De Joodse Messias Jezus en Zijn Joodse apostel Paulus

Ter gelegenheid van de 65e verjaardag van de toonaangevende Duitse nieuwtestamenticus Rainer Riesner verscheen een bundel waarin studenten en collega’s van Riesner aandacht vragen voor de continuïteit en discontinuïteit tussen jodendom en christendom. Vanuit die optiek onderzoeken zij de bediening van zowel Jezus als Paulus. Dan gaat het niet alleen om de relatie daarvan tot het Oude Testament en het Jodendom van de Tweede Tempel, maar ook om het hedendaagse Jodendom. Aan de orde komt ook de verhouding van Paulus tot de verkondiging van Jezus volgens de synoptische traditie.

De bundel opent met een artikel van Thomas Pola over de werken van de Gezalfde naar aanleiding van Matt. 11:2-6. Pola laat zien dat de daden van Jezus ons laten zien dat de verwachte eindtijd en heilstijd voorzegd in onder andere Jesaja 35 is aangebroken. In Zach. 6:9-15 wordt de bouw van de tempel als het werk van de Messias getekend. Het tempelwoord uit de synoptische evangeliën en de tempelreiniging beschreven in het vierde evangelie laten ons zien dat deze oudtestamentische belofte vervuld wordt in de dood en opstanding van Jezus. Veelzeggend is dan dat Jezus het subject van handelen is in relatie tot een profetie waarin de HEERE het subject is.

De heerlijkheid die in het Oude Testament met het heiligdom is verbonden, wordt in de nieuwe bedeling zichtbaar in Jezus. Daarom kon Johannes betuigen: ‘Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd’ (Joh. 1:14). Pola oppert de mogelijkheid dat de vermelding dat de tempelreiniging vlak voor het paasfeest plaatsvond (Joh. 2:13) ook een theologische betekenis heeft. Inwijding van het heiligdom vond rond het Paasfeest of Loofhuttenfeest plaats.

Pola had er nog op kunnen wijzen dat volgens Ezechiël de tempel tweemaal per jaar gereinigd wordt, namelijk op de eerste van de eerste maand (voorafgaande aan het Paasfeest) en op de eerste van de zevende maand (voorafgaande aan het Loofhuttenfeest). Zeker gezien de vele zinspelingen op Ezechiël in het vierde evangelie, is het zeer waarschijnlijk hier ook het geval. Zoals de terugkeer van de heerlijkheid van de HEERE die Ezechiël in Ezechiël 43 voorzegde, gestalte kreeg in de menswording van het Woord, zo laat de tempelreiniging zien dat Jezus de in Ezechiël 45 beschreven reiniging van de tempel voltrekt.

In de bijdrage van Roland Deines wordt de claim dat Jezus de Messias is in de context van de vroeg-Joodse Messiasverwachtingen geplaatst. In alle nieuwtestamentische boeken met uitzondering van 3 Johannes wordt de titel Christus voor Jezus gebruikt. Dat laat zien hoezeer de eerste christenen ervan overtuigd waren dat Jezus de beloofde Christus is.

Bij de zogenaamde derde zoektocht naar de historische Jezus plaatst men Jezus in de context van het vroege Jodendom. Terecht plaatst Deines hier een belangrijke kanttekening bij. Er wordt te weinig rekening mee gehouden dat God werkelijk iets nieuws kan doen dat al het bestaande overtreft. Daarbij moeten we niet vergeten dat fenomenologisch gezien ook de boeken van het Nieuwe Testament bij de literatuur van het vroege  Jodendom behoren.

De synoptische evangeliën tekenen Jezus als een messiaanse Schriftuitlegger Die weet dat de oudtestamentische Messiasverwachting in Hem tot vervulling komt. Terecht stelt Deines dat wij vorming als Schriftgeleerde in de lijn van de farizeeërs en charismatische begenadiging niet als een tegenstelling moeten zien. Die twee kunnen samengaan.

Deines gaat ervan uit dat het voorgeslacht van Jezus in de Hasmonese tijd naar Galilea is getrokken en men de nieuwe woonplaats die men stichtte welbewust de naam Nazareth gaf als zinspeling op de oudtestamentische profetieën van de Spruit. We moeten wel beseffen dat dit een hypothese blijft, hoe aantrekkelijk hij ook is. Dat in de eeuwen vóór de jaartelling onder de nazaten van David de verwachting van de komst van Davids grote Zoon een buitengewone plaats had, is waarschijnlijk.

Hoe is de relatie tussen de boodschap van Jezus zelf vóór Pasen en de boodschap over Christus na Pasen volgens de synoptische evangeliën? Op deze vraag gaat de bijdrage van Emmanuel L. Rehfeld in. De auteur laat zien dat de synoptici de geschiedenis van Christus vóór Pasen in het licht van Zijn opstanding vertellen. Daarbij kon men aansluiten bij wat Jezus over Zichzelf had gezegd en ook wat anderen bij Hem hadden opgemerkt. Rehfeld wijst op de uitzonderlijke betekenis van de belijdenis van de heidense hoofdman bij het kruis. Deze erkent volgens Mattheüs en Markus dat Jezus de Zoon van God was en volgens Lukas dat Hij rechtvaardig was. Bij de weergave van Lukas gaat het erom dat de hoofdman ziet dat Jezus de rechtvaardige knecht van God is over wie Jesaja sprak.

Armin D. Baum vraagt in het door hem geschreven artikel aandacht voor de mondelinge overlevering achter de synoptische evangeliën. Hij beargumenteert dat men behoorlijke overleveringen in exact dezelfde woorden kon memoriseren. Als dat waar is, hoeven Mattheüs en Lukas niet per definitie een schriftelijke vorm van Marcus onder ogen te hebben gezien en is dat een argument om meer openheid ten opzichte van de synoptische kwestie (de relaties tussen de drie eerste evangeliën) te tonen dan veelal in de nieuwtestamentische wetenschap wordt betracht.

Volker Gäckle schrijft over de uitdrukking basileia tou theou in de verkondiging van Jezus en de brieven van Paulus. Vanaf de negentiende eeuw won de gedachte veld dat de bewuste uitdrukking allereerst koningschap van God betekent. Gäckle bestrijdt deze opvatting. In bijna alle gevallen heeft de uitdrukking basileia tou theou een ruimtelijk aspect. Dan kan onder andere gewezen worden op ingaan in het koninkrijk van God, beërven van het koninkrijk van God.

Basileia tou theou wijst op de door de profeten voorzegde heilstijd die met de komst van Jezus heel dichtbij is gekomen. Wanneer Gäckle stelt dat basileia tou theou altijd toekomstig is, hoezeer deze werkelijkheid ook nabij is, kan ik hem daarin niet volgen. Het kan niet anders dan dat met de komst van de Koning ook Zijn koninkrijk al een tegenwoordige gestalte heeft.

Als het gaat om de brieven van Paulus, dan komt weliswaar de uitdrukking basileia tou theou slechts een enkele maal voor. Bij hem staat het gebruik altijd in een ethische context en in de context van het toekomende oordeel. De soteriologische aspecten van het begrip basileia tou theou vinden we ook bij Paulus, maar hij gebruikt daarvoor andere woorden. Naast het verschil in publiek van Jezus en Paulus waarop Gäckle wijst, zou ik willen noemen dat Paulus de zaken formuleert van het feit dat Christus’ dood en opstanding zijn geschied en Hij nu zit aan de rechterhand van Zijn Vader.

Heel instructief vond ik de bijdrage van Joel R. White over de vraag of Jezus als de Messias Zijn volk uit de ballingschap voert. Hij laat zien dat Paulus in Romeinen 9-11 niet alleen zinspeelt op het lied van Mozes uit Deuteronomium 32, maar aansluit bij de structuur ervan: de verkiezing van Israël, de redding van Israël (daarbij wijst Paulus erop dat die op een rest na uitblijft), de ongehoorzaamheid van Israël, de verwerping van Israël en tenslotte Gods erbarmen over Israël. Verwijzend naar Deut. 32:21 stelt Paulus dat God Israël door middel van de volkeren die Jezus als de Christus belijden tot jaloersheid zal verwekken. Aan het slot van Romeinen 11 wordt duidelijk dat de toorn van Israël over de Christusbelijdenis van de heidenen plaats zal maken voor het erkennen van de Christus.

Het artikel van Alexander Weiss heeft als titel ‘Paulus und die coloniae’. De auteur laat zien dat Paulus bepaald niet de enige navolger van Christus is geweest die het Romeinse burgerrecht bezat. Meerdere van de gemeenten die door zijn zendingsarbeid ontstonden, bevonden zich in Romeinse kolonies. Het is ondenkbaar dat er onder hen die gehoor gaven aan de boodschap van Paulus geen Romeinse burgers waren.

Michael Theobald meent dat uit het taalgebruik van de Pastorale Brieven afgeleid kan worden dat zij wel Paulus imiteren maar niet van Paulus zelf zijn. Hendrik Jermo van Nes kwam in zijn proefschrift Pauline Language and the Pastoral Epistles tot een andere conclusie. Voor de kerkvaders was koinè-Grieks hun eigen taal en zij achtten het taalgebruik van de Pastorale Brieven kennelijk niet strijdig met het auteurschap van Paulus. De Vroege Kerk achtte trouwens pseudonimiteit en canoniciteit onverenigbaar met elkaar.

Samenvattend gaat het bij Der jüdische Messias Jesus und sein jüdischer Apostel Paulus om een lezenswaardige bundel. In meerdere artikelen worden belangrijke gezichtspunten aangereikt.

Armin D. Baum, Detlef Häusser en Emmanuel L. Rehfeld (red.), Der jüdische Messias Jesus und sein jüdischer Apostel Paulus, WUNT 2. Riehe 425 (Tübingen: Mohr Siebeck, 2016), paperback viii en 417 pp., €109,– (ISBN 9783161538728)

Plaats een reactie