Lessen voor vandaag uit de ‘Down Grade’‑twist
Met recht staat de negentiende-eeuwse baptistische predikant C.H. Spurgeon bekend als de prins der predikers. In zijn kerk, de ‘Metropolitan Tabernacle’, had hij zowel zondags als doordeweeks zo’n zesduizend mensen onder zijn gehoor. Elke week verscheen er een preek van hem in druk. In 1903 schreef een Engelse auteur: ‘Het totale getal van preken van Spurgeon dat gedurende de afgelopen halve eeuw is gepubliceerd ligt tussen de twee‑ en driehonderdmiljoen.’ Spurgeon predikte het Evangelie van vrije genade. Het leerstellig element nam in zijn prediking een belangrijke plaats in. In zijn theologie wist hij zich eensgeestes met de puriteinen.
Hij was er tot in het diepst van zijn hart van overtuigd dat de leer van de puriteinen de leer van de Bijbel zelf was. In de tweede helft van de 19e eeuw kwam Spurgeon in deze overtuiging steeds meer alleen te staan. Duidelijk werd de invloed van de historisch‑kritische benadering van de Schrift merkbaar in de kerken. Het begon aan de theologische hogescholen. Professoren stelden vragen bij de historische betrouwbaarheid en het gezag van de Schrift. De door hen gevormde predikanten droegen de nieuwe visie op de Schrift uit in de gemeenten. De theologie van de puriteinen werd als achterhaald gezien. Men stelde dat een nieuwe benadering van de inspiratie van de Schrift nodig was om het contact met de eigentijdse cultuur niet te verliezen.
Met de nieuwe kijk op de inspiratie waarbij men niet langer zonder enige reserve uitging van het zelfgetuigenis van de Schrift was het ook mogelijk afstand te nemen van bepaalde aspecten van de boodschap van de Schrift, aspecten die in de prediking toch al zo goed als geen aandacht kregen. Hier moet men name gedacht worden aan datgene wat de Bijbel ons leert over de realiteit van de eeuwige rampzaligheid.
Met grote zorg sloeg Spurgeon deze ontwikkeling gade, te meer omdat het de unie van baptistengemeenten (‘Baptist Union’) waartoe de gemeente van Spurgeon behoorde niet voorbij ging. Het was hem onbegrijpelijk dat vele predikanten die zelf van de onfeilbaarheid van de Bijbel overtuigd waren en het Evangelie van verzoening door voldoening predikten, nalieten hun stem te verheffen. Zelf heeft hij het wel gedaan. Dit veroorzaakte een twist die heel kerkelijk Groot‑Brittannië beroerde en ook ver buiten de grenzen daarvan de aandacht trok.
In dit artikel wordt het verloop van die twist die de geschiedenis is ingegaan als de ‘Down Grade Controversy’ (Down Grade betekent ‘neergang’) getekend. Vervolgens wordt de vraag beantwoord welke lessen we vandaag uit deze twist kunnen trekken. De Down Grade Controversy ontleent haar naam aan een tweetal artikelen die ds. R. Shindler schreef in de maart‑ en aprilnummers van The Sword and Trowel van het jaar 1887. Spurgeon was de eindredacteur van het genoemde blad.
Het is niet bekend dat Spurgeon Shindler tot het schrijven van de bewuste artikelen heeft aangezet. Met de inhoud ervan was hij het in ieder geval hartelijk eens. Onder de titel Down Grade ging Shindler in op de oorzaken van de neergang van de nonconformistische kerken (de kerken buiten de Angli-caanse kerk) in de 18e eeuw. De prediking van de nonconformisten werd minder ernstig en eenvoudig. Ze ging al meer en meer een speculatief en moralistisch karakter dragen. Geleerdheid en schitterende voordracht werden hoger aangeslagen dan godzaligheid, rechtzinnigheid en evangelische bewogen-heid. Orthodoxe predikanten lieten na hun gemeenteleden tegen onrechtzinnige leringen en de aanhangers daarvan te waarschuwen.
Aan beide artikelen voegde Spurgeon een voetnoot van zichzelf toe, waarin hij stelde dat de geschiedenis van de achttiende-eeuwse nonconformisten een waarschuwende les vormde voor het heden. Deze voetnoot plaatste hij niet zonder reden. Hij had de afgelopen tijd van meerdere gemeenteleden uit diverse streken van Groot‑Brittannië brieven ontvangen waarin zij hem hun nood klaagden over de inhoud van de prediking van baptistenpredikanten. Dr. Booth, de secretaris van de Baptist Union, bracht hem in de loop van 1887 zowel mondeling als schriftelijk op de hoogte van zijn grote zorgen aangaande uitingen van sommige leden van de ‘Baptist Union Council’ ( het besturend orgaan van de Baptist Union). Ook was Booth verontrust over de inhoud van het onderwijs gegeven aan baptistische theologische hogescholen. Hij vroeg Spurgeon hier iets tegen te doen en deed hem een lijst met namen van predikanten en professoren toekomen die naar zijn overtuiging afweken van het geloof eenmaal aan de heiligen overgeleverd.
Het openingsartikel van het augustusnummer van The Sword and Trowel was van de hand van Spurgeon zelf. Het had als titel: ‘Another Word concerning the Down Grade’. Hij schreef o.a. het volgende: ‘Een andere godsdienst is gesticht die net zo min met het christelijk geloof gelijk gesteld kan worden als krijt met kaas; en deze godsdienst ontbloot van alle oprechtheid geeft zichzelf uit voor het aloude geloof met wat kleine verbeteringen….De verzoening wordt verworpen, de inspiratie van de Schrift wordt bespottelijk gemaakt, de Heilige Geest wordt verlaagd tot een kracht, de straf op de zonde wordt veranderd in een fictie, de opstanding in een mythe, en toch verwachten deze vijanden van ons geloof van ons dat wij hen broeders noemen, en in bondgenootschap met hen blijven. In het kielzog van leerstellige leugen komt een natuurlijk verval van geestelijk leven tot uiting komend in een behoefte aan bedenkelijke vormen van vermaak en een lusteloosheid om stichtelijke samenkomsten bij te wonen(…) Zijn kerken in een juiste toestand als ze slechts één gebedssamenkomst per week hebben die vaak niet meer is dan een geraamte? (…) Het is een feit dat velen de kerk en de schouwburg, kaartspel en gebed, dansen en het gebruik van de sacramenten combineren (…) Wanneer het oude geloof is verdwenen en het vuur voor het Evangelie is uitgedoofd, is het geen wonder dat de mensen hun vermaak in andere dingen zoeken.’
In contacten die Spurgeon in de zomermaanden van 1887 met Booth en andere officiële vertegenwoordigers van de Baptist Union had, drong hij er op aan dat er een belijdenis aangenomen zou worden. Degenen die daarvan afwijkende leringen brachten konden dan vervolgens uit de unie verwijderd worden. De gemeenten die tot de Baptist Union behoorden hadden elk hun eigen grondslag en belijdenis. De unie als geheel had echter geen belijdenis. Zolang dat niet het geval was kon er niet effectief worden opgetreden.
Het doel van de unie was naar de in 1832 herziene constitutie om broederlijke liefde en gemeenschap uit te strekken tot baptistenpredikanten en gemeenten die van evangelische overtuiging waren. De betekenis van deze laatste zinsnede werd in de constitutie niet nader omschreven. Dat onder de naam van evangelisch volstrekt onbijbelse leringen gebracht zouden worden hadden de opstellers van de constitutie niet voorzien. De maatregelen die Spurgeon voorstond gingen Booth veel te ver. Wat hij zelf precies heeft gewild toen hij Spurgeon vroeg iets te ondernemen, is niet meer te achterhalen.
Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het willen laten bij publieke waarschuwingen. Het was Spurgeon inmiddels duidelijk geworden dat de leiding van de Baptist Union geen concrete maatregelen wilden treffen om het verval te stuiten. Vandaar dat hij ervan afzag de najaarsbijeenkomst van de unie te bezoeken. Hij was diep teleurgesteld toen bleek dat de Down Grade‑kwestie zelfs in het geheel niet ter sprake was gebracht. Dit bracht hem ertoe om aan Booth te schrijven dat hij als lid van de unie bedankte. Dat was 28 oktober 1887. Dit sloeg bij de leiding van de Baptist Union in als een bom. Daar had men in het geheel niet op gerekend.
Op 13 december 1887 kwam de Baptist Union Council bijeen om de crisis te bespreken die door het uittreden van Spurgeon was ontstaan. De leiding van de unie en met name Booth benadrukten dat hen nimmer langs officiële weg een aanklacht had bereikt. Besloten werd om in overeenstemming met Mattheüs 18 vers 15 een samenspreking met Spurgeon te voeren. Zo werd door de leiding van de unie Spurgeon zelf in de verdachtenbank gezet. Spurgeon bevond zich op dat moment ter wille van zijn gezondheid in Zuid‑Frankrijk.
Hij schreef aan Booth dat hij in dit stadium de tussen hen gevoerde briefwisseling aan de leiding van de unie wilde overhandigen. Geschrokken schreef Booth terug: ‘Mijn brieven aan u waren niet officieel, maar vertrouwelijk. Het is een erezaak dat u er geen gebruik van kunt maken.’ Toen hem duidelijk werd dat Spurgeon dit inderdaad niet zou doen ging hij zelfs zover dat hij ontkende ooit bij Spurgeon het onderwerp van de moderne theologie te hebben aangekaart. Wat er precies stond in de tussen Spurgeon en Booth gevoerde briefwisseling is voor de onderzoeker niet meer te achterhalen. In overeenstemming met de wens van haar man heeft mevr. Spurgeon deze briefwisseling na diens dood laten vernietigen.
Om de onrust die in de gemeentes was ontstaan door het uittreden van Spurgeon weg te nemen besloot de leiding van de unie alsnog een belijdenis op te stellen. Daarin werd de Schrift als enige norm voor geloof en leven erkend, maar de Schriftkritiek niet uitdrukkelijk afgewezen. De verzoening door voldoening werd niet genoemd. Uit een voetnoot die aan de belijdenis was toegevoegd bleek dat het acceptabel werd geacht om op de eeuwige straf een afwijkende visie te hebben. Bovendien maakte de preambule ervan duidelijk dat de unie in ieder geval geen tuchtmaatregelen wilde nemen.
Op de aprilvergadering van de unie werd een motie ingediend om deze belijdenis als grondslag van de unie te aanvaarden. Onbegrijpelijk is dat Spurgeons broer James deze motie ondersteunde. Hij dacht dat met de aanname van deze belijdenis in ieder geval een stap in de goede richting werd gezet. Toen de motie in stemming werd gebracht waren er tweeduizend voorstemmers en zeven tegenstemmers. Spurgeons teleurstelling over het optreden van zijn broer blijkt uit een brief die hij op 26 april 1888 aan een vriend schreef: ‘Mijn broer denkt dat hij een grote overwinning heeft behaald, maar ik geloof dat we hopeloos verkocht zijn. Mijn hart is gebroken. Hij heeft precies het tegenovergestelde gedaan wat ik gedaan zou hebben. Toch valt hem niets te verwijten want hij volgde zijn beste oordeel. Bid voor mij dat mijn geloof niet ophoudt.’
Spurgeons gemeente volgde haar predikant in diens uittreden uit de unie. Tot aan zijn dood in 1892 bleef Spurgeon zowel in zijn prediking als in zijn artikelen in The Sword and Trowel het thema Down Grade ter sprake brengen. Dat hij zo weinig bijval kreeg heeft hem diep teleurgesteld. De nabije toekomst van de Engelse kerken zag hij somber in. Naar de mens gesproken heeft de Down Grade Controversy zijn dood bespoedigd.
Hoe reageerde kerkelijk Groot‑Brittannië op Spurgeons handelswijze in de Down Grade Controversy? Meerderen weten zijn scherpe optreden aan zijn slechte lichamelijke gezondheidstoestand. De Spurgeon van de Down Grade Controversy zou niet de echte Spurgeon zijn. Dr. John Clifford, de president van de Baptist Union schreef: ‘Het doet me onnoemelijk veel pijn dat deze eminente winner van zielen de krachten van duizenden christenen mobiliseert tot persoonlijke ruzie en strijd, in plaats dat hij hen, zoals hij zou kunnen, inspireert tot de aanhoudende en heroïsche krachtsinspanning om het goede nieuws van Gods Evangelie van onze landgenoten bekend te maken.’
Nog verder ging de Londense predikant dr. Joseph Parker. In 1890 verscheen in The British Weekly een open brief van zijn hand aan Spurgeon. Daarin stelde hij o.a. het volgende: ‘Wanneer mensen mij vragen hoe ik over Spurgeon denk, vraag ik altijd welke Spurgeon ‑ het hoofd of het hart ‑ de Spurgeon van de Tabernacle of van het weeshuis. Het calvinisme dat de één bij gelegenheid vertegenwoordigt haat ik eenvoudigweg evenals ik zelfzucht en godslastering haat.’
Spurgeon werd verweten dat hij de eenheid onder christenen opofferde aan twistpunten van ondergeschikt belang. Hij zou allen die zich niet in de calvinistische theologie van de puriteinen konden vinden uit de Baptist Union willen stoten. Deze reacties hebben Spurgeon diep gekwetst. De prediking van het Evangelie en de verdediging ervan tegen dwaalleer vormden voor hem geen tegenstelling, maar zag hij in elkaars verlengde liggen.
Hij ontkende dat er een scheiding aangebracht mocht worden tussen geestelijk leven, bevinding en het belijden van leerstellige waarheden. Van een eenheid in geestelijk leven zonder eenheid in de leer, enigheid des geloofs wilde hij niet weten. Hij schreef in dit verband: ‘Overal wordt de roep om eenheid gehoord, maar naar onze overtuiging is het eerste dat onze tijd nodig heeft geen compromis, maar plichtsgetrouwheid (…) Liefde natuurlijk, maar dan zowel liefde tot God als tot de naaste en liefde tot de waarheid niet minder dan liefde tot eenheid.’
Spurgeon bestreed de beschuldiging dat het in de Down Grade Controversy ging om de tegenstelling tussen calvinisme en arminianisme. De inzet van deze twist was zo stelde Spurgeon de leer van de woordelijke inspiratie van de Schrift. Wie dit losliet zette naar Spurgeons vaste overtuiging een beslissende wissel om. In samenhang met de waarheid van het absolute en volstrekte gezag van de Schrift wees Spurgeon op de leer van verzoening door voldoening en de realiteit van de eeuwige straf. Over genoemde waarheden bestond vanouds tussen calvinisten en arminianen geen verschil van mening. Ondanks dat hij zelf in de leer een overtuigde calvinist was, had Spurgeon waardering voor arminianen als de gebroeders Wesley die met vuur en bewogenheid predikten dat alleen Christus ons redt van de toekomende toorn.
Wie de geschiedenis van de Down Grade Controversy leest, zal moeten toegeven dat Spurgeon niet altijd even tactvol heeft gehandeld. Beter was geweest dat hij een officiële aanklacht had ingediend en die zelf op een vergadering van de Baptist Union had toegelicht. Het is echter hoogst onwaarschijnlijk dat de Down Grade Controversy dan wezenlijk anders zou zijn verlopen. Wanneer het gaat om de zaak als zodanig waarvoor Spurgeon streed, verdient hij naar mijn vaste overtuiging hartelijk bijval.
De ontwikkelingen in de Engelse kerken na zijn sterven hebben wel duidelijk gemaakt dat Spurgeons taxatie van de kerkelijke situatie volkomen juist was. Opmerkelijk is dat juist arminiaansgezinde tijdgenoten van Spurgeon zeer zwak waren in hun houding tegenover de Schriftkritiek. Zij stonden kritisch tegenover een belijdenis welke het ook was. Met deze anti‑leerstellige houding baanden zij de weg voor de moderne theologie waarin het geloof van elke concrete inhoud ontdaan wordt.
Toen tegenstanders een verband legden tussen Spurgeons optreden in de Down Grade Controversy en zijn calvinistische theologie hadden ze dan ook niet helemaal ongelijk. Diens vurig pleidooi voor een leerstellig duidelijk omlijnd christendom was een directe vrucht van zijn calvinistische theologie. Zelf schreef hij eens: ‘Calvinisme betekent dat de eeuwige God boven alle dingen wordt geplaatst….Ik zie God eerst en de mens ver beneden. Wij denken te hoog van God om deze tijd te kunnen behagen.’
Tenslotte: In het voorafgaande is erop gewezen dat Spurgeons verontrusting over het verval in de leer onlosmakelijk samenhing met door hem gesignaleerde veranderingen in levensstijl en praktijk van het kerkelijk leven. Niet ten onrechte is Spurgeon getypeerd als erfgenaam van de puriteinen. Hij was een warm voorstander van eenvoud in levensstijl en eredienst. Dit heeft zeker ons als gereformeerde gezindte wat te zeggen.
Onder ons worden de geschriften van Spurgeon nog door velen gelezen. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het getal van hen die Spurgeons visie van het gemeentelijk en kerkelijk leven delen veel kleiner is. Spurgeon achtte het namelijk wezenlijk voor een gemeente dat er ook doorde-weeks samenkomsten zijn voor heel de gemeente. De gebedssamenkomsten zoals de Engelse kerken die al eeuwen kennen hebben wij in de gereformeerde gezindte nooit gehad, met doordeweekse kerkdiensten ligt dit anders. In menige gemeente worden deze echter of niet meer of slechts zeer sporadisch belegd. Daar waar het wel het geval is steekt het getal van de bezoekers vaak schril af tegen het aantal zondagse kerkgangers. In plaats van doordeweekse kerkdiensten wordt er in meerdere gemeenten wel voor jong en oud een scala van ontspannende en sociale activiteiten ontplooid. Dat laat zien dat de ‘Down Grade’ (neergang) zich ook in de gereformeerde gezindte heeft ingezet. We konden wel eens verder weg zijn dan we denken.
Trouwens, inmiddels zien dat binnen de huidige gereformeerde gezindte leerstellig en ethisch verschuivingen plaatsvinden die een overeenkomst hebben met verschuivingen in de Gereformeerde Kerken in de jaren zestig van de vorige eeuw. Toen werden dit kerkverband nog zonder reserve tot de gereformeerde gezindte gerekend. Ook nu zijn de centrale betekenis van verzoening door voldoening, van de noodzaak van persoonlijke wedergeboorte en van de realiteit van de rampzaligheid in het geding. Ook nu bemerken dat, ook als deze zaken niet worden ontkent, ze meer dan eens wel worden gerelativeerd en zeker niet die aandacht krijgen die zij behoren te hebben.
Ik besluit dit artikel met een paar citaten uit een lezing die Spurgeon eens hield op de door hem georganiseerde predikantenconferentie. Deze lezing had als titel: ‘The Evils of the Present Time’ (De gevaren van onze tijd). Citaten die duidelijk maken wat Spurgeon bewoog: ‘Ik zie maar al te zeer een geest van compromis heersen als het gaat om heiligmaking en zonde, waarheid en leugen. Deze geest is niet uit God, maar uit de wereld. Het is altijd het wijst en het best om fundamenteel beslist van overtuiging te zijn; we moeten de lijnen duidelijk trekken en dan pal staan. Verandert uw koers niet vanwege wind en stroming. (…) Een ander groot gevaar van onze tijd is de zucht naar vermaak. Binnen zekere grenzen is ontspanning geoorloofd, maar het is nooit de taak van de kerk geweest om de wereld amusement te bieden. (…) De prediking van Christus pleegt te verdwijnen waar al deze frivoliteiten worden binnengehaald. Een andere van onze moeilijkheden ligt in het gebrek van krachtige godzaligheid in vele van onze gemeenten. (…) Wordt door velen het samen bidden als gezin niet verwaarloosd? Hebben we niet vele leden die we nooit op een gebedssamenkomst zien?.. Hebben we niet vele ambtsdragers die openlijk stellen dat zij het nut van een ouderwetse zaak als een gebedssamenkomst niet inzien? Ik had de overtuiging dat we alleen het Evangelie maar behoefden te prediken en dat de mensen zouden toelopen om daarnaar te luisteren. Ik vrees dat ik deze visie moet bijstellen. Als het Evangelie echter mensen niet trekt, zal niets hen trekken. (…) Welk seizoen het ook moge zijn, de boer heeft zijn werk te doen. In de zomer moge zijn werk verschillen van dat in de winter, maar het doel is hetzelfde. Zo ligt het ook bij dienstknechten van onze Heere Jezus Christus. Wat anderen ook doen zullen, wij hebben onze handen tot de Heere opgeheven en kunnen niet terug.’