Wie waren de farizeeërs?

In het Nieuwe Testament komen we de farizeeërs tegen. Het woord ‘farizeeër’ heeft bij ons de notie van hypocriet en huichelaar. Echter, in het boek Handelingen komt naar voren dat Paulus zich in positieve zin als farizeeër kan aanduiden. Wie waren de farizeeërs eigenlijk? We komen hen niet alleen in het Nieuwe Testament tegen.

Ook de bekende Joodse geschiedschrijver heeft over hen geschreven in Antiquitates Judaicae (De geschiedenis van de Joden) en Bellum Idaicum (De Joodse oorlog) en wij vinden ook vermeldingen over hen in de vroege rabbinale geschriften. Gaan we ervan uit dat de ‘zoekers naar gladde dingen’ over wie in het Qumran-fragment 4QMMT wordt gesproken op de farizeeërs slaat, dan moeten we ook geschriften van de sekte van Qumran die terecht met de Essenen worden geïdentificeerd als bron gebruiken.

Op initiatief van het Pauselijk Bijbelinstituut te Rome werd in 2019 een conferentie georganiseerd waaraan zowel christelijke als Joodse geleerden deelnamen. Het ging om nieuwtestamentici, kenners van het Jodendom van de Tweede Tempel en van het rabbinale Jodendom. De neerslag van de bijdragen die op deze conferentie werden gehouden is te vinden in een studie met de titel The Pharisees.

Deze bundel is geredigeerd door Joseph Sievers, emeritus hoogleraar Joodse geschiedenis en literatuur van de hellenistische periode, en door Amy-Jill Levine die als hoogleraar Nieuwe Testament en Joodse studies aan de Vanberbilt University in Nashville is verbonden. Deze studie is uitgegeven door Eerdmans in Grand-Rapids. De studie is in drie delen verdeeld. Het eerste deel is een historische reconstructie en het tweede deel bevat bijdragen die de receptie van het farizeïsme aan de orde stellen. Hoe is in de loop van de eeuwen over de farizeeërs geschreven en gesproken?

Het laatste deel bevat slechts twee bijdragen en daarin wordt een blik op de toekomst gericht. Amy-Jill Levine, Massimo Grilli en Joseph Sievers bepleiten in hun bijdragen dat christenen in preken en catechetisch onderwijs op historisch juiste wijze over het Jodendom in het algemeen en de farizeeërs in het bijzonder spreken. De bundel eindigt met de toespraak die paus Franciscus op de conferentie hield. In de lijn van het Tweede Vaticaanse Concilie keert hij zich tegen antisemitisme maar gaat hij er ook vanuit dat er zaligheid is buiten de christelijke kerk en het belijden van Jezus als Zaligmaker en Verlosser maar voor deze laatste gedachte biedt het Nieuwe Testament geen grond.

Een van de vragen waarvoor de bronnen ons stellen is wat de relatie is tussen de farizeeërs en het rabbinale Jodendom zoals dat na de val van de Tweede Tempel gestalte kreeg. Is er vooral sprake van discontinuïteit of continuïteit? Zeker is dat de rabbijnen uit de tweede en derde eeuw na Chr. zich niet als farizeeërs hebben geïdentificeerd. Günter Stemberger stelt in zijn bijdrage dat er tussen het gedachtengoed van de farizeeërs en de latere rabbijnen weliswaar geen radicale breuk was, maar dat er wel sprake is van transformatie. Terwijl een vorige generatie vooral de continuïteit benadrukte, is er nu meer aandacht voor discontinuïteit.

Wie de bijdragen van Steve Mason over Josephus en van Helmut Löhr over de farizeeërs in Lukas en Handelingen leest, zal als hij daaruit conclusies trekt vooral een stuk continuïteit zien. Mason toont aan dat Josephus die van priesterlijke afkomst was, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd zelf geen farizeeër is geweest, maar dat hij zich vanwege hun grote invloed op het volk gedwongen zag zich met hen te conformeren. Feitelijk schrijft Josephus negatiever over de farizeeërs dan Lukas in Handelingen. In Handelingen wordt Gamaliël een farizeeër genoemd. Gamaliël II, de opvolger van Jochanan ben Zakkaj, was namelijk een kleinzoon van de Gamaliël die in Handelingen wordt genoemd. Hij was de grootvader van Judah-ha-Nasi die de halacha schriftelijk heeft vastgelegd in de Mishna.

In meerdere bijdragen wordt duidelijk dat de farizeeërs vernieuwend waren in hun interpretatie van de wetgeving van Mozes. Zij stonden een soepele toepassing van de Mozaïsche wetgeving voor. Dat verklaart de kritiek van de zijde van de gemeenschap van Qumran die waren conservatiever. Mij dunkt dat deze soepele interpretatie van de mozaïsche wetgeving niet strijdig is met de kritiek van Jezus op de farizeeërs dat zij zich al te zeer om de buitenkant bekommerden en niet om de binnenkant.

Wie de bijdragen leest die aan het Nieuwe Testament zijn gewijd, constateert dat de auteurs ervan uitgaan dat de evangeliën ons allereerst laten zien hoe de verhouding tussen de volgelingen van Jezus en de farizeeërs was ten tijde dat de evangeliën werden geschreven en dan worden ook de synoptische evangeliën laat gedateerd. Zij worden niet als verslagen van ooggetuigen gezien wat zij naar mijn diepe overtuiging wel zijn. Dan nog, valt van deze bijdragen het een en ander te leren.

In het evangelie naar Mattheüs wordt niet het Joodse volk als geheel afgeschreven of terzijde gesteld, maar wordt gesteld dat er andere leidslieden komen. Dan gaat het om geestelijke leiders van de gemeenten die én uit Joden én uit heidenen bestaan en zo in continuïteit staan met het Joodse volk. Aanvankelijk was de christelijke gemeente één van de stromingen onder het Joodse volk.

In haar bijdrage over Paulus brengt Paula Fredriksen naar voren dat de brieven van Paulus de oudste bronnen zijn die door een farizeeër zelf zijn geschreven. Iets dat weinig wordt beseft. Zij stelt dat Paulus door zijn ontmoeting met Jezus een betere farizeeër werd en dat zijn boodschap is dat Jood en heiden samen behoren tot de gemeente die door de Geest wordt geleid. Daarbij is het niet de bedoeling dat heidenen zich aan de specifiek mozaïsche wetgeving houden.

Haar bijdrage is helemaal in de lijn van het nieuwe perspectief op Paulus waarin wordt gesteld dat de boodschap van de rechtvaardiging geen soteriologische maar ecclesiologische boodschap is. Echter, wie dat stelt, loopt vast met de eerste hoofdstukken van de brief aan de Romeinen waar Paulus stelt dat door de wet de kennis van zonde is en heel de wereld onder Gods oordeel ligt.

We moeten oppassen de farizeeërs als eigengerechtige huichelaars te tekenen. Maar wie de lijn doortrekt naar het latere Jodendom weet dat als het gaat om de ernst en omvang van de zonde de wegen van de christelijke kerk en het rabbinale Jodendom uiteengaan. Het rabbinale Jodendom kent geen leer van de erfzonde. Daarmee hangt samen dat er in het rabbinale Jodendom geen Middelaar nodig is om de kloof tussen God en mens te overbruggen. Ik leg er wel de vinger bij dat in de bijdrage van Fredriksen blijkt dat Hiëronymus die zelf, in onderscheid tot Augustinus, Hebreeuws beheerste, Augustinus die vaak van vervangingstheologie wordt beschuldigd, te vriendelijk vond over de Joden.

Uit de bijdrage van Randall Zachman over de farizeeërs in de geschriften van Luther en Calvijn blijkt dat hun kritiek op de farizeeërs feitelijk allereerst op rooms-katholieke tijdgenoten is gericht. Calvijn vraagt dan nog wel afzonderlijk aandacht voor de Schriftuitleg van de farizeeërs. Bij Calvijn is de focus op het niet juist verstaan van de Schrift en bij Luther in hun neerzien op medezondaren. Al met al biedt The Pharisees gedegen informatie. Dat blijft staan, ook als wij de theologische uitgangspunten van de auteurs niet delen.

Joseph Sievers en Amy-Jill Levine (red.), The Pharisees (Eerdmans: Grand-Rapids, 2021), hardcover 506 pp., $54,99 (ISBN 9780802879295)

Plaats een reactie