Archibald Alexander (1772-1851) was de eerste hoogleraar van Princeton Theological Seminary. Hij wist zich een geestelijke zoon en leerling, van reformatoren, puriteinen en ook van de grote Ameri-kaanse theoloog Jonathan Edwards. Bovenal wenste hij een leerling van de Heilige Schrift te zijn. Het bekendste werk van Alexander is Thoughts on Religious Experience. Een aantal jaren geleden kwam daarvan een Nederlandse vertaling uit onder de titel Gedachten over bevinding.
Voor Alexander leed het geen twijfel dat een waar geloof een beleefd geloof is, maar ook dat gezonde beleving door de Heilige Geest gewerkt wordt door middel van de Schrift en daarom ook de toets van de Schrift kan doorstaan. Hij wist daarom ook dat de beleving van Gods kinderen nooit een zelfstandig criterium kan zijn. De opvattingen van oprechte christen over geloofservaringen zijn meer dan eens niet volkomen bijbels.
Onder andere als het gaat om de verhouding tussen geloof en bekering heeft menig christen zaken bij stukje en beetje moeten leren en kreeg de een daarin een helderder inzicht dan de ander. Hoe zag Alexander de verhouding tussen geloof en bekering?
Alexander wijst erop, dat de ontdekking aan de zuiverheid en het daarmee gepaard gaande diepe gevoel over het kwaad van de zonde, veelal voorafgaat aan de duidelijke en klare kennis van Christus en de weg van zaligheid. Daaruit is door velen geconcludeerd, dat in logische orde de bekering voor het geloof gesteld moet worden. Alexander gaat hier niet in mee.
Naar zijn overtuiging gaat het geloof logisch vooraf aan elke andere godvruchtige verrichting. Het geloof is de wortel van alle andere christelijke deugden, waaronder ook de bekering. Vaak, zo stelt Alexander, beschrijven wij het geloof in zijn volheid, maar vóór de ziel de volheid, heerlijkheid en gepastheid van Christus leert verstaan, zijn er vaak vele zwakke, maar toch ook waarachtige daden van geloof geweest.
Hoezeer Alexander deze problematiek niet op theoretische, maar praktische wijze wilde benaderen, blijkt uit een voorval dat hij in het boek The Log College vermeldt. Dit klassieke werk over de ‘Great Awakening’ bevat biografische schetsen van William Tennent sr. en de door hem opgeleide predikanten, samen met verslagen van de opwekkingen die onder hun prediking plaatsvonden.
Alexander schrijft in het genoemde werk het volgende: ‘Tennent (jr. P.d.V.) vermeed zorgvuldig discussies over controversiële onderwerpen, tenzij er heel dringende redenen toe waren, en dan was hij altijd bereid de reden van zijn overtuiging uiteen te zetten. Een paar jonge predikanten die hem bezochten, begonnen een gesprek over de vraag of het geloof dan wel de bekering voorop ging in de redding van een zondaar. Een zaak waarover in die dagen in New England hevige polemieken werden gevoerd.
Omdat zij er niet uit kwamen, vroegen zij of Tennent zich in de discussie wilde mengen. Hij was hiertoe bereid, nam zijn pijp uit zijn mond, keek uit het raam en wees op een man die op enige afstand op een heuvel aan het ploegen was. Hij vroeg de jonge predikanten of zij de man kenden. Dat bleek niet het geval te zijn. Hij vertelde hen daarom dat de man één van zijn ouderlingen was, die naar zijn vaste overtuiging al meer dan dertig jaar een oprecht christen was. ‘Vraagt hem eens,’ zo zei Tennent, ‘of het geloof dan wel de bekering voorop gaat. Wat denk je dat hij zou antwoorden?’ De jonge predikanten konden het niet vertellen.
‘Dan zal ik het u zeggen,’ zei Tennent. ‘Hij zou zeggen dat hij zich er niet om bekommert wat voorop gaat, maar dat hij beide bezit.’ ‘En daarom jonge vrienden’, zo voegde Tennent er aan toe, ‘ziet er voor uzelf op toe, dat u zowel een waar geloof als waarachtig berouw hebt, en vermoeit u niet te veel met de vraag wat het eerst komt.’