De Statenvertaling en de Drie Formulieren van Enigheid

Iemand vroeg mij enige tijd geleden wat de relatie is tussen de Drie Formulieren van Enigheid (Heidelbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels) en de Statenvertaling. Dan is het eerste wat wij moeten constateren dat elk van deze drie belijdenisgeschriften tot stand is gekomen voordat de Statenvertaling uitkwam. Bij de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis was de afstand in tijd nog aanmerkelijk groter dan bij de Dordtse Leerregels. De Statenvertaling kwam uit in 1637. De Nederlandse Geloofsbelijdenis is verschenen in 1561 en de Heidelbergse Catechismus in 1563. De Dordtse Leerregels werden na afloop van de Dordtse Synode van 1618-1619 gepubliceerd.

De opstellers van de Heidelbergse Catechismus, Guido de Brès die de auteur is van de Nederlands Geloofsbelijdenis en de gedelegeerden die aanwezig waren op de Dordtse Synode van 1618-1619, deelden van harte het standpunt van de Reformatie dat de Bijbel in eigenlijke zin, de Bijbel in de brontalen was. Vertalingen hadden een afgeleide betekenis. Bij leerstellige geschillen of exegetische kwesties mocht niet een vertaling het uitgangspunt zijn maar moest dat de Bijbel in de brontalen zijn.

Op de Dordtse Synode van 1618-1619 waren ook buitenlandse delegaties aanwezig. De leden van deze delegaties spraken geen Nederlands. In elk van de landen of gebieden waaruit zij kwamen was in onderscheid tot ons land de gehele Bijbel al uit de brontalen in de landstaal vertaald. Internationaal gezien was de Statenvertaling een laatkomer.

Evenals in die tijd op universiteiten het geval was, was de voertaal op de synode het Latijn. In de Latijnse versie van de Dordtse Leerregels worden Bijbelteksten in de Latijnse vertaling van Sebastianus Munsterus weergegeven. In de Nederlandse versie werd de Deux-Aesbijbel gevolgd die wij als voorloper van de Statenvertaling kunnen zien. Nadat de Statenvertaling was uitgekomen, werden in de Nederlandstalige edities van de Dordtse Leerregels Bijbelteksten uit de Statenvertaling geciteerd.

De Heidelbergse Catechismus is oorspronkelijk in het Duits opgesteld. Daar waar in deze catechismus Bijbelteksten worden geciteerd of op Bijbelteksten wordt gezinspeeld, volgt men de Lutherbijbel. Ook de gereformeerden in de Duitse landen gebruikten deze Bijbelvertaling. In de Nederlandse vertaling van de Heidelbergse Catechismus werd de Deux-Aesbijbel gevolgd.

Ik merk nog op dat in antwoord 26 van de Heidelbergse Catechismus bij het woord ‘jammerdal’ (al het kwaad dat Hij, namelijk God mij in dit jammerdal toeschikt) gezinspeeld wordt op Psalm 84:7 in de Lutherbijbel en in het verlengde daarvan in de Deux-Aesbijbel. De Deux-Aesbijbel vertaalt Psalm 84:7 als volgt: ‘Die door het jammerdal gaen/ende maken aldaer fonteinen/ende werden met vele seghens ghecieret’. Ook in de Liesveltbijbel en Biestkensbijbel stond trouwens in Psalm 84:7 ‘jammerdal’. In de Statenvertaling is het als volgt weergegeven: ‘Als sy door het dal der moerbesie-bomen doorgaen/stellen zij hem tot een fonteyne/oock sal de regen haer gans rijckelijk overdecken’ (GBS-editie: ‘Als zij door het dal der moerbeziebomen doorgaan, stellen zij Hem tot een Fontein: ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken’).

De Nederlandse Geloofsbelijdenis is oorspronkelijk in het Frans opgesteld. In 1562 verscheen de eerste Nederlandse vertaling. In hetzelfde jaar kwam ook de Deux-Aesbijbel uit. Deze vertaling werd bij het weergeven van Bijbelteksten gevolgd. In artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis komt de zinsnede voor: ‘Maar als hij (namelijk de mens, PdV) in eer was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend’.

Voor de lezers van de Deux-Aesbijbel was duidelijk dat hier gezinspeeld wordt op Psalm 49:21. Deze vertaling heeft hier: ‘Die mensch doen hij in eeren was soe en heeft hijt niet verstaen/hij is gelheken bij die onverstandighe beesten/ende dien gelhijck gheworden.’ Toen men overstapte op de Statenvertaling was voor de lezers eerder duidelijk dat met deze zinsnede op Psalm 49:21 wordt gezinspeeld. De Statenvertaling heeft namelijk: ‘De mensche die in weerde is/ende geen verstant en heeft/wort gelijck als de beesten die vergaen’ (GBS-editie: ‘De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan’).

Hebben de opstellers van de belijdenisgeschriften de Statenvertaling niet gekend, de Statenvertalers kenden wel de belijdenisgeschriften. Uit hun kanttekeningen kan feitelijk de gehele gereformeerde leer worden afgeleid. Dat dit het geval is, komt trouwens omdat zij zich bij het opstellen van de kanttekeningen niet gehouden hebben aan de kaders die op de Dordtse Synode daarvoor waren gegeven. De bedoeling was slechts alternatieve of meer letterlijke vertalingen te geven en waar een tekst heel moeilijk te begrijpen was, een korte toelichting te geven. Op leerstellige kwesties moest men in de kanttekeningen niet ingaan.

Aan dit laatste deel van de instructie hebben de Statenvertalers zich niet gehouden. Ik zeg niet dat wij hen dat moeten kwalijk nemen, maar het blijft raadzaam zich te realiseren dat zij daarmee buiten het mandaat gingen dat de Dordtse Synode van 1618-1619 hen had gegeven.

De kanttekeningen zijn ook nooit kerkelijk gesanctioneerd en de vraag is of de kerk daar ook toe bereid zou zijn geweest. Het is vrijwel zeker dat het antwoord hierop ontkennend moet luiden. Omdat de exegese vrij is mag men bij de uitleg van concrete Bijbelteksten verschillende wegen gaan. De enige eis is dat de uitleg die uiteraard grondig moet zijn, binnen de grenzen van de confessie dient te blijven en voor wie van het bijbelse karakter van de gereformeerde belijdenis overtuigd is, is dat geen zware opgave, temeer omdat binnen de grenzen van de confessie verschillende accenten mogen worden gelegd. Dan kunnen we wijzen op de accentverschillen die er waren tussen de godgeleerden die aanwezig waren op de Dordtse Synode van 1618-1619 maar die toch allen de Dordtse Leerregels konden en wilden onderschrijven.

Dat neemt niet weg dat ik nogmaals de grote waarde van de kanttekeningen wil onderstrepen. Als het gaat om de Bijbelvertaling als zodanig zijn de alternatieve vertaalmogelijkheden en de meer letterlijke vertalingen van belang. Zij laten zien hoe grondig de Statenvertalers hun werk deden en hoezeer zij de lezer die geen kennis van de brontalen heeft, duidelijk wilden maken wat er in de brontekst staat. Voor predikanten die wel de brontalen kenden, gaven de Statenvertalers met hun kanttekeningen ook een verantwoording van hun vertaalkeuzes.

In de kanttekeningen vind je naast uitleggende en leerstellige opmerkingen over de inhoud van de tekst, hier en daar ook een kanttekening waar de geloofsbeleving of bevinding aan de orde wordt gesteld. Heel ontroerend vind ikzelf de kanttekening bij Ezechiël 34:31: ‘Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt 48 mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.’

Graag besluit ik deze bijdrage met deze kanttekening die het nummer 48 heeft: ‘Opdat de grote ongelijkheid, die daar is tussen dien groten God en ons nietige mensen, ons niet afschrikke, noch de consciëntie en bevinding van ons onvermogen ons versaagd make, zo verzekert ons God hier met een zeer lieflijke aanspraak, dat Hij, niettegenstaande zulks alles, dat beloofde genadewerk aan Zijn schapen zal voltrekken, alsof Hij zeide: Weest getroost en goedsmoeds, gij Mijn lieve schaapjes, Ik ben en blijf uw Heiland. Vgl. Joh. 10:28, 29.’

Plaats een reactie