De Schotse zending onder het Joodse volk
Vanaf het einde van de achttiende eeuw begint binnen de christelijke kerk het besef steeds meer te leven dat de kerk nog altijd de roeping heeft het Evangelie, in het bijzonder aan het Joodse volk, te verkondigen, omdat dit volk ook onder de nieuwe bedeling een speciale plaats houdt in Gods bedoelingen. In Engeland leidt dit tot de oprichting van London Society for Promoting Christianity among the Jews. Deze vereniging stond niet onder kerkelijk toezicht, maar zij had wel een anglicaans karakter.
Daarin alleen voorafgegaan door de Moravische broederschap komt de Kerk van Schotland de eer toe dat zij al heel vroeg besefte dat het een kerkelijke opdracht is het Evangelie aan de Joden te verkondigen. In 1838 besloot de nationale synode een comité te in te stellen dat moest onderzoeken welke activiteiten door enkelingen, gemeenten en verenigingen werden ondernomen om het Evangelie aan Joden te verkondigen. Ook moest worden onderzocht waar er openingen waren om een zendingspost, gericht op het verkondigen van het Evangelie aan Joden, kon worden geopend.
In 1839 werd een onderzoekscommissie uitgezonden bestaande uit: dr. Aleander Keith, dr. Alexander Black, Robert Murray M’Cheyne en Andrew Bonar. M’Cheyne, Bonar en Keith waren predikant en Black hoogleraar. Keith was bekend om zijn boek over de vervulling van profetieën. Daarvan verschenen bij zijn leven tientallen drukken. Het werd ook in meerdere talen vertaald. De bedoeling was dat de commissie onderzoek zou doen naar de aantallen Joden en naar omstandigheden in Europa en in Palestina (toen nog de gebruikelijke en niet politiek beladen benaming voor het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan).
Er is van deze reis een verslag gemaakt. In het Nederlands is het uitgekomen onder de feitelijk niet geheel correcte titel De zendingsreis van Robert Murray M’Cheyne. Ongetwijfeld koos de uitgever voor deze titel omdat M’Cheyne in Nederland van de vier leden van de commissie veruit de bekendste was. Het is nog altijd een zeer lezenswaardig verslag. We lezen van Sefardische, Askenazische en Karaïtische Joden. Bij de laatste groep gaat het om een beweging die de Talmoed waarin de voorschriften van de vaderen schriftelijk zijn vastgelegd en worden becommentarieerd, verwerpt.
Het maakt ons duidelijk dat een reis naar het Midden-Oosten (even afgezien van de politieke omstandigheden nu) toen iets heel anders was dan in onze tijd. We krijgen inzicht in de leefomstandigheden in Palestina dat toen nog deel uitmaakte van het Ottomaanse Rijk.
Vanwege de gezondheid van Keith die in Egypte van een kameel was gevallen, reisden Keith en Black eerder dan M’Cheyne en Bonar vanuit Beirut terug naar Schotland. De laatste twee zouden nog een bezoek brengen aan Galilea met name om met eigen ogen kennis te nemen van de Joodse gemeenschappen in Tiberias en Safed.
Keith en Black staken vanuit Beirut over naar de Zwarte Zee om vervolgens via de Donau naar centraal Europa te reizen. In Pest (toen nog niet samengevoegd met Boeda aan de overzijde van de Donau) zouden Keith en Black overstappen op een ander stoomschip dat hen naar Wenen zou voeren. Echter, het verblijf in Pest duurde langer dan gedacht omdat zij getroffen werden door tyfus. In deze periode kwamen zij in contact met aartshertogin Maria Dorothea von Württemberg, de vrouw van de aartshertog Josef die palatijn (regent) was over Hongarije.
Josef was al twee keer weduwnaar geworden en de lutherse Maria Dorothea die 21 jaar jonger was dan hij was zijn derde vrouw. Zij was in piëtistische zin opgevoed en twee jaar voordat Keith en Black in Pest aankwamen, was haar twaalfjarige zoontje Alexander gestorven. Dat had haar ertoe gebracht de Bijbel weer veel intensiever te gaan lezen en haar geloof was helemaal vernieuwd en verfrist.
Zij voelde zich vaak eenzaam, omdat zij contact met piëtistische christenen miste. Keith kende zij uit zijn boek over de profetieën. Toen zij hoorde dat hij met een collega in Pest was, wilde zij hen graag ontmoeten. Deze ontmoeting heeft ertoe geleid dat niet in Palestina een zendingspost werd geopend, maar in Boedapest. Deze ontmoeting heeft ertoe geleid dat niet in Palestina een zendingspost werd geopend, maar in Boedapest.
In de Habsburgse monarchie was de godsdienstvrijheid van protestanten nog altijd beperkt , daarom was het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk aanvankelijk helemaal in beeld geweest. Echter, men vond in Maria Dorothea een krachtige beschermvrouw van de zending onder de Joden. De Schotse zendelingen die er gestationeerd zouden worden, konden ook als predikanten voor de Britse arbeiders fungeren die de brug over de Donau bouwden die Pest en Boeda met elkaar moest verbinden. Ook dat was een argument om hen toe te laten.
In 1840 werd een team van zendelingen door de Schotse kerk naar Boedapest gezonden van wie de oudste en de bekendste John Duncan was die als predikant aan Milton parish church van Glasgow was verbonden. Daarnaast ging William Allan mee, die in 1842 trouwde met Annabella Torrance, de oudste dochter uit het eerste huwelijk van Janet Douglas, de tweede vrouw van Duncan. Ook William Wingate een derde teamlid, zou familiebanden met Duncan krijgen. Margret Wallace Torrance, de jongste dochter uit het eerste huwelijk van Janet Douglas, werd in 1843 zijn vrouw. Het vierde en jongste lid van het team was Robert Smith. Smith zou van Duncan zeggen: ‘Zowel een kind als een reus , beide wonderlijk dooreen vermengd. Geen mens joeg minder vrees aan en riep diepere eerbied op.’
Meerdere namen van Joden die door het zendingswerk in Boedapest Jezus als de Christus leerden belijden, kunnen worden genoemd. Ik denk aan Adolph en Philip Safir en hun vader Israël Saphir. Ik noem ook Alfred Edersheim die zich tot een eminent geleerde ontwikkelde en wiens omvangrijke studie Life and Times of Jesus the Messiah nog altijd de moeite van het lezen meer dan waard is. Maar zij waren bepaald niet de enigen.
Minder bekend is dat er naast Boedapest ook een zendingspost in Iaşi, de toenmalige hoofdstad van Moldavië werd geopend. Deze plaats hadden Bonar en M’Cheyne op hun terugweg naar Schotland ook aangedaan. Hier heeft Daniel Edwards gearbeid. De omstandigheden waaronder Edwards heeft moeten arbeiden waren minder eenvoudig dan die van Duncan en zijn metgezellen. Edwards had te maken met een ultra-orthodoxe chassidische gemeenschap, terwijl de Joodse gemeenschap in Boedapest welbewust aansluiting zocht bij de Europese cultuur, al ging de een daarin wel veel verder dan de ander. Echter, ook de moeitevolle arbeid van Edwards is niet zonder vrucht gebleven.
Naast de grotere openheid van de Joodse gemeenschap van Boedapest staat de zegen in deze stad ook niet los van de opmerkelijke persoonlijkheid van Duncan. Duncan was intellectueel zeer begaafd. Hij sprak meer dan tien talen vloeiend en kon daarnaast een nog minstens zo groot aantal talen lezen. In vrij korte tijd maakte hij zich het Hongaars machtig. Zijn grote vaardigheid zowel in het bijbelse als nabijbelse Hebreeuws heeft hem de bijnaam rabbi Duncan bezorgd en maakte de ingang naar de Joodse gemeenschap gemakkelijker. Zijn grote kennis van de theologie waaronder die van de kerkvaders en het feit dat hij zich in het Latijn even gemakkelijk kon uitdrukken als in zijn moedertaal deed hem ook een goede gesprekspartner van rooms-katholieke theologen zijn.
Van meet af aan hoopte de Kerk van Schotland ook iets te betekenen voor het protestantisme in Hongarije. Die insteek werd volledig door Duncan gedeeld. Hier was het winst dat Duncan die welbewust en overtuigd de gereformeerde belijdenis had leren beamen, over kerkmuren kon heen zien. Zowel met gereformeerde als lutherse predikanten werden goede contacten opgebouwd.
Het zendingswerk onder Joden in Boedapest heeft ertoe mogen bijdragen dat er bloei kwam in het ingezonken kerkelijke leven van de Kerk van Hongarije. De aandacht voor het persoonlijke geloofsleven en voor de realiteit van verborgen omgang met God was voor menigeen nieuw maar bleef niet ongezegend.
Ik vermeld nog dat Orde Wingate, een kleinzoon van William Wingate, die vanaf 1936 tot 1939 een positie binnen de militaire staf vervulde in het Britse mandaatgebied Palestina. Hoewel hij in godsdienstig opzicht andere wegen ging dan zijn grootvader en zijn ouders, hield hij wel vast aan hun liefde tot het Joodse volk. Hij zag het als zijn roeping mee te werken aan de vorming van een Joodse staat. Hij gaf aan Joden militaire trainingen.
De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat zijn behandeling van Arabieren niet altijd correct was. Bij acties tegen Arabische saboteurs van oliepijpleidingen werden ook onschuldige burgers gestraft. Zeker is wel dat de officieren van Haganah, de voorloper van de IDF, hun schatplichtigheid aan Wingate in toepassing van militaire technieken nooit onder stoelen of banken hebben gestoken. De bekende Israëlische generaal Moshe Dayan zei van hem: ‘Hij heeft ons alles geleerd wat wij nu weten.’
*
Een boeiend boek over de Schotse zending onder de Joden
Al deze zaken en nog veel meer staan in het boek van John Stuart Ross Time for Favour. Scottish Evangelism among the Jewish People 1838 to 1852. Dat is een bewerking van zijn dissertatie waarvoor de University of Wales hem de doctorstitel verleende. Ross heeft zendingswerk gedaan in Nigeria en Zuid-Afrika en diende gemeenten in Belfast en Scotland. Vooral kreeg hij bekendheid omdat hij als directeur vele jaren het gezicht was van ‘Christian Witness to Israel’.
Ross sluit niet uit dat toen in 1290 de Joden ook uit Engeland werden verbannen, een enkeling naar Schotland is uitgeweken. Pas vanaf het einde van de zeventiende eeuw is er sprake van een permanente aanwezigheid van Joden in Schotland. Dat staat niet los van het feit dat in 1656 Oliver Cromwell Joden toestemming gaf zich in Groot- Brittannië te vestigen. In Engeland kon men alleen een academische functie vervullen als men lid was van de Kerk van Engeland. Die eis gold niet voor Schotse universiteiten. Dat verklaart dat studenten in de theologie in Schotland onderwijs in het Hebreeuws konden ontvangen van Joodse docenten.
Ross zoekt een antwoord op de vraag waar de grote liefde voor het Joodse volk en het verlangen Joden voor Christus te winnen vandaan komt. De grote aandacht voor de blijvende betekenis van het Oude Testament, het uitsluitend zingen van Psalmen in de eredienst, de nadruk op de heiliging van de eerste dag van de week die men de christelijke sabbat noemde, worden door hem genoemd. Ook wijst hij erop dat de gewoonte van nationale verbondssluitingen maakte dat het Schotse volk zich gemakkelijk in het Joodse volk kon verplaatsen.
Zeker is dat een invloedrijk zeventiende-eeuws theoloog als Samuel Rutherford en een achttiende-eeuwse theoloog als Thomas Boston de verwachting hadden dat het Joodse volk zich massaal tot Christus zou bekeren en dat dit het begin zou zijn van een wereldwijde opwekking. Zij stonden daarin niet alleen. Thomas Chalmers die als geen andere zijn stempel heeft gezet op de Schotse kerkgeschiedenis van de eerste helft van de negentiende eeuw deelde deze verwachting zonder reserve en heeft die ook als hoogleraar overgedragen op zijn studenten.
*
Een indrukwekkende geschiedenis waarmee het boek van Ross opent
Het boek van Ross opent met een indrukwekkende geschiedenis die ons verplaatst naar de Tweede Wereldoorlog. In 1843 ontstond de Free Church of Scotland en alle zendingswerkers van de Kerk van Schotland kozen de zijde van de Free Church. Aan het einde van de negentiende eeuw verenigde de Free Church zich met de United Free Church en slechts een kleine minderheid van de Free Church ging niet met deze vereniging met mee. De verenigde kerk keerde in 1929 terug naar de Kerk van Schotland. Zo kwam het nog altijd bestaande zendingswerk in Boedapest weer onder toezicht van de Kerk van Schotland te staan.
In 1932 werd de toen 35-jarige Jane Haining aangesteld als directrice van de Schotse Zendingsschool in Boedapest. Deze school was al kort na de aankomst van de Schotse zendelingen in de negentiende eeuw gesticht. Doel was Joodse kinderen onderwijs te geven en hen met het Evangelie in contact te brengen. Dat laatste werd ook heel eerlijk tegen ouders gezegd die hun kinderen aanmelden,. Heel nadrukkelijk wist Jan Haining zich tot de taak van directrice van deze school geroepen. Slechts tweemaal keerde zij voor vakantie terug naar Schotland en wel in 1935 en 1939. Tijdens deze tweede verlofperiode brak de Tweede Wereldoorlog uit en besloot Jane zo gauw mogelijk terug te keren naar Boedapest. Het jaar erop werd op de zendingswerkers in Boedapest een dringend beroep gedaan terug te keren naar Schotland. Haar collega’s gaven aan deze oproep gehoor maar Jane bleef.
In maart 1944 vielen de nazi’s Hongarije binnen, omdat de Hongaarse regering met de zogenaamde Asmogendheden had gebroken. Er werd een marionettenregering gevormd. Voor de Joodse gemeenschap braken heel donkere tijden aan. Terwijl volstrekt duidelijk was dat Duitsland de oorlog zou gaan verliezen, werd alles in het werk gezet ook de omvangrijke Joodse gemeenschap van Hongarije te elimineren. Auschwitz zou op volle toeren draaien.
Janes’s liefde voor het Joodse volk was zonneklaar. Al spoedig werd zij beschuldigd van spionage en gearresteerd. Ze werd naar een kamp voor politieke gevangenen getransporteerd en vandaar uit met vele andere met een veewagon naar Auschwitz vervoerd. De kaart die zij op 15 juli 1944 twee dagen voordat zij vergast werd, vanuit Auschwitz verstuurde, was haar laatste levensteken. Jane Haining betaalde voor haar liefde tot het Joodse volk, de hoogst denkbare prijs. Ze heeft dit gedaan, zo mogen we vanuit haar leven weten, in de wetenschap dat voor haar vrijspraak voor Gods troon een veel grotere prijs was betaald en wel door Jezus Christus, de Messias van Israël en Verlosser van de wereld.
N.a.v. John Stuart Ross, Time for Favour. Scottish Evangelism among the Jewish People 1838 to 1852 (Fearn: Christian Focus Publications, 2024), paperback 376 pp, £14,99 (ISBN 9781527111356)