Vanuit de kerken van de Afscheiding is de situatie in de Hervormde Kerk in de negentiende eeuw meer dan eens nog zwarter voorgesteld dan zij in werkelijkheid was. De hele negentiende eeuw door zijn er binnen de Hervormde Kerk – al was het een minderheid – nog altijd vele gemeenten geweest waar in de prediking de Bijbelse boodschap van zonde en genade klonk.
Van de zijde zowel van hervormd-gereformeerden als van de kleinere kerken uit de Afscheiding voortgekomen is er vaak geen recht aan gedaan dat binnen de Gereformeerde Kerken die in 2004 opgingen in de PKN, nog heel lang een bevindelijke stroming is geweest. Toen de Christelijke Gereformeerde Kerken zich in 1892 verenigden met de kerken die door het vertrek uit de Hervormde Kerk na de Doleantie waren ontstaan, ging van meet af aan een klein deel van de christelijk gereformeerden niet mee. Deze kleine minderheid zette de Christelijke Gereformeerde Kerk voort. Men had grote bezwaren tegen de opvattingen van Abraham Kuyper, de grote voorman van de Doleantie, over de wedergeboorte .
Al heel snel begon de Christelijke Gereformeerde Kerk (die na de Tweede Wereldoorlog de naam Christelijke Gereformeerde Kerken aannam) te groeien. De reden was de overkomst van gemeenteleden en predikanten die zich in het geestelijk klimaat in de Gereformeerde Kerken niet thuis voelden.
Tussen 1892 en het midden van de jaren dertig verloren de nieuw gevormde Gereformeerde Kerken zo’n 50.000 leden ter rechterzijde. Men ging niet alleen over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk maar ook naar de Gereformeerde Gemeenten. Meer dan eens ging een gemeente in zijn totaliteit over. Anderen die aanvankelijk met de Doleantie waren meegegaan, keerden terug naar de Hervormde Kerk.
Zelf kom ik uit een kring gemeenten die zichzelf als nooddak buiten de Hervormde Kerk zagen. Onder andere in Sliedrecht had je zo’n Hervormd Lokaal. In de jaren dertig voegde zich een hele groep jongelui uit de plaatselijke Gereformeerde Kerk bij het Hervormd Lokaal waar toen ds. J.H. Bogaard predikant was.
Er was ook in Schiedam zo’n gemeente. Die werd vanaf 1927 door ds. H. Hofman gediend. Ook Hofman kreeg mensen onder zijn gehoor die overkwamen uit de Gereformeerde Kerken, omdat daar het bevindelijk geluid steeds schaarser werd in de prediking. Dat gold bijvoorbeeld voor de familie Van de Ende. Gerrit, één van hun zoons maakte jarenlang deel uit van het kerkbestuur van de gemeente die eerst op de zolder van een jeneverstokerij in Schiedam bij elkaar kwam en later in de Plantagekerk.
Adam, de vader van Gerrit, kwam onder de prediking van Hofman tot volle zekerheid van het geloof. In een brief die Hofman in de jaren veertig aan zijn familie in Sliedrecht schreef, vertelt hij dat Adam daarover in de pastorie had verteld. Meerderen waren erbij aanwezig en samen had men gezongen. ‘Nog nooit’, zo schreef Hofman, ‘heb ik iemand zo vol overgave “Veilig in Jezus’ armen” zien zingen.’
De prediking in de Gereformeerde Kerken was in die tijd orthodox en men hield zonder reserve vast aan de gereformeerde belijdenis, maar feitelijk was het uitgangspunt dat iedere kerkganger een kind van God was. Geloven werd gereduceerd tot een voor waar houden van de Bijbelse boodschap. En dat deden de kerkgangers toch? Daar werden zij op aangesproken. Je was een gelovige en daar mocht je niet aan twijfelen. Er werd niet meer gehoord dat geloven een vluchten tot Christus uit de nood van de zonden is en dat een levend geloof altijd verbonden is met droefheid over de zonde en vreugde in God.
Toch bleven er nog lang predikanten in de Gereformeerde Kerken bij wie – al oriënteerden zij zich niet expliciet op de mannen van de Nadere Reformatie en de puriteinen – het bevindelijk element bepaald niet geheel ontbrak. Ik denk aan de Scheveningse predikant ds. J.G. Feenstra met zijn prachtige verklaringen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels en aan ds. H. Veldkamp, die onder ander de Laankerk in Kralingseveer heeft gediend. Veldkamp schreef een heel waardevolle verklaring van de Heidelbergse Catechismus en is vooral bekend om zijn Schriftverklaringen van de profeten.
Nog veel langer bleven er op het grondvlak binnen de Gereformeerde Kerken niet alleen christenen in de lijn van Feenstra en Veldkamp maar ook christenen die zich expliciet op de schrijvers uit de Nadere Reformatie oriënteerden. Komend in Waarder-Driebruggen hoorde ik van verschillende oudere gemeenteleden dat hun ouders nog in de Gereformeerde Kerk van Waarder of van Haastrecht hadden gekerkt, maar die kerken in de jaren twintig hadden verlaten. Hun voorgeslacht had geleefd bij de boodschap van de zogenaamde oude schrijvers. Daarom voelden zij zich steeds minder thuis in de Gereformeerde Kerken. Niet omdat zij veranderden, maar omdat de Gereformeerde Kerken veranderden.
Vaak heb ik toen ook de naam van ouderling Cromwijk en zijn vrouw gehoord. Hij is tot in de jaren vijftig ouderling gebleven in de plaatselijke Gereformeerde Kerk en las daar wel preken van ds. Bernardus Smytegelt. Op een gegeven moment vonden ook hij en zijn vrouw het niet meer verantwoord te blijven en zijn zij in de plaatselijke Hervormde Gemeente gaan kerken. Officieel overgaan was voor hen een stap te ver, want landelijk gezien was de Hervormde Kerk immers een valse kerk?
Het siert de kerkenraad van de Hervormde Gemeente dat zij met deze gevoelens van oud-ouderling Cromwijk en zijn vrouw rekening hebben gehouden. Ondanks het feit dat zij geen officieel lid waren van de Hervormde Gemeente, mochten zij aan het Heilig Avondmaal deelnemen.
Zelf heb ik in de tijd dat ik in Waarder-Driebruggen stond, eens een oudere vrouw opgezocht die officieel nog altijd gereformeerd was, al woonde zij meestal kerkdiensten in omliggende hervormde gemeenten bij. Zij kwam ook bijna wekelijks de cd’s van mijn preken ophalen en dat was voor mij de aanleiding haar te bezoeken.
Zij bleek opgegroeid te zijn in de Gereformeerde Kerk van Oudewater. Daar had zij in de jaren veertig van de vorige eeuw als jong meisje belijdenis gedaan. Zij liet mij een brief lezen die haar predikant haar had geschreven naar aanleiding van haar eerste gang naar het Heilig Avondmaal. In die brief klonken voluit bevindelijke tonen.
Duidelijk was dat zij in de prediking van deze predikant de boodschap van de twee wegen had gehoord en de noodzaak van wedergeboorte en persoonlijk geloof. Zij vertelde mij dat haar ouders de zogenaamde gezelschappen bezochten en dat haar moeder op haar oude dag was overgegaan naar de Gereformeerde Gemeente van Oudewater. Zelf getuigde zij dat zij eens blind was maar door genade had leren zien. Ik zou wel willen dat ik het uit de mond van al mijn gemeenteleden zo duidelijk had gehoord.
De eerste gemeente die ik diende was Zwartebroek-Terschuur. Ook op de Veluwe heb ik niet alleen gereformeerde christenen in de lijn van Veldkamp ontmoet, maar ook christenen die leefden bij de oude schrijvers. De Gereformeerde Kerk van Zwartebroek was ontstaan uit die van Voorthuizen, Daar ging in 1886 mr. dr. Willem van den Bergh met de Doleantie mee. Hij was een zeer godzalig man. Zijn optreden en geestelijke houding heeft lang doorgewerkt in de Gereformeerde Kerken van Voorthuizen, Zwartebroek en Putten.
Oudere hervormde gemeenteleden uit Zwartebroek vertelden mij dat zij op de School met de Bijbel, die in de praktijk een school was van de plaatselijke Gereformeerde kerk, de tekst moesten overschrijven: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien’ (Joh. 3:3). De meester ging dan vervolgens uitleggen dat wedergeboorte nodig was om echt een christen en kind van God te zijn.
Toen ik zelf predikant werd in Zwartebroek-Terschuur, was de Gereformeerde Kerk inmiddels helemaal van kleur verschoten. Een ouderling van de Gereformeerde Kerken die ik op een interkerkelijke bijeenkomst had ontmoet en met wie ik bevriend raakte, vertelde mij dat hij zich afvroeg of zijn dominee wel in de opstanding als historisch feit geloofde. Bij diens opvolger lag dit overigens anders, al spoorde ook diens prediking niet met de gereformeerde belijdenis. De bewuste ouderling was een man in de lijn van Veldkamp. Een aantal jaren na 2004 kwam ik hem als diaken van de Hersteld Hervormde Gemeente weer tegen.
Aan het begin van mijn verblijf in Zwartebroek-Terschuur vroeg de kerkenraad mij of ik een vrouw wilde bezoeken die uit de Gereformeerde Kerk naar de Hervormde Kerk wilde overkomen. Er werd aan toegevoegd dat zij onder mijn voorganger al elke zondagavond naar de Hervormde Kerk kwam, maar niet lang na mijn komst tweemaal de diensten van de Hervormde Gemeente was gaan bijwonen. Er werd mij ook verteld dat zij in de Gereformeerde Kerk van Zwartebroek de enige vrouw was die nog een hoofddeksel droeg.
Op een woensdagmiddag heb ik Geertje van de Kamp, want zo heette deze vrouw, bezocht. Zij was ongetrouwd en woonde onder één dak met haar broer die eveneens ongetrouwd was. Geertje voelde zich al vele jaren niet meer thuis in de Gereformeerde Kerken, maar voor haar broer lag dat anders.
Zij had als jong meisje verkering gehad met een hervormde jongen uit Voorthuizen, maar die had in de jaren vijftig al geen vrijmoedigheid gehad gereformeerd te worden. Geertje heeft toen overwogen hervormd te worden. Echter, toen een ouderling haar zei dat zij met zo’n kerkelijke overgang haar eeuwige zaligheid op het spel zette door over te gaan naar een valse kerk, heeft zij de verkering verbroken en is zij ongetrouwd gebleven.
Toen de Gereformeerde Kerken van kleur begonnen te verschieten, verschoof ook de bewuste ouderling. Geertje verschoof echter niet. In dat eerste gesprek hoorde ik ook waar zij haar geestelijk voedsel vond. Dan ging het om de oefeningen van Wulfert Floor, de prekenbundels van de christelijke gereformeerde dominee F. Bakker en De redelijke godsdienst van Wilhelmus à Brakel. Zij was geabonneerd op het blad De vriend van oud en jong. Een interkerkelijk blad met een bevindelijke kleur. Inmiddels verschijnt het niet meer, maar oudere lezers van deze weblog zullen nog van het bestaan van dit blad weten.
De Hervormde Gemeente van Zwartebroek-Terschuur was geestelijk gezien geen homogene gemeente. Als je het onderscheid tussen meer verbondsmatig en meer bevindelijk maakt, dan was duidelijk dat Geertje voluit in de laatste categorie paste. Dat bleek ook in de eenvoud van haar levensstijl. In stilte en eenvoud ging zij haar weg en werd ernaar gevraagd dan was niet onduidelijk dat zij leefde bij de enige troost in leven en sterven, namelijk dat een christen naar lichaam en ziel het eigendom van de Heere Jezus Christus is.
Na mijn vertrek uit Zwartebroek-Terschuur raakte ik haar uit het oog. Op een gegeven moment hoorde ik van haar overlijden. Ook dat zij getuigend van de vaste hoop die in haar was, was afgereisd naar een beter vaderland. Zij mocht weten:
Nu jaagt de dood geen angst meer aan,
want alles, alles is voldaan;
wie in geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood en helle niet.
*
Want nu de Heer is opgestaan,
nu vangt het nieuwe leven aan,
een leven door zijn dood bereid,
een leven in zijn heerlijkheid.
Dit lied was ook een van de lievelingsliederen van mijn overleden vrouw. Zij heeft zich onder de eenvoudige kinderen van God die wij in Zwartebroek-Terschuur mochten ontmoeten, heel erg thuis gevoeld. Zij kwam uit een gezin dat van huis behoudend confessioneel was. Door verhuizing van de ene wijkgemeente naar de andere kwamen zij in een gemeente die tot de Gereformeerde Bond werd gerekend. Qua levensstijl waren haar ouders zeer behoudend. Dat was ook in hun confessionele tijd zo geweest. Echter, thuis hoorde mijn vrouw niet echt over de geestelijke dingen spreken.
Zowel in onze verkeringstijd als in de eerste gemeente die ik mocht dienen, ging wat dat betreft een wereld voor haar open. Zij genoot van de gesprekken die kinderen van God zowel binnen als buiten de gemeente – en ook van meer dan één kerkelijke richting – in de pastorie met ons hadden. Geertje van de Kamp was een van hen.
Vele van de christenen die ik toen heb ontmoet en heb leren kennen, hebben inmiddels een andere kerkelijke verandering achter de rug. Zij zijn overgegaan van de strijdende naar de triomferende kerk. Wat zal het zijn als de hele vrijgekochte kerk het nieuwe Jeruzalem binnen mag gaan. Daar mogen zij tezamen en ongestoord dat lied zingen dat zij hier vaak zo stamelend zongen: ‘Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed’ (Openb. 5:9).