Inleiding
N.T. Wright is wereldwijd een toonaangevend nieuwtestamenticus. De boeken van geen enkele nieuwtestamenticus worden ook buiten academische kring zo breed gelezen als die van Wright. Dat laatste heeft alles te maken met zijn stijl. Zonder dat het ten koste gaat van de academische diepgang kan Wright de dingen zeer toegankelijk verwoorden. Wel geldt dat detailexegese niet het sterkste punt is van zijn geschriften.
Wright heeft naam gemaakt met serie ‘Christian Origins and the Question of God’. In het derde deel, The Resurection of God, heeft hij met een keur van argumenten de historiciteit van de opstanding verdedigd. Wright gaat daarin ook niet mee met de onder andere door Karl Barth bepleitte visie dat de opstanding niet historisch onderzocht kon worden. Daarmee wordt geen recht gedaan aan de claim van de schrijvers van de evangeliën dat zij geschiedschrijvers zijn. Wright geeft niet alleen rekenschap van het historische gehalte van het Nieuwe Testament, hij houdt ook vast aan de bijbelse boodschap over huwelijk en seksualiteit en dat tegen de tijdgeest in.
In het uit twee banden bestaande vierde deel uit de serie ‘Christian Origins and the Question of God’ geeft Wright een zeer brede uiteenzetting van de theologie van Paulus. Wright is niet alleen zeer goed thuis in het Nieuwe Testament, maar ook in de hellenistische literatuur en de geschriften van het Jodendom van de Tweede Tempel. Als geen ander is hij op de hoogte van de leefwereld waarin de eerste christenen zich bewogen en het gedachtenklimaat dat hun denken stempelde dan wel het gedachtenklimaat waarmee zij geconfronteerd worden. Dat blijkt ook in zijn Paul and the Faithfulness of God.
Wright beziet – en dat naar mijn overtuiging terecht – de boodschap van Paulus in het licht van zijn kijk op de wereld; een kijk die diep was gestempeld door het Oude Testament. Voor Wright is bepalend dat het Joodse volk ondanks de terugkeer van een rest uit Babel feitelijk toch nog in ballingschap verkeerde en dat die niet alleen voor de Joden in de diaspora gold maar ook voor hen die in het land van de vaderen woonden. De echte vervulling van wat de profeten hadden voorzegd over de terugkeer uit de ballingschap stond nog uit.
Met de komst van de Heere Jezus Christus, zo stelt Wright, gingen de beloften over het einde van de ballingschap in de vervulling. Daarbij wijst hij erop hoe de inhoud van Deuteronomium 27-30 doorwerkt in de brieven van Paulus. Wright brengt ook naar voren dat de komst van Christus de climax is van Gods verbond met Abraham. Het nageslacht van Abraham had gefaald in haar roeping een zegen te zijn voor de volkerenwereld, een zegen die weer het antwoord moet zijn van de vloek over de mensheid.
Samen met James D.G. Dunn is Wright een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het zogenaamde nieuwe perspectief op Paulus. Tussen de vertegenwoordigers van het nieuwe perspectief bestaan onderlinge verschillen, maar wat hen bindt is de overtuiging dat de focus van de boodschap van Paulus over de rechtvaardiging niet de soteriologie is (hoe kunnen wij voor Gods aangezicht bestaan?) maar de ecclesiologie (aan welke voorwaarden moeten we voldoen om tot de gemeente van het nieuwe verbond te behoren?).
De boodschap van de rechtvaardiging maakt dan duidelijk dat daarvoor niet de mozaïsche kenmerken van identiteit nodig zijn (besnijdenis, sabbat, reinheids- en spijswetten) maar geloof in Jezus als de beloofde Messias. In Zijn gemeente is er geen onderscheid tussen Jood en heiden. Ethisch exclusivisme doet geen recht aan het feit dat de nieuwe bedeling is aangebroken. Wright benadrukt dat Paulus Jood was en bleef maar als theoloog de betekenis van de verkiezing van Israël, Gods verbond met Israël en de tempel in het licht van Christus’ werk herdefinieerde. Zo is de gemeente en niet langer de tempel de woonplaats van Gods aanwezigheid.
Paulus was volgens Wright de eerste theoloog van de christelijke kerk. Daarin val ik hem bij en daarbij verdisconteer ik dan wel dat Paulus schreef als spreekbuis van de Heilige Geest. Echter, zeker is dat in hun theologische reflectie de theologen van de Vroege Kerk konden aansluiten bij vooral de geschriften van Paulus en Johannes.
*
Een bundel waarin de zienswijze van Wright op Paulus kritisch wordt geanalyseerd
Naast bewondering en bijval hebben de geschriften van Wright ook kritiek opgeroepen variërend van kritiek waarin de waardering overheerst tot meer fundamentele kritiek. Een bundel met bijdragen waarin de zienswijze van Wright op Paulus kritisch wordt geanalyseerd verscheen in 2016 bij Mohr Siebeck. Deze bundel is de moeite van het lezen alleszins waard. Zeker voor hen die Wright wel heel kritiekloos volgen.
De titel van de bundel is origineel. Zinspelend op de titel van de studie van Wright over Paulus werd het God and the Faithfulness of Paul. De bundel is in zes rubrieken verdeeld. 1. proloog; 2. methodologische vraagstukken; 3. contextuele vraagstukken; 4. exegetische vraagstukken; 5. implicaties en tenslotte een epiloog van de hand van Wright zelf waarin hij ingaat op de kritische vragen die hem zijn gesteld en de kritische opmerkingen die zijn gemaakt.
*
Wright meer dan alleen een nieuwtestamenticus
De meeste nieuwtestamentici geven zich niet tot nauwelijks rekenschap van filosofische en methodologische vragen die aan de concrete exegese voorafgaan. Dat ligt bij Wright anders en dat wordt in meerdere bijdragen in God and the Faithfulness of Paul waarbij het gesprek met Wright wordt aangegaan, duidelijk.
Wright geeft zelf aan dat hij in de kennisleer het kritisch realisme aanhangt. Hij gaat ervan uit dat er een objectieve waarheid over God, Jezus en de geschiedenis bestaat. Wie het Nieuwe Testament leest als een menselijke constructie over God, Jezus en de geschiedenis doet geen recht aan wat het Nieuwe Testament zelf betuigt. Kritisch in verband met realisme betekent dat wij nooit volledig kunnen waarnemen en dat onze waarneming niet los staat van onze persoon. Andreas Losch legt de vinger bij dit aspect van Wrights benadering. Hij vraagt er de aandacht voor dat, omdat God naast object vooral subject is, kritisch realisme in exegese en theologie een bijzondere kleur heeft. Iets waaraan Wright recht wil doen.
Wright is ook goed op de hoogte met het feit dat geschiedschrijving altijd geschiedschrijving is vanuit een bepaald perspectief. Onbevooroordeelde geschiedschrijving bestaat niet. Maar geschiedschrijving doet als het goed is wel recht aan de feiten en analyseert wat echt een feit is en wat niet. Hij weet dit inzicht vruchtbaar te maken in zijn beschrijving van de inhoud van het Nieuwe Testament.
*
Het paradigma van Wright doet geen recht aan meerdere elementen van het Nieuwe Testament waaronder in het bijzonder die van het laatste oordeel
In meerdere bijdragen komt naar voren dat naast de komst van Christus, wat als het einde van de ballingschap kan worden gezien, en de climax van Gods verbond met Abraham er nog andere zaken kunnen worden genoemd die het wereldbeeld van Paulus hebben bepaald. Door de genoemde twee elementen overal als bepalend aanwezig te zien heeft zijn exegese meer dan de argeloze lezer zich bewust is, een hypothetisch en soms ook speculatief karakter. De kracht van Wright is dat hij een samenhangende visie op wat Paulus schreef presenteert maar zijn zwakte is dat hij meer dan eens zijn eigen zienswijze in teksten inleest.
De kritiek dat Wright veel te weinig de beslissende betekenis van het laatste oordeel en de wederkomst verdisconteert, komt in een aantal bijdragen in deze bundel terug. Wright meent dat de werkelijkheid na het laatste oordeel in hoge mate aansluit bij deze werkelijkheid. Daarmee doet hij geen recht aan wat wel het apocalyptisch karakter van het Nieuwe Testament wordt genoemd. Deze werkelijkheid zal brandend vergaan.
Ongetwijfeld is er continuïteit, maar als volgens Wright de bestaande werkelijkheid alleen maar gereinigd en gelouterd wordt, moet hij meerdere wel heel duidelijke nieuwtestamentische gegevens negeren. Zowel in de bijdragen van James Hamilton Charlesworth als van Jörg Frey komt naar voren dat Wrights paradigma van het vroeg Joodse denken tekort schiet zowel als wij afgaan op het Nieuwe Testament zelf als op buiten-bijbelse Joodse geschriften. Wie de apocalyptische zijde van het Nieuwe Testament recht doet, zal aandacht vragen voor de tegenstelling tussen het koninkrijk van God en deze wereld tot aan de wederkomst van Christus.
*
Opmerkingen over de wijze waarop Wright de christologie benadert en over de plaats die het boek Handelingen in zijn presentatie van Paulus heeft
Wright is een van de nieuwtestamentici die bestrijdt dat er sprake is van een geleidelijke ontwikkeling van een zogenaamde lage christologie waarin het feit dat Jezus als de Zoon van God ook zelf God is geen plaats heeft, naar een hoge christologie. Daarin behoort hij hartelijk te worden bijgevallen. Echter de wijze waarop hij dit beargumenteert is weer een voorbeeld dat een eigen schema over concrete teksten wordt gelegd.
Hij fundeert dat de christologie van meet af aan hoog was vooral door te stellen dat de belofte van de terugkeer van de HEERE naar Sion zoals in het Oude Testament voorzegd, met de komst van Christus werd vervuld. Bezwaar is dat deze lijn in het Nieuwe Testament als het gaat om Christus’ eerste komst zo niet wordt getrokken. Het Nieuwe Testament doet dit wel als het gaat om de wederkomst. We vinden deze kritiek in de bijdrage van Larry Hurtado. Hier hebben we dan een voorbeeld dat Wright een eigen schema over de teksten legt.
Ik wijs er ook op dat door meerderen is geconstateerd dat Wright in zijn ongetwijfeld monumentale werk over Paulus nalaat gegevens uit Handelingen echt te verwerken. Zowel Theresa en Christoph Heilig als Eckhard J. Schnabel merken dat in de door hen geschreven bijdragen op. Schnabel stelt dat wanneer Handelingen wel wordt verwerkt concreter kan worden uitgewerkt hoe Paulus zijn boodschap in een missionaire context uitdroeg.
*
Het nieuwe en het oude perspectief
In de bijdrage van de hand van Benjamin Schliesser over de plaats en het karakter van Paul and the Faithfulness of God tussen andere boeken over theologie van Paulus komt onder andere naar voren dat het bezwaar van Thomas Schreiner is dat Wright veel te weinig recht doet aan wat Paulus schrijft over de toorn van God en de ernst van de zonde. Jammer is dat Schreiner zelf niet voor een bijdrage aan deze bundel is gevraagd. Van de medewerkers aan deze bundel staan in ieder geval Peter Stuhlmacher en Schnabel kritisch ten opzichte van het zogenaamde nieuwe perspectief op Paulus. Schnabel spreekt over de wijze waarop Wright de vraag naar de persoonlijke zaligheid losmaakt van het Evangelie als een exegetische curiositeit.
Stuhlmacher ontkent dat de rechtvaardiging allereerst met het behoren in de gemeente heeft te maken. De boodschap van de rechtvaardiging is een boodschap gerelateerd aan die van de verzoening en verlossing. Helaas doet Stuhlmacher dan zelf geen recht aan het feit dat Christus aan het kruis plaatsvervangend ook de toorn van God wegdroeg. Dan geven Schreiner en ook John Piper een ander geluid. Evenals Schreiner heeft ook Piper op bekwame wijze het oude perspectief op Paulus verdedigd.
Elementen uit het nieuwe perspectief kunnen daarin ingepast worden. Omgekeerd kan dat niet. De kritiek van Piper op Wright gaat dan ook verder dan die van Stulhmacher, maar evenmin als Schreiner is Piper voor de bundel God and the Faithfulness of Paul gevraagd. Zowel Schreiner als Piper stellen in onderscheid van Stuhlmacher dat hoewel wij geoordeeld worden naar onze werken als vrucht van het geloof ook in het laatste oordeel onze vrijspraak als zodanig uitsluitend gebaseerd is op wat Christus voor ons deed.
Voor Wright is Gods gerechtigheid Zijn trouw aan het verbond. Charles Lee Irons heeft in een uitvoerige studie erop gewezen dat Gods gerechtigheid allereerst Zijn handelen volgens vaste normen is. Jammer is dat Irons zelf niet voor een bijdrage is gevraagd, maar ook Torsten Jantsch schrijft in zijn bijdrage in God and the Faithfulness of Paul dat getrouwheid in het Oude Testament niet allereerst met Gods trouw moet worden verbonden. Het is een juridische term die te maken heeft met het feit dat God rechter is. Gods rechtvaardigheid geopenbaard in het Evangelie is Zijn reddend handelen waarbij Hij genade schenkt aan zondaren die dat niet hebben verdiend.
Wie wil weten hoe collega’s van Wright tegen zijn werk aankijken kan ik het lezen van de bundel God and the Faithfulness of Paul aanraden. De bijdragen laten zien dat Wrights benadering bepaald niet het laatste woord is. Voor degenen voor wie Wright ongeveer de enige nieuwtestamenticus is die men echt kent, is het lezen van deze bundel een must.
Wie de theologische implicaties van de benadering van Wright breder belicht wil zien zal ook andere werken ter hand moeten nemen. Wright kan heel kritisch schrijven over de erfenis van de christelijke kerk uit het verleden en daarbij tegenstellingen maken die de juiste niet zijn.
Dogmatici en kerkhistorici kunnen ons helpen daarvoor oog te krijgen of ons zicht daarop te verscherpen. Goed is te weten dat zijn visie op de verhouding van het koninkrijk van God en deze wereld niet alleen anders is dan die van het piëtisme waartegen Wright zich telkens weer nadrukkelijk keert maar ook anders dan die van Augustinus, Luther en Calvijn. Zonder iets van de belezenheid van Wright af te doen meen ik dat de laatsten daarin het Nieuwe Testament beter hebben begrepen dan Wright.
Christoph Heilig, J. Thomas Hewitt en Michael F. Bird (red.), God and the Faithfulness of Paul. A Critical Examination of the Pauline Theology of N.T. Wright, WUNT 2. Reike 412 (Tübingen: Mohr Siebeck, 2016), paperback 833 pp., €149,- (ISBN 978-3-16-153851-3)