Introductie
Onlangs verscheen van de hand van dr. W. van Vlastuin een boek over de doop met de titel In Christus gedoopt. We waren vanaf 2005 collega’s van elkaar aan het Hersteld Hervormd Seminarie totdat ik in 2021 ruim een jaar vóór mijn emeritaat vertrok als docent en als lector ging werken voor de stichting ‘Godsvrucht en wetenschap’, iets wat ik ook na mijn emeritaat ben blijven doen.
In een volgende bijdrage hoop ik een analyse van, en een reflectie op de inhoud van het genoemde boek te geven. Zeker is dat het verstaan van de doop van grote betekenis is voor het persoonlijke en kerkelijke leven. Ernstig is het als wij onze doop misverstaan, hetzij op de ene hetzij op de andere manier. Wel moeten we vasthouden dat een misverstaan van de doop ons niet buiten het koninkrijk van God zal houden, als we gehoor hebben leren geven aan de roepstem van Christus: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’ (Matth. 11:28).
Als wij nadenken over de betekenis van de doop en er met anderen over spreken, moeten wij ons er nooit van laten afhouden onszelf en anderen de vraag te stellen: ‘Wat denkt u van de Christus?’ Mogen wij weten dat God Die het licht deed schijnen in de duisternis, ook in onze harten heeft geschenen om ons te verlichten in de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus (vgl. 2 Kor. 4:6)?
*
Persoonlijke reflectie op het Woord, de doop en het avondmaal
Over de verhouding tussen het Woord en de sacramenten is de eeuwen door heel wat geschreven en gesproken. Het gevaar is dat er over het Woord en de sacramenten wordt gesproken, maar niet geluisterd wordt naar de Bijbel met de bede: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?, een bede die altijd ontstaat als de Heilige Geest het Woord en daarmee Christus toepast aan ons hart. Dan gaan we ook de betekenis van de sacramenten beseffen.
Zijn we nog niet gedoopt, dan ontstaat het verlangen om gedoopt te worden. En waren we reeds gedoopt en zijn we nog nooit tot het avondmaal toegetreden, dan ontstaat het verlangen dat te doen. Het kan ook zijn dat wij het als schuld moeten gaan belijden dat wij tot dusver de sacramenten van de doop (eenmalig) en het avondmaal al vele malen zonder geloof hebben ontvangen.
Zelf was ik vijftien toen de boodschap dat Christus gekomen is om zondaren zalig te maken mijn hart echt ging vervullen. Ik besefte dat als God is zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart, namelijk als de Heilige Israëls, ik Hem niet kon ontmoeten. Ik stond schuldig voor God en op de jongste dag zou God mij moeten veroordelen. Ik was een zondaar die verzoening met God nodig had. Mijn ogen werden geopend voor de rijkdom van Gods genade in Christus en ik kon en wilde niet anders dan schuilen bij Hem. Ook ik mocht door genade weten dat ik wedergeboren was tot een levende hoop.
In die tijd ging ik ook de betekenis van mijn doop verstaan. De doop die ons verzegelt dat het bloed van alle zonden reinigt, de doop die betuigt dat wij de oude mens hebben afgelegd en de nieuwe aangedaan. Zonder dat ik het wist had God aan het begin van mijn leven al Zijn stempel op mij gezet, en nu had Hij mij ook de zaak waarom het ging willen geven. Daarbij begreep ik toen al dat wij ons hele leven om Gods genade en de bijstand van Zijn Geest moeten blijven bidden. Toen ik de betekenis van mijn doop leerde verstaan, ontstond ook gaandeweg het verlangen om de dood des Heeren te gaan verkondigen. Toch was ik al twintig toen ik dat voor het eerst deed. Ik zal die eerste avondmaalsgang nooit vergeten.
Het was in de Gereformeerde Samenkomst van Alblasserdam dat ik Christus leerde kennen als de Zaligmaker van zondaren. Daar ben ik gedoopt en daar heb ik tot tweemaal toe aan het avondmaal mogen deelnemen voordat ik overging naar de Hervormde Kerk. Omdat de Gereformeerde Samenkomst niet het verschijnsel kende van het doen van belijdenis, deed ik dat op 22-jarige leeftijd in de Hervormde Gemeente van Alblasserdam.
Feitelijk heb ik echter altijd mijn eerste gang naar het avondmaal in 1976 in de Gereformeerde Samenkomst als mijn openbare belijdenis van het geloof ervaren en dan een belijdenis waarbij ik de tekenen en zegelen van Gods liefde in Christus ontving. Wat Hij mij schonk ter versterking van het geloof, was ondergeschikt aan mijn belijden van de Heere en van de leer van zaligheid. Om al deze zaken heeft de Gereformeerde Samenkomst van Alblasserdam, die trouwens al weer enkele jaren een Hersteld Hervormde Gemeente is, een bijzondere plaats in mijn hart en zal ze dat houden tot mijn dood toe.
*
Hoe ik als predikant over doop en avondmaal sprak
Als predikant heb ik er op een doopzitting telkens weer op gewezen dat kinderen het teken en zegel ontvangen dat zij opgenomen zijn in de gemeente van Christus, maar ook dat de ouders moeten vragen – en als het goed is er al mee begonnen zijn – dat kinderen bij het opgroeien mogen betonen dat zij levende leden van Gods kerk zijn. Wie een levend lid is van Gods kerk weet van zijn schuld voor God, heeft tot Christus leren vluchten en wil voor Hem leven.
Het moet ouders tot groot verdriet zijn als zij bij hun kinderen deze dingen niet bemerken of eerder het tegendeel zien. Dan blijft altijd het gebed als wapen over. Als kinderen of kleinkinderen niet aan Gods verbond gedenken kunnen ouders bidden of God het dan Zelf wil doen en hen als afkerige kinderen naar Zich toe wil trekken. Ouders die hun kind ten doop houden moeten toch ook de wens hebben dat hun kinderen nog eenmaal tot het avondmaal mogen toetreden omdat zij mogen weten dat ze wedergeboren zijn tot een levende hoop, dat ze de betekenis van de doop als bad van de wedergeboorte hebben leren verstaan.
Voordat een kerkenraad zij die als kind gedoopt zijn, het (kerkelijk) recht geeft tot het avondmaal toe te treden, moet zij een onderzoek instellen of zij die dit recht willen ontvangen, hun doop hebben leren verstaan en leven bij de boodschap van het Evangelie die in de doop verzegeld is. Dan komt de ene troost in leven en sterven ter sprake waarvan de Heidelbergse Catechismus spreekt en ook de kennis van de drie stukken die nodig zijn om in die troost zalig te leven en te sterven.
De praktijk laat helaas zien dat daar lang niet altijd echt ernst mee wordt gemaakt. Nu kunnen wij niet over het hart oordelen, maar meer dan eens moet op grond van de levenswandel al betwijfeld worden of degenen die van de kerkenraad het recht ontvingen om ten avondmaal te gaan, dat recht wel hadden mogen ontvangen. Nu is het zo dat meerdere kerkenraden er ook niet vanuit gaan dat zij die met het doen van belijdenis van het geloof het kerkelijk recht om ten avondmaal te gaan hebben ontvangen, van dat recht ook metterdaad gebruik zullen maken. Veeleer verwacht men dat dit eerder uitzondering is dan regel.
Maar we zien ook dat jonge mensen in de leeftijd zo tussen de achttien en tweeëntwintig jaar aangespoord worden tot het doen van belijdenis zonder dat een kerkenraad zich afvraagt, en de jonge mensen in kwestie vraagt, of zij geleerd hebben als een zondaar tot Christus te vluchten en daarom hun oude natuur te doden en in een nieuw godzalig leven te wandelen. Vervolgens wordt wel van alle belijdende leden verwacht dat zij metterdaad gebruik gaan maken van het recht om ten avondmaal te gaan. De oproep tot zelfonderzoek en de wetenschap dat de kerk naast levende ook dode leden omvat, wordt dan veelal niet ontkend, maar krijgt niet de aandacht die het behoort te krijgen.
Zelf heb ik al snel nadat ik predikant was geworden, de gewoonte gekregen om nog voordat de belijdeniscatechisatie begon, een gesprek te hebben met hen die deze catechisatie wilde gaan volgen. Ik kon dan vragen naar hun motieven. Men kon mij voorleggen waar men zelf mee worstelde. Een van de kerkenraden van de gemeenten die ik diende, merkte op dat er jongelui waren die tegen dit gesprek opzagen. Ik heb toen gezegd dat sommigen daarvoor ook alle reden hadden.
Van vrouwen en meisjes die belijdenis willen doen mag worden verwacht dat zij zich eerbaar kleden. Helaas staan meisjes uit de gereformeerde gezindte er ook bij de buitenwacht niet om bekend dat zij hierin een voorbeeld geven. Meer dan eens valt de buitenwacht eerder het omgekeerde op bij meisjes die naar een reformatorische middelbare school gaan. Al zijn er gelukkig ook meisjes die in hun kleding laten zien dat zij naar Gods Woord willen leven. Wist ik dat jongens geen moeite hadden met zwartgeldpraktijken, dan stelde ik dat in zo’n gesprek aan de orde.
Ik wees erop dat men moest breken met zaken die onverenigbaar zijn met het belijden van de naam van Christus. Ik liet jongelui eventueel wel op de belijdeniscatechisatie toe, maar maakte duidelijk dat zij geen belijdenis konden doen als zij niet metterdaad een keuze maakten voor de HEERE en Zijn dienst.
Noch ik noch kerkenraden kennen het hart. Het oordeel gaat over leer en leven. Als daarover vragen zijn dan moet dat een reden zijn om iemand geen belijdenis van het geloof te laten afleggen. Immers, wie belijdenis van het geloof aflegt, ontvangt daarmee het (kerkelijk) recht ten avondmaal te gaan. Zelf heb ik nooit iemand aangespoord tot het doen van belijdenis als ik hem of haar ook niet aan het avondmaal zou wensen te zien.
Al vanaf het begin van mijn ambtelijke bediening belegde ik in de gemeente die ik diende doordeweekse samenkomsten voor de gehele gemeente. Afgezien van de bid- en dankdagen en de tweede feestdagen waren dat er zo’n twintig. Dat waren Bijbellezingen die hetzelfde verliepen als de zondagse diensten en Bijbelavonden. Op die avonden behandelde ik elke keer óf een Schriftgedeelte – en dan volgde ik gedurende een seizoen een heel Bijbelboek – óf een Bijbels thema en was er na de pauze de gelegenheid tot vragen stellen. Tegenwoordig noemen we dat laatste ‘Q&A’.
Dat er naast de twee zondagse diensten ook doordeweeks een samenkomst is voor de gehele gemeente is een praktijk die in de Engelssprekende wereld onder behoudende presbyterianen en baptisten heel gebruikelijk is. En ook zelf groeide ik op in een gemeente waar er naast de twee zondagse diensten, elke week een doordeweekse dienst was.
In overeenstemming met de zienswijze die ik ook aantref bij presbyterianen (voor het verleden moeten we denken aan bijvoorbeeld Robert Murray M’Cheyne) en baptisten (dan noem ik Charles Haddon Spurgeon) heb ik nooit jongelui en evenmin ouderen aangeraden belijdenis van het geloof te doen als zij nooit of nauwelijks de doordeweekse samenkomsten van de gemeente bezochten. Honger naar het Woord en behoefte aan gemeenschap der heiligen zijn namelijk kenmerkend voor hen die aan de kerkenraad willen vragen of zij volgens het (kerkelijke) recht aan het avondmaal mogen aangaan.
Wat een vreugde is het voor een predikant als hij mensen tegenkomt die hij als kind heeft gedoopt en die belijden dat zij als zondaar de Heere Jezus Christus nodig kregen, dat de dienst van God voor hen een liefdedienst is geworden en zij daarom de dood des Heeren zijn gaan verkondigen. Het is alweer enige maanden geleden dat ik in een kleine Hersteld Hervormde Gemeente die te klein is om een predikant te kunnen beroepen, niet alleen het Woord mocht verkondigen maar ook het avondmaal bedienen.
Het uiterlijk zegt niet alles, maar de eenvoud van de gemeente deed mijn hart goed. Niet alleen de broeders van de kerkenraad namen deel aan het avondmaal maar ook een niet onaanzienlijk deel van de aanwezige volwassenen. Na de dienst merkten de broeders van de kerkenraad op dat zij zeer verblijd waren dat een tweetal jonge mensen voor het eerst ten avondmaal waren gegaan.
Bewust vermeld ik ook deze dingen. Er zijn gemeenten waar iedereen op een bepaalde leeftijd belijdenis doet, maar waar de oproep tot bekering en geloof wel heel omfloerst wordt verwoord en tegen het ontheiligen van de doop niet wordt gewaarschuwd. Daarnaast is er verbondsautomatisme waarbij vrijwel iedereen op een bepaalde leeftijd belijdenis doet en vervolgens door kerkenraad en predikant aangespoord wordt ten avondmaal te gaan zonder dat ooit een onderzoek is gedaan naar de kennis van de drie stukken die nodig zijn om zalig te leven en te sterven in de troost van het Evangelie.
Echter, de HEERE gaat ook door met Zijn werk. Juist onder jonge mensen zie ik daarvan tekenen. Er zijn mensen die zich vanuit de wereld bij Gods kerk voegen en die door genade mogen weten dat zij eerst zonder Christus waren, maar nu met al de heiligen door Christus in één Geest toegang gekregen hebben tot de Vader. Laten wij allen vragen of God op grond van Zijn genadeverbond de kerk wil laten groeien in de lengte en breedte, en dat mensen die niet zijn opgevoed bij de dienst des Heeren, zich voegen bij Gods kerk of weer naar Gods kerk terugkeren. Laten wij vooral vragen dat de gemeenten groeien in de diepte. Dan bedoel ik dat het getal van de levende leden toeneemt en dat zij die reeds een levend lid zijn meer vrucht gaan dragen.
*
Al jong de betekenis van je doop leren verstaan
Het kan zijn dat zij die als kind gedoopt zijn reeds jong de betekenis van hun doop leren verstaan. De vrouw van een van de kennissen van mijn ouders werd zo dement dat zij in een verzorgingstehuis moest worden opgenomen. Dagelijks werd zij door haar man bezocht. Het proces van dementie ging steeds verder. Bij een van de bezoeken zong de man voor zijn vrouw ‘Wie heeft lust de HEER’ te vrezen’. Zijn vrouw neuriede mee. Na afloop vroeg hij zijn vrouw: ‘Daar weet jij toch ook iets van?’ Toen klaarde de nevels van de dementie even op en zei ze: ‘Al vanaf mijn vijfde jaar.’
Ik denk ook aan mijn vriend Gerard van Dam. Hij is een van de personen die ik beschreef in Hij zal genade en ere geven. Hij was van huis uit hervormd, maar evenals zijn ouders was hij een vriend en metgezel van allen die Gods Naam ootmoedig vrezen. Als jochie van acht jaar werd hij al door zijn ouders meegenomen naar doordeweekse kerkdiensten. Een dienst in de Oud Gereformeerde Gemeente waarin ds. H. Wiltink voorging raakte hem diep. Wiltink deed ook een appel op de kinderen die in de dienst aanwezig waren. Toen al voelde Gerard heimwee naar God.
Evenals bij Gerard zelf was de Heere ook al vroeg in het leven van zijn vrouw begonnen. Ik heb haar overigens zelf niet gekend. Toen ik Gerard leerde kennen was hij al weduwnaar. De vrouw van Gerard groeide op in de Oud Gereformeerde Gemeente van Hardinxveld-Giessendam. Bij haar huwelijk met Gerard werd zij hervormd. Toen ds. Van der Poel in de Oud Gereformeerde Gemeente van Hardinxveld-Giessendam stond, gaf hij ook catechisatielessen aan kleine kinderen. Willy Brandwijk was een jaar of vijf/zes en hing werkelijk elke les aan zijn lippen.
‘Nu mag jij een versje opgeven’, zei Van der Poel eens tegen haar. In haar onschuld antwoordde zij: ‘Hup, Marjanneke, stroop in ’t kanneke’. ‘Nee, zo’n versje bedoel ik niet’, antwoordde Van der Poel, ‘ik bedoel een ander soort versje wat we ook in de kerk zingen.’ Toen zei Willy met tranen in haar ogen: ‘Hoe lief’lijk, hoe vol heilgenot, o HEER, der legerscharen God, zijn mij Uw huis en tempelzangen’. Willy had tranen in haar ogen en Van der Poel kon ook nauwelijks zijn ontroering bedwingen. Iedereen voelde dat de Heere aanwezig was.
*
De Schotse theoloog John Duncan over doop en avondmaal
Er zijn weinig theologen aan wie ik mij zowel theologisch als persoonlijk zo verwant voel als aan de negentiende-eeuwse Schotse theoloog John Duncan (1796-1870).
Duncan was ervan overtuigd dat hij die meent dat kinderen van christenouders de doop niet aan het begin van hun leven mogen ontvangen, het verbond van genade op onbijbelse wijze versmalt. Met de baptist Charles Haddon Spurgeon verwierp hij de leer dat de doop de wedergeboorte bewerkt en dat wij ervan moeten uitgaan dat elke gedoopte een kind van God is.
Dat nam niet weg dat hij grote waarde hechtte aan de doop als het verbondszegel voor de jonge kinderen. Duncan was diep overtuigd van de waarde van de doop, maar wist ook dat de doop niet minder dan het avondmaal tegen ons getuigt als wij Christus als Zaligmaker niet kennen en liefhebben. De doop kan nooit tot zegen voor ons zijn zonder geloof en bekering als vrucht van de wedergeboorte.
Ik geef een treffende uitspraak door: ‘Het water van de doop kan nooit van het voorhoofd worden afgewist en als het gevolgd wordt door de weigering van de Goddelijke genade moet het de meest ontzettende zaak voor de onboetvaardige zijn om te sterven met de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest op het voorhoofd.’
Duncan had een bijzondere band met Maria Dorothea (1844-1878), de dochter uit zijn tweede huwelijk. Zij was dertien jaar toen hij merkte dat zij Christus als Zaligmaker van zondaren nodig kreeg. Toen werd het een realiteit voor haar dat zij in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren was. Dat blijkt uit de volgende brief:
*
Een brief aan Maria Dorothea (1857)
Zodra wij zondaren zijn, hebben wij Christus nodig. Een Israëliet zou er niet verstandig aan hebben gedaan wanneer hij had gezegd: ‘Wanneer ik nog wat ernstiger ben gebeten, wanneer het vergif dieper heeft ingewerkt en ik de pijn nog heviger voel, wanneer ik bijna dood ben, als iemand die niet eerder naar de slang opkeek dan op het moment dat hij bijna de geest gaf, pas wanneer het zover komt zal ik opkijken naar de slang en niet eerder.’ Overtuigingen zijn niet nodig om ons welkom te doen zijn bij Christus, maar om Christus bij ons welkom te doen zijn.
*
Uit de volgende brief blijkt dat Maria Dorothea in die tijd Gods genade mocht ontvangen. Zij was de Heere gaan zoeken, omdat de Heere haar had gezocht.
Een brief aan Maria Dorothea gedateerd 12 februari 1858, haar veertiende verjaardag
Mijn lieve, lieve meisje! Mag de Heere, die jou genadig heeft gespaard zodat je opnieuw jarig mag zijn, je zegenen en tot een zegen stellen. Ik hoef je niet te zeggen wat voor een vreugde het is voor het hart van een vader wanneer hij zijn kinderen in de waarheid ziet wandelen. Dank daarvoor zij voor altijd aan Hem, die, naar ik vertrouw, jou iets van de plaag van je eigen hart heeft laten zien en van de gepastheid van de verheerlijkte Christus als een Redder om zondaren te redden, en die jou, naar ik vertrouw, niet alleen heeft gegeven dat je je aangetrokken voelt tot Zijn voortreffelijkheden en uitnodigingen, en dat je je daardoor bemoedigd voelt, maar Hij heeft jou ook (denk ik in nederigheid) enkele zoete tekenen gegeven van de ontvangst die Hij altijd geeft aan degenen die tot Hem komen.
O, wees dankbaar, nederig, waakzaam! Bid voor de genade om je dat te maken en je dat te doen blijven. Koester vertrouwen in de Heere, en schroom ten opzichte van jezelf. Zelfs wanneer je echt bekeerd bent, zal veel afhangen van de grondige vorming van je christelijke karakter tijdens deze eerste periode. Wanneer genade is geschonken en het gehele karakter symmetrisch doordringt, is er niet alleen leven maar ook schoonheid. Kanaänieten die door Israël worden gespaard, worden ook door God gespaard om doornen in Israëls zijden te zijn.
Oefeningen in de genade versterken het principe, en dragen er in grote mate aan bij dat de wandel van de gelovige met God aangenaam en nuttig is. Het is een onuitspreekbare zegen om vroeg in het leven bekeerd te worden, wanneer de gewoonten nog niet zo gevormd zijn, het karakter nog wat flexibeler, de gemoedsaandoeningen levendiger. En als God je zal sparen (wat wel onzeker is maar toch waarschijnlijk) ligt er zoveel voor je wat zal bepalen of je ‘nauwelijks zalig zult worden’ of dat je ‘rijkelijk de ingang zal worden toegevoegd in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus’.
Papa is momenteel zo druk bezet met andere dingen dat hij niet in een staat is een gedicht te schrijven, laat staan poëzie. Neem 2 Petrus 1:1-15 als een vervanging. Mag onze hemelse Vader jou overvloedig alle zegeningen geven die in de eerste vier verzen worden opgesomd, en Hij neige je en stelle je in staat om alle uitnemende, praktische lessen in vers 5-10 te bestuderen en in de praktijk te brengen, zodat je uiteindelijk de belofte uit vers 11 zult ontvangen.
*
Duncan stuurde Maria Dorothea toen zij zeventien was naar een kostschool in Lausanne. Hij was zelf een talenliefhebber en vond het belangrijk dat zijn dochter vloeiend Frans leerde spreken. Toen zij hem schreef dat een Duitse klasgenote haar had gevraagd de schoolvakantie met haar bij haar ouders in Duitsland door te brengen, juichte Duncan dat toe. Dat kon haar Duits alleen maar ten goede komen. Dan nu een passage uit de brief waarin Duncan ingaat op een brief die hijzelf van de directeur van de kostschool had ontvangen en waarin deze hem had geschreven dat Maria Dorothea voor het eerst aan de bediening van het avondmaal had deelgenomen.
Een brief aan Maria Dorothea gedateerd 28 september 1861
Ik ben verheugd nu ik uit de brief van monsieur Troyon heb begrepen dat je je weg voldoende helder hebt bevonden en daardoor aangemoedigd aan de tafel des Heeren bent gegaan. Het meest ernstige moment in het leven van een mens is het moment waarop hij, op het punt verloren te gaan, de vrij aangeboden Redder van zondaren aanneemt.
Het volgende ernstige moment is het moment waarop hij zich volledig aansluit bij Christus’ zichtbare kerk, wanneer hij met ‘het hart gelooft ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt ter zaligheid’. Alle ervaring bewijst, zelfs als de bekering echt is en het hart oprecht, dat veel van de schoonheid, kracht, lieflijkheid en werkzaamheid van het leven erna afhangt van het vroegste model dat ‘de nieuw geboren baby’ ontvangt. Ik verlang niet alleen dat je een echt christen zult zijn, maar ook een gezonde en mooie christen.