William Wilberforce (1759-1833). Een man die getrouw werd op de hoge plaats waar God hem had gesteld (slot)

Gevolgen van de grote verandering

Na wat hijzelf altijd de grote verandering (‘great change’) noemde, straalde Wilberforce zelf uit wat hij beleed, namelijk dat de belijdenis van Christus een mens tot een gelukkig mens maakt. Een vriendin van zijn moeder zei niet lang na de bekering van haar zoon tegen haar: ‘Als dit waanzin is (iets waarvan in die tijd methodisten beschuldigd werden; PdV), hoop ik dat we er allen door gebeten worden.’ Wilberforce kon vóór zijn bekering soms heel sarcastisch zijn maar dat was nu niet meer het geval.

Terwijl Wilberforce jarenlang de Bijbel niet meer had gelezen, ging hij vanaf de tijd rond zijn bekering de Schrift dagelijks bestuderen. Om de Schrift beter te begrijpen verdiepte hij zich in de geschriften van de puriteinen en hun geestelijke erfgenamen. Ik noem ook dat hij na zijn bekering heel intensief de Pensées van Pascal is gaan gelezen.

Na zijn bekering ging Wilberforce het nut van de heiliging van dag des Heeren zien (Engelse christenen gebruiken liever niet de aanduiding ‘zondag’). Het was hem een vreugde op de eerste dag van de week zijn werkzaamheden te onderbreken en deze dag te houden voor kerkgang, Schriftstudie en meditatie. Hij wende het zich ook aan Bijbelgedeelten te memoriseren en wel in het bijzonder de Psalmen. Hij bad ook vaak de Psalmen. Daarvoor zijn ze trouwens ook bedoeld. Ze zijn gegeven niet alleen om gezongen maar ook om gebeden te worden. Op de heen- en terugweg van zijn huis naar het parlement heeft hij Psalm 119 gememoriseerd. Hij vertelt dat dit hem grote troost gaf.

*

De strijd tegen de slavernij

Na zijn bekering zette Wilberforce zich op allerlei wijze zowel binnen als buiten het parlement in voor een praktisch christendom. Zo was hij betrokken bij de oprichting van de British and Foreign Bible Society en de Church Missionary Society. In 1813 werd mede op zijn initiatief een wet aangenomen die de tot dan toe verboden verkondiging van het Evangelie in India mogelijk maakte. Het meest bekend is echter zijn strijd tegen de slavernij.

Reeds vóór zijn bekering was Wilberforce diep overtuigd van het grote kwaad daarvan. Na zijn bekering werd die overtuiging alleen maar nog dieper geworteld. In zijn streven kreeg hij de volle steun van Newton die als voormalig kapitein van een slavenschip van nabij wist wat de slavenhandel inhield en die daarover ook heeft getuigd voor het Privy Council (een aanduiding voor wat nu het kabinet heet). Ook Pitt steunde zijn vriend in deze strijd.

In 1787 diende Wilberforce de eerste wet op de afschaffing van de slavenhandel in. Wilberforce, die zeer welsprekend was, hield toen een rede die drie en een half uur duurde. Het wetsvoorstel kreeg tot zijn grote teleurstelling slechts enkele stemmen. Ongevaarlijk was zijn strijd tegen de slavernij niet: Wilberforce ontving tal van doodsbedreigingen en minstens tweemaal werd er concreet een poging gedaan hem te vermoorden.

Ondanks alle verzet hield hij vol. De argumenten voor de slavenhandel wees hij van de hand. Zo werd gesteld dat Groot-Brittannië en haar koloniën economisch niet konden voortbestaan zonder handhaving van de slavernij, dat bij afschaffing van de slavenhandel binnen het Britse rijk andere landen deze handel zouden overnemen en dat de koloniën in West-Indië zich onder het gezag van de Verenigde Staten zouden stellen.

Nadat het Hogerhuis het wetsvoorstel op 10 februari 1807 in de derde lezing positief had beoordeeld, volgde op 23 februari 1807 de bespreking in het Lagerhuis. Het voorstel werd daar met grote meerderheid aangenomen. Er volgden na de stemming meerdere toespraken. Bij de toespraak van de advocaat-generaal (landsadvocaat) schoot Wilberforce vol en begon hij te huilen. Daarop riepen de parlementariërs driemaal een oorverdovend hoera en klonk er vervolgens een langdurig daverend applaus.

Pitt heeft dit niet meer meegemaakt, hij was het jaar ervoor overleden. Nu de strijd tegen de slavenhandel was gewonnen, ging Wilberforce zich inzetten voor volledige afschaffing van de slavernij. Toen hij zich in 1825 uit het parlement terugtrok, bleef hij meeleven met de strijd daarvoor binnen het parlement, en tot zijn grote vreugde heeft hij nog meegemaakt dat ook deze strijd op een overwinning uitliep.

*

Huwelijks- en gezinsleven

Op 37-jarige leeftijd trad Wilberforce in het huwelijk met Barbara Ann Spooner die achttien jaar jonger was dan hij. Ook Barbara kwam niet bepaald uit een armlastige familie, maar hun vermogen viel in het niet bij dat van Wilberforce. In die tijd was het heel ongebruikelijk dat iemand met het vermogen als dat van Wilberforce zo’n huwelijk aanging. Voor Wilberforce was het echter het belangrijkste dat hij mocht trouwen met een vrouw die een christin was en van wie hij echt kon houden.

Na slechts zes weken verkering traden William en Barbara in het huwelijk. Het werd een gelukkig huwelijk dat werd bekroond met de geboorte van vier zoons en twee dochters. Zorgen zijn hem niet bespaard. Zijn vrouw, die hem bij het afnemen van zijn gezondheid zeer trouw heeft verzorgd, had niet zijn opgeruimde karakter en was vaak depressief. Zijn twee dochters heeft hij ten grave moeten dragen, al was het hem tot grote troost te mogen weten dat zij in Christus ontslapen waren.

Veel verdrietiger was voor Wilberforce de godsdienstige ontwikkeling van zijn zoons. Zijn zoon William brak helemaal met het geloof en toen hij terugkeerde naar de kerk, voegde hij zich bij de hoog-kerkelijke richting van de Kerk van Engeland, een richting waarvoor ook de drie andere zoons van Wilberforce hadden gekozen. Niet de noodzaak van wedergeboorte stond daarin centraal maar het deelnemen aan de sacramenten die als voertuigen van genade werden gezien. De liturgie vond men belangrijker dan de prediking.

Binnen de hoog-kerkelijke richting voelden zowel William jr. als Robert en Henry zich aangesproken door de anglo-katholieke variant ervan. Een aantal jaren na de dood van hun vader gingen eerst William en Henry en later ook Robert over naar de rooms-katholieke kerk. De vierde zoon Samuel bleef als bisschop de Kerk van Engeland trouw.

*

Een christen in de praktijk

Van oom William erfde Wilberforce zowel een prachtig huis in de St. James Place in Londen als het Lauriston House in Wimbledon, toen een dorpje niet ver van Londen. Als jong parlementariër trok hij zich graag terug in Lauriston House. Op dit landgoed kwam ook Pitt graag als hij evenals Wilberforce wat tot rust wilde komen. Na zijn bekering ging het Wilberforce steeds meer bezwaren dat hij een landgoed bewoonde waarvan voor de kosten van het personeel en het onderhoud ervan wel een heel dorp een jaar lang van voedsel kon worden voorzien. Daarom deed hij het van de hand.

Na zijn huwelijk vestigde hij zich met zijn vrouw in Clapham. John Venn, een zoon van de veel bekendere Henry Venn, diende daar de Anglicaanse parochie. John was evenals zijn vader een overtuigd evangelical. Dat was voor William en Barbara een belangrijke factor geweest in de keuze voor Clapham.

Clapham was de woonplaats van meerdere invloedrijke en vermogende evangelicals die parlementair, maatschappelijk en kerkelijk allerlei initiatieven ontplooiden. Vandaar dat men ging spreken van de ‘Clapham Sect’. Wilberforce was daar een vertegenwoordiger van en waarlijk niet de minst belangrijke.

In 1797, het jaar dat hij trouwde, publiceerde Wilberforce ook zijn boek A Practical View of the Prevailing Religious System of Professed Christians, in the Higher and Middle Classes in this Country, Contrasted with Real Christianity. Het is een oproep aan christenen uit de hogere en middenklasse van de Engelse samenleving om niet tevreden te zijn met een burgerlijk en deugdzaam christendom, maar het leven te laten stempelen door de boodschap van verzoening die leidt tot een godzalig leven. Het lezen ervan zou onder andere voor de Schotse predikant Thomas Chalmers een van de middelen zijn die God gebruikte tot diens bekering.

In 1826 verhuisden Wilberforce en Barbara mede ter wille van hun zoon William naar een herenboerderij in Highwood Hill. Naast standvastigheid kenmerkte Wilberforce zich door ootmoed en bescheidenheid. Hij dacht wel groot over Zijn Zaligmaker maar niet over zijn eigen geloof.

Toen zijn levenseinde naderde zei Wilberforce tegen zijn zoons: ‘Jullie moeten met mij meebidden dat de korte tijd dat ik nog leef doorgebracht mag worden in het verwerven van die geestelijke gestalte van het gemoed die mij geschikt maakt voor de hemel. En daar hoop ik jullie allen te ontmoeten.’

Op zaterdag 27 juli 1833 zei hij: ‘Ik ben in een zeer neergedrukte toestand.’ Daarop zei zijn zoon Henry: ‘Ja maar uw voeten zijn op de rots.’ Met de bescheidenheid hem eigen antwoordde Wilberforce: ‘Zo positief durf ik niet te spreken, maar mijn hoop is dat dit zo is.’ De vroege maandagmorgen erop blies hij de laatste adem uit.

*

Slot

Een aanbod van de kroon om in de adelstand te worden verheven waarbij hij de titel graaf zou ontvangen, had Wilberforce van de hand gewezen. Zijn familie willigde na zijn dood wel het verzoek van de regering in om zijn lichaam in Westminster Abbey te laten begraven. Ik besluit met een citaat uit het door Wilberforce geschreven boek A Practical View of the Prevailing Religious System of Professed Christians in the Higher and Middle Classes in this Country, Contrasted with Real Christianity: ‘Als we evenals de eerste christenen ons in Christus willen verheugen, moeten we evenals zij leren ons vertrouwen geheel op Hem te stellen en de taal van de apostel tot de onze maken: Het zij verre van mij dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus.’

Plaats een reactie