Van wie gedachten en meditaties?
Op 12 december 2025 gaf ik op mijn weblog een aantal gedachten weer van een theoloog van wie ik de naam niet noemde en vermeldde ik ook hoe hij worstelde om het behoud van zijn zoon die met de kerk had gebroken. Ik gaf ook aan wat zijn lievelingspsalm was. Twee meditaties van deze theoloog stonden in de bijdrage op deze website van 5 januari. Ongetwijfeld hebben de lezers zich afgevraagd wie deze predikant was. Lezers van deze website die de bewuste bijdragen over het hoofd zagen, zou ik willen vragen ze alsnog te lezen. De eerste bijdrage had als titel Gedachten over de prediking en het geestelijk leven en de tweede Twee meditaties. (Zie: https://drpdevries.com/2025/12/12/gedachten-over-de-prediking-en-het-geestelijke-leven-2/ en https://drpdevries.com/2026/01/05/twee-meditaties/).
Het antwoord op de vraag om welke theoloog het ging is: Abraham Kuyper (1837-1920). Helaas is de kennis van de kerkgeschiedenis gering geworden. Degenen wie de naam Kuyper wel iets zegt kennen het meestal uit de tweede hand. Zowel in de Christelijke Gereformeerde Kerken als in de Gereformeerde Gemeenten was de naam Kuyper zeer belast. Hij was de man van de vooronderstelde wedergeboorte en die wees men terecht van de hand. Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken in 1892 zij het in zeer afgeslankte vorm had alles te maken met het feit dat de christelijke gereformeerden die niet meegingen met de vereniging van 1892 op dit punt grote bezwaren hadden tegen Kuyper.
Die bezwaren waren er ook in confessionele kring in de Hervormde Kerk. Men miste bij Kuyper de volkskerkgedachte. Ondanks het feit dat men kerkelijk verschillend dacht is er binnen de Gereformeerde Bond lang een stroming geweest die sympathie voor Kuyper had. Dat veranderde pas echt na de Tweede Wereldoorlog. In de loop van de jaren zestig maakte de sympathie voor Kuyper plaats voor die van Van Ruler. Tussen Kuyper en Van Ruler zijn verschillen maar ook overeenkomsten. Nog veel meer dan bij Kuyper het geval was, vroeg Van Ruler aandacht voor de taak van een christen in de maatschappij. Dan moeten we eerlijk zeggen dat Van Ruler feitelijk veel verder van de gereformeerde belijdenis afstond dan Kuyper, ook al had hij meer waardering voor artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis dan Kuyper.
Wie de geschriften van Kuyper zelf leest, kan beter begrijpen waarom het voor meerdere hervormde predikanten een prangende vraag was of zij al dan niet met Kuyper moesten meegaan. Kuyper kwam immers op voor het volstrekte gezag van Gods Woord en stelde de verzoening door voldoening centraal. Zijn meditaties hadden een bevindelijke kleur. Ook Kuyper was ervan overtuigd dat in de prediking het onderscheid tussen bekeerd en onbekeerd naar voren behoorde te komen.
Als alleen de lichtzijden van Kuyper worden benadrukt – iets wat wij in onze tijd vooral in de Engelssprekende wereld en in Azië zien – zal ik niet nalaten aandacht voor de schaduwen van zijn zienswijze te vragen. Bij een zo grote nadruk op de cultuurtaak van een christen, zoals Kuyper dat zag, raakt onwillekeurig het feit dat een christen een pelgrim op aarde is op de achtergrond en de gevolgen daarvan zijn op termijn ernstig.
Kuypers visie dat de Heilige Geest de wedergeboorte los van het Woord tot stand brengt en de doop alleen betekenis kan hebben als wij mogen vooronderstellen dat de gedoopte wedergeboren is, strookt niet met het getuigenis van de Schrift. Veel nadrukkelijker dan Kuyper deed moet in de prediking ook het appel tot zelfonderzoek klinken.
Moeite heb ik met kritiek op Kuyper vooral bij hen die aan de noties van de toe-eigening van het heil en van tweeërlei kinderen van het verbond nog veel minder recht doen dan Kuyper. Dat zie ik in de kring van de Gereformeerde Bond, van de Christelijke Gereformeerde Kerken en ook in de Hersteld Hervormde Kerk. Ook in eigen kring kom ik helaas mensen tegen die veel verder afstaan van wat prof. dr. J. Severijn, een van de vroegere voorzitters van de Gereformeerde Bond, de religie van de belijdenis noemde dan Kuyper.
Met kritiek op Kuyper kan men in bepaalde kringen heel goed scoren. Echter, het zou veel beter zijn om in eigen kring ertoe op te roepen dat in de prediking en het catechetisch onderwijs niet alleen over de rijkdom van Gods beloften wordt gesproken en de waarde van de doop wordt belicht, maar ook dat er aandacht voor is dat elke gedoopte persoonlijk wedergeboren moet worden en door een levend geloof Christus omhelzen.
De praktijk laat meer dan eens al zien dat dit niet het geval is. Zoals menige Jood in de dagen van Johannes de doper en van Jezus toen Hij op aarde was, meende het koninkrijk van God te kunnen binnengaan omdat hij als verbondskind ten achtste dage was besneden, zo menen meerderen nu dat dit voor hen geldt omdat zij als verbondskind zijn gedoopt. Men gaat ervan uit dat iedereen die bij de gemeente behoort, reeds in een liefdesrelatie met God staat zonder dat men persoonlijk weet van verzoening met God en het geroepen zijn uit de duisternis tot Gods wonderbare licht.
Wat aangrijpend is het als kinderen nooit uit de mond van hun ouders hebben gehoord over de noodzaak te weten hoe groot onze zonden en ellende zijn, dat zij er nooit op zijn gewezen dat zij persoonlijk als een zondaar tot Christus moeten leren vluchten en dat de Heere van ons vraagt dat wij de goede keuze maken om liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd van de zonden te genieten.
Terwijl christelijke gereformeerden vroeger niet ten onrechte kritiek hadden op Kuyper kan men daar nu horen dat wij door Christus aan elkaar zijn gegeven en daarom één familie vormen. Voor sommigen betekent dat ook dat wij naar eenwording met Rome moeten zoeken en eigenlijk lijkt mij dat ook een logische conclusie als je zo denkt. Wat echter ontbreekt, is het spreken van de kenmerken van de ware kerk en van de ware christen en zo gaat men vele malen verder dan Kuyper met zijn leer van de vooronderstelde wedergeboorte in relatie tot de doop.
Onlangs vertelde mij iemand dat hij uit de mond van een predikant gehoord had dat een vader wiens zes kinderen allemaal met de kerk hadden gebroken, op zijn sterfbed toch meende dat hij over hen geen zorg behoefde te hebben omdat zij verbondskinderen waren. Zo’n uitspraak is echt ondenkbaar op de lippen van Kuyper. Daarvoor was hij er te diep van overtuigd dat aan deze zijde van het graf moet blijken dat de vooronderstelling van wedergeboorte juist was.
Als het ging om kinderen van het verbond, was voor Kuyper verloren gaan bepaald geen onmogelijke mogelijkheid. Hij deed ook niets af van het feit dat er twee wegen zijn en dat het niet vanzelf spreekt dat de weg van een verbondskind eindigt in de hemel. Dat blijkt uit de woorden waarmee ik de bijdrage over Gedachten over het geestelijke leven en de prediking besloot; die spreken duidelijke taal. Het is de slotpassage uit een meditatie ”Dood waar is uw prikkel?” en de openingspassage van de meditatie “Goddelijke kastijding” die te vinden zijn in de bundel In de schaduwe des doods.
Ook wie leest hoezeer Kuyper geleden heeft om het feit dat zijn zoon Frederik met de kerk had gebroken en hoezeer het hem verdriet heeft gedaan dat hij niet kon merken dat deze zoon de Zaligmaker nodig kreeg, weet dat ik niets te veel neerschrijf. Hij ging er niet vanuit dat het toch wel goed zou komen omdat ook deze zoon was gedoopt. Wel bleef hij tot aan zijn dood pleiten voor deze zoon en dat omdat God de God van het verbond is Die redenen neemt uit Zichzelf.
De zienwijze van Kuyper dat anders de doop schijndoop is geweest, wijs ik volledig af. Maar met hem geloof ik dat het ons zonder geloof en bekering niet zal baten dat wij gedoopt zijn (in zijn visie was er dan geen zaad dat kon ontkiemen). Dat wij als verbondskind gedoopt zijn baat ons niet voor de zaligheid als wij niet hebben leren roemen in het kruis van Christus als de enige grond van ons behoud. Evenmin als het onder de oude bedeling kon baten wel naar het vlees besneden te zijn maar niet te weten van de besnijdenis van het hart.
*
Kuyper een omstreden man. Bejubeld en verguisd
Zowel tijdens zijn leven als na zijn dood is Kuyper bejubeld en verguisd. Zijn optreden veroorzaakte tijdens zijn leven telkens weer een tweedeling zowel maatschappelijk, politiek als kerkelijk. Als staatsman werd Kuyper overigens internationaal gewaardeerd. Geen andere Nederlandse politicus kan wat dat betreft in zijn schaduw staan. En vriend en vijand was van zijn grote journalistieke gaven overtuigd.
Zowel in de politiek als in de Hervormde Kerk haalde hij zich de toorn van de liberale elite op de hals. Kerkelijk is Kuyper vooral bekend om de Doleantie die in 1886 plaatsvond. Kuyper was van mening dat plaatselijke hervormde gemeenten zich aan het juk van de door de liberalen gedomineerde synode moesten onttrekken.
Eigenlijk is de Doleantie een project dat Kuyper heeft teleurgesteld. Weliswaar volgden ruim tweehonderdduizend gemeenteleden en 76 predikanten hem in zijn uittocht uit Hervormde Kerk, maar de meerderheid van het kerkvolk dat een gereformeerde prediking begeerde, bleef hervormd. Dat gold ook voor de predikanten. Er bleven honderden predikanten hervormd die een prediking naar Schrift en belijdenis brachten. Sinds de Doleantie was Kuyper vooral in de confessionele kring in de Hervormde Kerk omstreden. Om maar te zwijgen van hen die links van de confessionele richting stonden.
Wel is het mede aan de inzet van Kuyper te danken dat de kerken uit de Doleantie in 1892 samenvloeiden met de Christelijke Gereformeerde Kerk om samen de Gereformeerde Kerken in Nederland te vormen. Echter, een heel klein deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk ging niet mee met deze vereniging. Daar was en bleef Kuyper zeer verdacht en ik voeg eraan toe dat dit niet ten onrechte was. Ik kom daar nog op terug.
Kuyper zelf heeft in de Gereformeerde Kerken nooit een invloedrijke plaats gezocht. Om zijn politieke doelen te verwezenlijken had hij namelijk vooral ook kiezers uit de Hervormde Kerk nodig. Een niet onbelangrijk deel van de kiezers van de door hem opgerichte Antirevolutionaire partij bleef in 1886 hervormd.
Daaronder waren ook hervormden die tot de ethische richting in de Hervormde Kerk behoorden. Het bekendste voorbeeld ervan is Ds. A.S. Talma (predikant en politicus). Men wist zich aangesproken door de standpunten van Kuyper op sociaal gebied. Daarom gaf men de voorkeur aan de Antirevolutionaire Partij van Kuyper boven de Christelijk Historische Unie, een partij waarop de confessionelen en het overgrote deel van de ethischen binnen de Hervormde Kerk stemden.
*
De Gereformeerde Bond en Kuyper
De reserve die er in confessionele en ethische kring tegen Kuyper was, was er in veel mindere mate voor de in 1906 opgerichte Gereformeerde Bond. Daar bleef ondanks de Doleantie de waardering voor Kuyper overheersen. Niet alleen politiek maar ook theologisch. De oprichting van de Gereformeerde Bond stond niet los van het einde van het kabinet van Kuyper. De mannen die betrokken waren bij de Gereformeerde Bond, waren verontwaardigd dat meerdere hervormden bij de verkiezingen na de val van het kabinet van Kuyper geen ARP hadden gestemd.
Vanwege de sympathie voor Kuyper hadden predikanten die zich meer oriënteerden op de Nadere Reformatie (al kende Kuyper de Nadere Reformatoren ook goed en wist hij zich vooral door Voetius en Comrie aangesproken) daarom vaak gemengde gevoelens bij de Gereformeerde Bond. Meerderen werden om die reden geen lid. Toch werden hun namen wel in het adressenboekje van de Gereformeerde Bond vermeld. Men nam namelijk al spoedig de namen op van alle predikanten die in hun diensten geen gezangen lieten zingen.
In de loop van de jaren nam het getal van predikanten dat lid werd van de Gereformeerde Bond toe. Na de Tweede Wereldoorlog was er inderdaad maar een enkele hervormde predikant, die geen gezangen liet zingen, geen lid van de Gereformeerde Bond. Toen begon ook de sympathie voor Kuyper trouwens te tanen.
Dat er in de kring van de Gereformeerde Bond in de eerste helft van de twintigste eeuw anders tegen Kuyper werd aangekeken dan in de kring van de Christelijke Gereformeerden en de Gereformeerde Gemeenten blijkt uit het volgende. Zowel De Wekker (het orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken) als De Samenbinder (het orgaan van de Gereformeerde Gemeenten) maakten geen melding van het overlijden van Kuyper op 8 november 1920. Dat lag blijkbaar te gevoelig.
Dat lag voor De Waarheidsvriend (het orgaan van de Gereformeerde Bond in de Nederlands Hervormde Kerk) anders. Daar lazen lezers in het nummer dat op 12 november uitkwam het volgende (ik laat de spelling ongewijzigd):
‘Een groot man is uit ons midden heengegaan. Op 8 November, des avonds tegen 6 uur sliep dr. A. Kuyper stil in, terwijl de naaste familie, die aan de stervenssponde stond, zijn heengaan haast bemerkte. Met het afsterven van den grooten Christen-Staatsman is het tweede gedeelte van de historie van het Antirevolutionaire volk afgesloten. Op 19 Mei 1876 stierf mr. Groen van Prinsterer en met hem daalde de stichter der Antirevolutionaire partij ten grave, die in dr. Kuyper den man der jongere generatie als zijn opvolger aanwees.
Wat ons volk in dr. Kuyper thans verliest, is op dit oogenblik nog niet in zijn vollen omvang te zeggen. De geschiedenis zal ons dit eerst dan leeren, wanneer de krachtige figuur van den man, die bijna ’n halve eeuw ’t politieke leven in Nederland beheerschte, in zijn volle persoonlijkheid zal zijn uitgebeeld.
Maar dit weten we nu reeds te zeggen, dat in het graf nederdaalt een man, die ons volk liefhad en door een groot gedeelte van dat volk werd geëerd en gewaardeerd. Het groote werk van dr. Kuyper’s leven was, dat hij ons volk inleidde in de heerlijke beginselen, welke in het Calvinisme liggen voor de ontwikkeling van het Staatkundige leven.
Van die beginselen wist hij allen, die zich bij hem aansloten te doordringen en krachtens die beginselen, opkomende voor de volle souvereiniteit Gods, overtuigde hij de Antirevolutionairen in den lande steeds in sterkere mate, dat het op elk terrein des levens gaan moet om de eere des Heeren. Ons volk voor de Calvinistische beginselen te winnen, daarin lag de levenstaak van den ontslapen Staatsman.
En tot in zijn levensavond heeft hij als een trouwe herder het ons volk voor oogen gehouden, dat, wil het zijn hooge roeping verstaan, de wacht moet worden betrokken bij het Kruis. Ook ons blad wil in deze droeve dagen God danken voor hetgeen Hij gaf in hem, die thans heenging. En met weemoed staren we hem na als een onzer groote voormannen, die ons leidde op de paden, waarin de gerechtigheid een volk verhoogt.’
*
De geestelijke gang van Kuyper
Kuyper kwam uit een gematigd rechtzinnig milieu. Tijdens zijn studie in Leiden ontwikkelde hij zich in vrijzinnige richting. Echter, tegen het einde van zijn studie kwam er door het lezen van de roman The Heir of Redclyffe een wending. Toen hij zich aan zijn eerste gemeente Beesd verbond, kon hij tot de ethische richting worden gerekend. In Beesd begint de wending van Kuyper naar het calvinisme. Hij bezocht ook gemeenteleden die thuis preken lazen, omdat zij in de kerk geen geestelijk voedsel ontvingen.
Een van hen was de ongetrouwde molenaarsdochter Pietje Baltus. Zij was zeven jaar ouder dan hij. Bij de eerste ontmoeting (begin 1864) weigerde Pietje aanvankelijk de hand van de jonge Abraham te schudden, omdat zij in hem een onvolwaardige predikant zag, die niet het volle evangelie verkondigde. Toen Kuyper haar vroeg hoe zij over zijn preken dacht, vergeleek zij die met de namaakworst uit de vitrine van de slager: smakelijk van buiten, maar onverteerbaar van binnen.
Toen hij na het eerste gesprek met haar vertrok, heeft Kuyper gevraagd dat, als ze hem dan niet als christen en predikant een hand kon geven, zij het hem wel als mens wilde doen. En dat deed Pietje. Menig predikant uit de gereformeerde gezindte zal, als hij zo tegemoet wordt getreden, dit Kuyper niet nadoen. Deze zijde van Kuyper wordt nogal eens vergeten. Kuyper was een uitermate dominant man die mensen kon gebruiken om zijn plannen te verwezenlijken. Maar dit was ook Kuyper.
In zijn Confidentie heeft Kuyper verteld dat de ontmoetingen met Pietje Baltus en met gemeenteleden in haar lijn, een omkeer in zijn leven hebben veroorzaakt. Een omkeer naar het calvinisme, een omkeer naar de boodschap van de soevereiniteit van God. Zalig worden is geen menselijke prestatie maar soevereine genade. In Confidentie noemt Kuyper de naam van Pietje Baltus niet. Dat is echter niet verwonderlijk. Wanneer een predikant publiek herinneringen ophaalt uit zijn eerste gemeente, zal hij veelal geen namen noemen van nog levende gemeenteleden.
Toen op haar oude dag een foto van Pietje Baltus werd gemaakt, plaatste Kuyper dat op zijn bureau. Hij bleef er staan tot zijn dood. Pietje Baltus volgde Kuyper niet in de Doleantie. Zij is thuis preken blijven lezen en ging zo nu en dan naar de Hervormde Kerk ter plaatse. Was zij meegegaan met de Doleantie, dan had zij alleen dat laatste moeten opgeven, want in Beesd zelf kwam er geen (Nederduits) Gereformeerde Kerk. Dit weten we wel dat Pietje Baltus nooit vragen heeft gehad bij de realiteit van Kuypers omkeer.
Het is aan Kuyper te danken dat de naam Heere met tweemaal een ‘e’ en dan aan het einde een stomme ‘e’ weer wijd verbreid werd. Hij schreef zo de naam van God en sprak hem altijd met een stomme ‘e’ uit. Wie preken van rechtzinnige en ook zeer bevindelijke predikanten uit de negentiende eeuw leest, bemerkt dat velen geen enkele moeite hadden God ‘Heer’ te noemen en Hem als ‘Heer’ aan te spreken.
Kuyper ontwikkelde zich na zijn vertrek uit Beesd tot een persoon die niet alleen nationaal maar ook internationaal aandacht trok. Bij tal van gelegenheden waar Kuyper sprak in binnen- en buitenland, wilde men hem het toenmalige volkslied toezingen: ‘Wien Neerlands bloed in d’ad’ren vloeit, van vreemde smetten vrij.’ Kuyper wilde daar onder geen beding van weten. Hij stond erop dat het eerste en zesde couplet van het Wilhelmus werden gezongen. Het is een van de redenen dat koningin Wilhelmina, die aanvankelijk zeer gereserveerd ten opzichte van Kuyper stond, waardering voor hem kreeg. Het is vooral aan Kuyper te danken dat een aantal jaren na zijn dood het Wilhelmus weer ons volkslied werd.
Kuyper was de man van de vrije kerk in een neutrale staat. Daarin was hij geen klassiek gereformeerd man maar echt een neocalvinist. Kuyper was echter ook de man die het grote gevaar zag van staatsabsolutisme. Hij was diep doordrongen van de soevereiniteit van God en dat God in de geschiedenis Zijn verkiezend welbehagen volvoert.
Naast de particuliere genade was er voor Kuyper ook de algemene genade en het cultuurmandaat. Een christen diende op alle terreinen van het leven voor Christus uit te komen. In zijn rede Soevereiniteit in eigen kring bij de opening van de Vrije Universiteit zei Kuyper: ‘Er is niet één terrein des levens waarover Koning Jezus, Die ons aller Soeverein is, niet uitroept: Mijn.’ Deze woorden tonen het neocalvinisme van Kuyper zowel in zijn kracht als zwakheid. Er is sprake van een oprechte begeerte God te verheerlijken. Tegelijkertijd heeft die wens een heel activistische gloed.
Echter, ik laat niet na te vermelden dat Kuyper met zijn brede visie op de cultuurtaak van een christen ervan overtuigd was dat de roeping van een getrouwde vrouw in haar gezin lag. Als het gaat om de positie van de vrouw zit Kuyper aan wat nu de rechterzijde van de SGP is.
*
De persoon van Kuyper
Kuyper is als persoon niet makkelijk te doorgronden. Hij was ook een man zowel van zeer grote begaafdheid als met kennelijke gebreken. Dat laatste maakt het gemakkelijk hem te bekritiseren. Overal waar hij kwam, trok hij de aandacht. Johan Snel (Snel is een historicus en schrijver die meerdere boeken over Abraham Kuyper heeft gepubliceerd) maakt voor mij aannemelijk dat Kuyper dit toch wat minder welbewust deed dan nogal eens is gedacht. Dat maken niet in de laatste plaats zijn brieven aan het thuisfront duidelijk. Hij hoefde er niets voor te doen om aandacht te trekken. Hij kreeg het gewoon.
Kuyper kon over mensen heen walsen, maar opnieuw merken we uit zijn brieven dat hij dit niet zo ervoer. Zelf kon hij heel sterk persoon en kritiek op een persoon scheiden. Dat gold ook voor kritiek die op hem werd geuit. Zijn vriend Idenburg bemerkte bij Kuyper op dit punt zowel naïviteit als wereldvreemdheid.
Ik vermeld ook dat het feit dat Kuyper elk jaar twee maanden alleen op vakantie ging, niet als een bewijs moet worden gezien dat zijn huwelijk minder goed was. Hij was juist bijzonder op zijn vrouw Jo gesteld. Zijn vrouw en kinderen hadden de overtuiging dat hij zo’n vakantie nodig had om de rest van het jaar te kunnen presteren zoals hij dat deed.
Wie De levensavond van dr. A. Kuyper leest, geschreven door zijn dochters Johanna en Henriëtte , bemerkt de diepe achting die zij voor hun vader hadden. Bij alle merkwaardigheden die je toch als buitenstaander bij zijn persoon en optreden moet constateren, hebben zij kennelijk nooit een afstand tussen de levensovertuiging en levenspraktijk van hun vader gezien, maar waren zij ervan overtuigd dat voor hem de eer van God zijn diepste drijfveer was.
*
Mijn bezwaren
Dan neemt mijn vele bezwaren tegen Kuyper niet weg. Zowel in zijn wedergeboorteleer als in zijn wel heel optimistische visie op de cultuurtaak van een christen kan ik hem niet volgen. De citaten die ik weergaf in mijn bijdrage Gedachten over de prediking en het geestelijk leven (zie 12 december 2025) komen grotendeels uit het eerste deel van zijn Drie kleine vossen dat in 1901 bij uitgeverij Kok te Kampen verscheen. Ik gaf ze met instemming weer.
Kuyper kon ook in de Heraut schrijven dat iemand die niet de wedergeboorte van zijn te dopen kind veronderstelde, met geen goed geweten in de Gereformeerde Kerk kan blijven. Van een kerk die dat van mij zou vragen wat Kuyper hier vraagt, zou ik geen lid kunnen zijn. In zijn in 1891 verschenen werkje Voor een distel een mirt stelt Kuyper dat de catecheet zijn leerlingen, en de vader zijn kind als een wedergeborene moet opvoeden en wijzen op de noodzakelijkheid van bekering als vrucht van vooronderstelde wedergeboorte.
Wij lezen daar onder andere het volgende : ‘Zo belijden de Gereformeerde Kerken, dat deze daad van de wedergeboorte bij Gods uitverkorenen, in de regel, reeds plaats grijpt in hun prilste jeugd. Niet alsof dit “zaad” daarom dadelijk opschoot. Soms blijft het veeleer tot vergevorderde leeftijd in de akker verscholen. Maar toch is het uitsluitend de heerlijke veronderstelling van deze verborgen wedergeboorte, waarop de Gereformeerde Kerken haar eis doen rusten, dat elk gedoopte zich bekeren zal. Namen zij aan, dat de gedoopten niet wedergeboren zijn, zo zou die eis geen zin hebben.’
Ik weet dat Kuyper wist dat de vooronderstelling onjuist kon blijken. Dat moeten we ook heel goed beseffen, maar dan nog blijft staan dat dit niet de taal is van de Schrift en van de gereformeerde belijdenis. Ik val dan ook de kritiek op Kuyper, die onder andere van de zijde van de christelijke gereformeerden is geuit, helemaal bij.
Ik wijs ook op Kuypers brede cultuurvisie. Die is funest gebleken. Zij was een aanjager van kwalijke aanpassing aan de cultuur en deed de gedachte postvatten dat de taak van een christensamenleving de noodzaak van persoonlijke toe-eigening van de zaligheid en van de dagelijkse verborgen omgang met God overtreft. In zijn rede Soevereinteit in eigen kring bij de opening van de Vrije Universiteit sprak hij: ‘Er is niet één terrein des levens waarover Koning Jezus Die ons aller Soeverein is, niet uitroept: Mijn.’
Deze woorden tonen het neocalvinisme van Kuyper zowel in zijn kracht als zwakheid. Er is sprake van een oprechte begeerte God te verheerlijken. Tegelijkertijd heeft die wens een heel activistische gloed. Kuyper ging veel verder dan het klassieke calvinisme als het ging om de taak die in een christen heeft in de samenleving en cultuur en wat daarbij kan worden bereikt. Hij gaf een veel bredere betekenis aan de algemene genade en dat verklaart zijn optimistische cultuurvisie.
Veel meer nog dan de leer van de vooronderstelde wedergeboorte heeft deze visie de basis gelegd voor een omslag die vooral pas na zijn dood gestalte kreeg, en daarmee de neergang in zijn eigen kring. Men was actief op alle terreinen van het leven om die met het christelijke geloof te doordesemen, maar vergat het eerste en belangrijkste terrein dat van het eigen hart en de daarbij behorende verborgen omgang met God. Men overschatte wat de Heilige Geest in de samenleving teweeg brengt.
*
Slotbeschouwing
Toch zijn het juist christelijke gereformeerde predikanten uit de kring van ‘Bewaar het pand’ door wie mij duidelijk werd dat wij wel billijk moeten blijven in ons oordeel over Kuyper en niet alleen over Kuyper als de man van de vooronderstelde wedergeboorte moeten spreken maar ook aan andere zijden van zijn opvattingen recht moeten doen.
Als eerste noem ik ds. N. de Jong. Zijn laatste gemeente was Driebergen. Hij was een goede vriend van ds. C. Smits. Deze vertrok in 1969 als christelijke gereformeerde predikant naar Clifton in de Verenigde Staten en kwam in 1971 als oudgereformeerd predikant terug, nadat hij een beroep had aangenomen dat de Oud Gereformeerde Gemeente van Hardinxveld-Giessendam op hem had uitgebracht. Smits moest niets en dan ook niets hebben van verbondsautomatisme.
De anglicaanse bisschop J.C. Ryle werd in de Kerk van Engeland geconfronteerd met hoogkerkelijk sacramentalisme. Met een beroep op de doop werd de noodzaak van wedergeboorte en persoonlijke inplanting in Christus ontkend. Terecht zag Smits overeenkomsten tussen dit hoogkerkelijke sacramentalisme en het verbondsoptimisme dat hij in eigen kring tegenkwam. Daarom vertaalde hij de door The Banner of Truth uit de werken van Ryle samengestelde bundel Warnings to the Churches in het Nederlands en voorzag dat van een woord vooraf.
Smit kon zeggen: ‘Al dat gebroeder en zuster. Ik ben bang dat wij nog geen achterneven van elkaar zijn.’ Nu, dat viel De Jong helemaal bij en ik doe het met hem. Toen Smits veertig jaar in het ambt stond, sprak De Jong hem toe in de herdenkingsdienst die in de Oud Gereformeerde Gemeente van Hardinxveld-Giessendam werd gehouden.
En dan nu De Jong over Kuyper. Door ziekte had De Jong eens in Driebergen een avond geen catechisatie kunnen geven. Een ouderling had het die avond waargenomen. Op de een of andere manier was Kuyper ter sprake gekomen en de bewuste ouderling had gezegd dat wij Kuyper moeten zien als Jerobeam de zoon van Nebat die Israël zondigen deed.
De volgende catechisatieles vroeg een van de catechisanten hoe De Jong daarover dacht. De Jong antwoordde dat hij heel grote bezwaren tegen Kuyper had maar dat hij niet wist of de bewuste ouderling wel eens het een en ander van Kuyper zelf had gelezen. De Jong had dat wel gedaan. Hij zei: ‘Als ik lees hoe Kuyper kon spreken en schrijven over het verzoenend lijden en sterven van Christus en als ik sommige van zijn meditaties lees, dan laat ik heel graag het oordeel over hem aan God over. Wij hebben als Christelijke Gereformeerde Kerken de handen vol aan onszelf.’
Als student in de theologie hoorde ik dit uit de mond van een oud-catechisant van De Jong uit Driebergen. Dat was in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Inmiddels hebben steeds grotere delen van de gereformeerde gezindte de handen vol aan zichzelf. Meerdere predikanten geven helaas hun hoorders de indruk dat zij zonder wedergeboren te zijn het koninkrijk van God kunnen ingaan. Zelfs een vooronderstelling blijkt niet eens meer nodig te zijn. Nu, klinken er stemmen waarbij het geluid van Kuyper volstrekt in het niet valt. Vergeleken daarbij mogen we Kuyper al helemaal geen verbondsoptimisme verwijten. Dan is hij feitelijk nog veel en veel te pessimistisch.
Zelf ben ik het een en ander van Kuyper gaan lezen, toen in contacten met ds. Gerald Hamstra die van 1977 tot 1985 een tweetal Christelijke Gereformeerde Kerken diende, de namen Kuyper, Bavinck en Warfield (de laatste is een Amerikaanse theoloog) meer dan eens vielen. Hamstra had theologie gestudeerd aan Westminster Theological Seminary. Over zijn hoogleraren sprak hij met grote achting. Dat gold met name John Murray die afkomstig was uit de Free Presbyterian Church en hem in zijn eerste gemeente, een gemeente met Schotse wortels in Toronto, in het ambt bevestigde. Wat hen verbond was niet alleen de gereformeerde theologie maar ook de bevindelijke doorleving ervan.
Daarnaast noemde Hamstra meer dan eens Cornelius van Til en ook R.B. Kuiper. Beiden waren afkomstig uit de Christian Reformed Church. Beiden hadden grote waardering voor en voelden zich verwant aan zowel Kuyper als Bavinck. Wie wat minder weet van de Amerikaanse en Canadese kerkgeschiedenis moet dan weten dat deze kerk geen zusterkerk is van de Christelijke Gereformeerde Kerken maar van de Gereformeerde Kerken die in 2004 opgingen in de PKN.
Deze kerken zijn nog altijd wel enigszins behoudend. Als het gaat om aanvaarden van homoseksuele relaties zelfs behoudender dan de Gereformeerde Bond in Nederland. In Nederland kan een predikant lid zijn van de Gereformeerde Bond, ook al geeft hij publiek aan ruimte te zien voor homoseksuele relaties. Dat ligt voor de Christian Reformed Church anders. Dat neemt niet weg dat het klimaat er wel erg verbondsmatig werd en de noodzaak van wedergeboorte zo niet verzwegen wel onderbelicht bleef. Daarom ontstond er in de Verenigde Staten en in Canada een zusterkerk van de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Toch was het juist Gerald Hamstra die mij wees op de meditatiebundels van Kuyper en dan met name Nabij God te zijn. Van Til en Kuiper (niet te verwarren met Kuyper) waren zoals Hamstra het zei: ‘Ouderwetse neocalvinisten.’ En dan voegde hij er aan toe: ‘Dat soort christenen staat ergens voor. Zij zijn niet bang om kleerscheuren op te lopen als zij Christus belijden en het deert hen niet dat in de wetenschappelijke wereld dan deuren voor hen dicht gaan.’
Hamstra gaf aan de puriteinen en een man als M’Cheyne ver de voorkeur boven Kuyper. Maar hij vond wel dat je Kuyper recht moest doen en hem niet als een soort bliksemafleider mocht gebruiken om te verhullen dat jezelf heel wat verder van de religie van de belijdenis afstond dan hij. Daarvan zag hij in eigen kring meerdere voorbeelden.
In Nederland hoorde Hamstra voor het eerst de uitdrukking ‘bevindelijk gereformeerd’ als groepsaanduiding gebruiken. Meer dan eens heeft hij mij gezegd: ‘Ik heb veel meer achting voor en voel mij veel meer verbonden aan ouderwetse neogereformeerden die ik in Amerika heb leren kennen dan aan menigeen die zich bevindelijk gereformeerd noemt hier in Nederland.’
Hij vond dat veel wat bevinding of bevindelijk wordt genoemd, het helemaal niet is. Men typeert zichzelf alleen maar zo, omdat het nog wat moet lijken, zo vond hij. Dat was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zeker is God doorgegaan met Zijn werk maar even zeker is dat mensen zichzelf bevindelijk achten terwijl hun bevinding wel een heel ander karakter heeft dan dat van de puriteinen en hun geestelijke nazaten.
God gaat door met Zijn werk. Hij kan de kandelaar wegnemen van de ene plaats of uit de ene kerkelijke kring en die kandelaar in een andere plaats of andere kerkelijke kring planten. Gods Woord moet onze laatste en uiteindelijke gids zijn. Als ik gemeenteleden of theologiestudenten aanraad daarnaast iets te lezen, noem ik als Bijbelverklaringen die van Matthew Henry en Thomas Scott.
Degenen die nog nauwelijks stichtelijke lectuur hebben gelezen, zal ik echt niet op Kuyper wijzen. Voor theologiestudenten vind ik het wel belangrijk dat zij iets meer van hem weten, maar dat is iets anders. Ik wijs als het gaat om geestelijke gidsen allereerst op mannen als Wulfert Floor, J.C. Ryle, Robert Murray M’Cheyne en Charles Haddon Spurgeon. Ik noem vervolgens ook de hervormers, Wilhelmus à Brakel, Thomas Boston, Ralph en Ebenezer Erskine en niet te vergeten H.F. Kohlbrugge. Dichter naar onze eigen tijd denk ik dan aan G. Boer. Ik noem ook L.H. van der Meiden, een christelijke gereformeerde hoogleraar van een vorige generatie.
Er zijn nog meer namen die ik noem of kan noemen. En ik weet ook dat tussen de genoemde schrijvers accentverschillen en verschillen in benadering zijn, maar bij allen staat de persoon en het werk van Christus centraal en komt duidelijk naar voren dat wij niet zonder persoonlijke verzoening met God en wedergeboorte door de innerlijke werking van Gods Geest kunnen. Bij alles blijft het gebed nodig: ‘HEERE, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend.’