeerde hij de Franse taal. In verband hiermee bezocht hij Parijs. Daar ontmoette hij mensen van het Leger des Heils. Het gevolg hiervan was, dat hij van studierichting veranderde en aan de universiteit in Utrecht theologie ging studeren. In het jaar, waarin hij beroepbaar werd, trouwde hij met mej. C.A.L.Beijen. Zij was Zwitserse van geboorte. Hun huwelijk werd met meerdere kinderen gezegend.
Op 23 oktober 1904 nam ds. Keck voor het eerst de herdersstaf als predikant op en wel in de Nederlandse Hervormde Kerk te Est en Opijnen (Betuwe). Toen ds. Keck zijn bediening begon, behoorde hij tot de ethische richting in de Nederlandse Hervormde Kerk. In zijn studententijd had hij intensief contact met zijn studiegenoot P. Zandt die bij de gereformeerde leer was opgevoed en daar aan het einde van zijn studententijd ook innerlijk voor werd gewonnen.
In zijn eerste gemeente werd ook ds. Keck voor de gereformeerde leer gewonnen. Hij kwam tot bekering en dat was merkbaar in zijn prediking. Vervolgens stond hij te Zuilichem(1907-1914) en in Bergambacht (1914-1916). In laatst genoemd jaar ging hij met een groot gedeelte van de gemeente, vanwege een doopkwestie, kerk houden in een school. In 1919 legde hij het ambt van predikant neer. Hij ging veel om met gezelschapsmensen, zoals Jan Geense en zijn vrienden. In 1923 deed hij schuldbelijdenis en werd opnieuw dominee in de Nederlandse Hervormde Kerk.
In Garderen, waar ds. P. Zandt hem bevestigde, was hij predikant van 1923-1927, daarna in het Betuwse Heteren (1927-1930). Staphorst werd zijn laatste gemeente, waar hij het langst stond, dertien jaar. Hier ging hij met emeritaat op 26 november 1943. In de volgende periode was hij verbonden aan de evangelisatie ‘Elim’ te Zwolle. Toen hij bij zijn dochter in Heteren was, moest hij door oorlogsomstandigheden evacueren. Door deze oorzaak kwam hij in Tilburg terecht bij vrienden. Daar stierf hij op 20 januari 1945. Een paar dagen later werd hij in deze Brabantse stad ter aarde besteld op het kerkhof ‘Vredehof ‘.
Ds. Keck was een man van grote ernst, hoge achting voor Gods deugden en eerbiedige ijver voor ‘s Heeren huis. Zijn prediking is Schriftuurlijk-bevindelijk te noemen, waarin hij goede pastorale aandacht had voor zoekende zielen naar Christus. Ook verkondigde hij duidelijk het onderscheid tussen wijze en dwaze maagden. Deze dominee dacht klein van zichzelf, was ootmoedig in de omgang en zag hoog op tegen Gods volk. De Duitse bezetting van ons land zag hij als een oordeel van God. Tijdens zijn verblijf in Zuilichem was hij bevriend met zijn collega ds. G. van Velzen, van de Gereformeerde Kerk. Ook correspondeerde hij in die tijd met ds. J. P. Paauwe. Zijn vrouw stierf in 1982 op de leeftijd van honderd jaar. De catechismuspreek over ‘Het oprechte geloof’, naar aanleiding van Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus, werd gehouden in de middagdienst van zondag 16 juli 1944