Bestaat de kerk uit gelijkbeminden of gelijkgezinden?

Eén naam is onze hope,

één grond heeft Christus’ Kerk,

zij rust in ene dope,

en is Zijn scheppingswerk.

Om haar als bruid te werven,

kwam Hij ten hemel af.

Hij was ‘t, die door Zijn sterven

aan haar het leven gaf.

*

In haar Drie-een’ge Heere,

nog in haar aardse strijd,

blijft zij met hen verkeren,

wien ruste werd bereid.

Geef dat in Uw genade,

o God, ook eenmaal wij

langs Uwe lichte paden

gaan tot der zaal’gen rei!

Eenheid is een van de kenmerken van de Kerk van Christus. De twee coupletten uit het gezang Eén naam is onze hope geven duidelijk en mooi aan waarin die eenheid bestaat. Zij is een eenheid in geloof, een eenheid in het kennen van de Heere Jezus Christus en het gelijkvormig zijn aan Hem. In die zin wordt in het Nieuwe Testament over de eenheid van de volgelingen van de Heere Jezus Christus gesproken. De Heere Jezus Zelf heeft gebeden of al de Zijnen zo één mogen zijn, één in de Zoon en één in de Vader, zoals de Vader en de Zoon Zelf één zijn.

*

Waar denk je aan als je het woord kerk hoort?

Vanuit de bovengenoemde eenheid ga ik een antwoord geven op een vraag die meer dan eens wordt gesteld: Bestaat de kerk uit gelijkgezinden of gelijkbeminden? Het antwoord is dan bijna altijd dat de kerk uit gelijkbeminden en niet uit gelijkgezinden bestaat. Veelal wordt er dan nog aan toegevoegd: ‘Wij zijn door God aan elkaar gegeven.’ Zelf heb ik dat meer dan eens gehoord in discussies die ik als jong hervormd predikant had met collega’s in de weken die je in Hydepark (Doorn) moest zijn om te worden nageschoold.

Eigenlijk had ik altijd moeite met de context waarin de vraag werd gesteld en waarin dit antwoord werd gegeven. Bij de kerk bleek het dan namelijk niet om de ene, heilige, katholieke christelijke kerk te gaan die Christus vanaf het begin van de wereld tot aan het einde in enigheid van het ware geloof beschermt en onderhoudt maar om het kerkverband waartoe men zelf behoorde.

Dat men dan in het bewuste kerkverband niet gelijkgezind is, is dan ook voor een buitenstaander volstrekt duidelijk. En meer dan eens gaat het dan niet om middelmatige zaken of bijzaken, maar ook om hoofdzaken die naar Gods Woord de zaligheid raken. Er wordt nogal eens gezegd: ‘’We moeten kerkelijk denken.’ Daar ben ik het helemaal mee eens, maar wie dat doet, begint nooit met het concrete kerkverband waartoe hijzelf behoort maar met de Kerk van alle eeuwen en van alle plaatsen.

*

De Kerk is één in het allerheiligst geloof

Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis betuigt van de katholieke Kerk: ‘Wij geloven en belijden een enige Katholieke of algemene Kerk, die is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze Kerk is er geweest van het begin der wereld af, en zal er zijn tot het einde toe; zoals daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, Die zonder onderdanen niet kan zijn. (…)

Ook mede is deze heilige Kerk niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld; nochtans tezamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht van het geloof.’

De gereformeerde belijdenis benadrukt van de levende leden van de ene, heilige, katholieke christelijke Kerk dat zij niet alleen van eeuwigheid door God de Vader zijn bemind maar ook dat zij in de meest wezenlijke zaken gelijkgezind zijn. Met elkaar belijdt men de Drie-enige God als God van volkomen zaligheid. Zo zijn de levende leden van Christus’ Kerk door God aan elkaar gegeven, maar dit geldt bepaald niet voor alle leden van een concreet kerkverband.

Het is niet zo dat men weet van vrijspraak in Gods gericht, van wedergeboorte tot een levende hoop, van de diepe wens naar Zijn geboden te leven en van heimwee naar God omdat men tot een bepaald kerkverband behoort of omdat men gedoopt is. Het is wel kenmerkend voor een levend lid van de enige Katholieke of algemene Kerk.

Als God ons vrijsprak op grond van het werk van Christus, ons vernieuwt door Zijn Geest en heimwee in ons hart heeft gelegd, dan heeft Hij ons niet alleen aan Zichzelf verbonden maar ook verbonden en gegeven aan allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen. Bij gemeenschap met Christus hoort een band met Zijn Kerk en dan is de Kerk ook de gemeenschap der heiligen.

In dit verband citeer ik een viertal coupletten uit een gezang van de achttiende-eeuwse predikant Johannes Groenewegen:

Zoete banden die mij binden

Aan des Heeren liefde’s volk,

Wis, zij zijn mijn hartevrinden,

Hunne taal mijn hartetolk

*

’t Zijn de kinderen van mijn Vader

en van ’t zelfde huisgezin.

Wij bestaan elkander nader

dan de band van d’ aardse min.

*

Ach hoe kan ’t mijn hart vervoeren,

Als dat volk aan mij verhaalt

Waar gevallen zijn hun snoeren,

En haar harte onbepaald,

Aan den Heere is verbonden,

Hoe z’ omhelsden ’t Godes Lam,

Tot verzoening van de zonden,

Hoe haar Jezus ’t harte nam.

*

Juist mijn eigen hartetalen,

Spraken zij met zoeten toon,

Als dat volk mij ging verhalen,

Hoe zij met Gods eigen Zoon,

In een zaal’ge ondertrouwe,

Zijn vereenigd naar den Geest,

Als zijn bruid en echte vrouw,

Nu en namaal allermeest.

*

Onuitsprekelijke banden,

 Een van geest en een van zin.

 Al kwam ’t volk van verre landen,

 ’t Harte smolt toch samen in.

 Elk verhaalt zijn weg en zaken,

 Hoe hem Jezus is ontmoet.

 Ondertussen ziet gij blaken,

 Hunne ziel in liefde zoet.

*

Het belangrijkste kenmerk van de kerk in haar zichtbare vorm

Ik ga ervan uit dat een gemeente waartoe we mogen behoren, zij het met alle gebreken die zij vertoont, een plaatselijke gestalte is van de ene, heilige, katholieke christelijke Kerk. Naar zo’n gemeente behoren we naar de kerk te gaan. En als ons dat niet mogelijk is, zien we ernaar uit dat de Heere voor ons wegen opent.

Als het gaat om de kerk in haar zichtbare gestalte is haar eerste kenmerk de prediking van het Evangelie, de bediening van de verzoening. Is het uitgangspunt de kerk bestaat niet uit gelijkgezinden maar gelijkbeminden dan heeft het eerste en belangrijkste kenmerk van de kerk in haar zichtbare gestalte geen echte plaats in ons denken.

Wie meent dat de kerk uit gelijkbeminden bestaat maar niet uit gelijkgezinden heeft bewust of onbewust nadrukkelijk afstand genomen van de kerkleer van de Reformatie. De Reformatie stelt dat niet alles wat zich kerk noemt ook echt kerk is. De kerk is daar waar de boodschap van Wet en Evangelie, van schuld en vrijspraak van geloof en bekering klinkt.

Van de kerk in haar zichtbare vorm geldt niet dat al haar leden van eeuwigheid door de Vader zijn bemind. De Reformatoren hebben hier in hun kerkleer teruggegrepen op de grote kerkvader Augustinus die telkens weer naar voren bracht dat de Kerk een dorsvloer is met niet alleen koren maar ook kaf.

Daarom is het zo fundamenteel dat niet alleen de gelovigen zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, wordt verkondigd dat hun zonden hun zijn vergeven, maar ook dat de ongelovigen en degenen die zich niet van harte bekeren wordt betuigd dat de toorn van God op hen rust zolang zij zich niet bekeren, Dat dit laatste niet gebeurt als men de Kerk in haar zichtbare vorm als een gemeenschap van gelijkbeminden ziet, behoeft geen betoog.

Niet onbelangrijk is het volgende: Omdat bij de Heere Jezus de notie dat het volk van Israël, hoewel niet bestaand uit gelijkgezinden, wel bestaat uit gelijkbeminden, niet voorkomt, is voor Jacob Neusner de reden dat hij geen volgeling van Jezus kan zijn, zo blijkt uit zijn boek A Rabbi Talks with Jesus.

Immers, deze notie is onverenigbaar met het onderwijs van Jezus aan verbondskinderen dat zij tenzij zij opnieuw geboren worden Gods koninkrijk niet kunnen zien. Omdat Jezus zo met Zijn onderwijs scheiding teweegbrengt onder het volk, kan Neusner Jezus niet als de Messias aanvaarden. Zeker is dat Jezus’ boodschap dat ‘tenzij een mens wedergeboren wordt, hij Gods koninkrijk niet kan zien’, haaks staat op de gedachte dat heel de kerk in haar zichtbare vorm uit gelijkbeminden bestaat.

*

De belofte dat Christus bij Zijn Kerk blijft, geldt wel de Kerk der eeuwen maar niet een concrete gemeente of kerkverband

Christus houdt Zijn Kerk in stand tot aan de voleinding der wereld. Echter, we mogen deze belofte niet zomaar op de eigen gemeente of het kerkverband waartoe we behoren betrekken. We hoeven alleen maar de waarschuwingen te lezen aan meerdere van de zeven gemeenten van Klein-Azië die wij tegenkomen in de eerste hoofdstukken van het boek Openbaring om te weten dat dit niet zo is. Het boekje van de bekende negentiende-eeuwse anglicaanse bisschop J.C. Ryle Warnings to the Churches (Waarschuwingen aan de kerken) kan ik in dit verband iedereen ter lezing aanbevelen.

De Heere kan van een gemeente of van een heel kerkverband wijken. Wie meent dat dit niet kan, heeft als christen van de Reformatie geen weerwoord tegen Rome. De prediking kan schraal worden en ten slotte kan zij totaal leeg worden. Ik zou niet willen beweren dat wij niet mogen opgaan onder een prediking die minder diep is en die gebreken vertoont. Een gebrekkige prediking is nog geen misleidende prediking.

De prediking wordt misleidend als niet gesproken wordt over de ene Naam tot zaligheid. Of als daar wel over wordt gesproken maar de indruk wordt gewekt dat wie bij de gemeente behoort en gedoopt is de smalle weg bewandelt. Dan functioneert de Bijbelse boodschap van de twee wegen niet. In zo’n geval komt ook niet uit de verf wat wij moeten weten om zalig te leven en te sterven, namelijk allereerst hoe groot mijn zonden en ellenden zijn, vervolgens hoe wij van al onze zonden verlost worden en ten slotte hoe wij God voor zo’n verlossing dankbaar zijn.

Om die prediking gaat het. Als de bazuin van de prediking hier geen helder geluid geeft, is dat dan geen aanleiding om de strijd van het geloof te gaan strijden? Als we het dan mogen gaan doen, is het niet dankzij maar ondanks de prediking die wij hoorden.

Ryle heeft in zijn tijd heel ernstig gewaarschuwd tegen een prediking die de boodschap van de rechtvaardiging door het geloof alleen en van wedergeboorte door Gods Geest maakte aan die van de zichtbare kerk en de sacramenten. Naar zijn diepe overtuiging werd zo het Evangelie krachteloos gemaakt en feitelijk de blijvende betekenis van de Reformatie ontkend. Zo had men naar zijn overtuiging geen weerwoord meer tegen Rome. Maar ernstiger was voor hem dat mensen zo misleid werden voor de eeuwigheid.

Ryle was van harte verbonden aan de Kerk van Engeland zoals de Anglicaanse Kerk in Engeland officieel heet. Maar dat nam niet weg dat hij zonder enige reserve naar voren bracht dat hij nergens in de Schrift kon vinden dat je je ziel 52 zondagen per jaar in een anglicaanse parochie mag laten vergiftigen. Hij wist dat de ene prediker helderder is dan de ander en dat de een de Schrift dieper kan ontvouwen dan de ander. Een gebrekkige prediking was echter voor hem nog geen valse prediking.

Hij liet er evenwel geen misverstand over bestaan dat in een prediking al is die gebrekkig altijd nog wel heel duidelijk de boodschap van de twee wegen doorklinkt. Is dat niet het geval, dan was er voor hem een grens bereikt. Dan vond hij het beter dat je buiten de Kerk van Engeland op zoek ging naar voedsel dan vergif tot je te nemen daar binnen. Zoals Ryle anglicaan was, zo was en ben ik (hersteld) hervormd.

Nergens heeft Christus Zijn belofte van blijvende tegenwoordigheid aan een plaatselijke gemeente gegeven en evenmin aan een kerkverband. Uit de brieven aan de zeven gemeenten in Klein-Azië kunnen we afleiden dat Christus het licht van het Evangelie uit een gemeente kan laten verdwijnen. En de kerkgeschiedenis leert ons dat dit meer dan eens is gebeurd. De gemeenten in Klein-Azië zijn er een voorbeeld van, al is er sinds enkele tientallen jaren weer een kleine christelijke gemeente in Izmir, het vroegere Smyrna. Dat laat ons zien dat het licht van het Evangelie opnieuw kan gaan schijnen waar het verdwenen was.

*

De kerk in haar zichtbare vorm heeft niet alleen levende maar ook dode leden

De gedachte dat wij door God aan elkaar gegeven zijn omdat wij tot hetzelfde kerkverband behoren, staat haaks op de Bijbelse notie dat de kerk een dorsvloer is met niet alleen koren maar ook kaf. Dan is het overigens wel zo dat in dit leven zij die geestelijk gezien kaf zijn nog koren kunnen worden. De HEERE is bij machte voor een doorn een dennenboom en voor een distel een mirteboom te laten opgaan (vgl. Jes. 55:13).

De Heere Jezus Zelf heeft ons geleerd dat er in Zijn gemeente niet alleen wijze maar ook dwaze bouwers zijn, niet alleen wijze maar ook dwaze maagden. Tot de gemeente behoren ook mensen die het bruiloftskleed missen voor de bruiloft van het Lam. Dat valt allemaal weg als wij menen dat de gemeente bestaat uit gelijkbeminden. Calvijn kon in dit verband zeggen dat wanneer de gemeente als beminden van God wordt aangesproken de gemeente wordt aangesproken op haar beste deel en op wat zij behoort te zijn. Ideaal en werkelijkheid liggen hier in het ene geval verder uit elkaar dan in het andere geval, maar dat zij elkaar helemaal dekken is maar zelden het geval. Daarbij moeten we dan ook wel weer bedenken dat God de laatste en hoogste Rechter is.

Hoe dan ook moet in de prediking niet alleen Christus worden uitgeschilderd met bevel van bekering en geloof maar moet ook worden duidelijk gemaakt wie het zijn die Christus toebehoren. Onze doop en onze avondmaalsgang zullen ons niet behouden als er geen sprake is van een levend geloof in Christus en van waarachtige bekering tot God.

*

Wat zijn de grenzen van de eenheid van het geloof?

Uiterlijk is de Kerk van Christus niet één. Kerken voortgekomen uit de Reformatie zijn bijna altijd verbonden met de staatkundige grenzen. En dan is daarnaast sprake van verbrokkeling. Dat laatste is verdrietig als er wel sprake is van eenheid van geloof, als men wel gelijkgezind is. Het kan ook zijn dat de verbrokkeling te maken heeft met het feit dat dwaalleer ging regeren binnen delen van de kerk.

Als het gaat om allerlei bijzaken moeten wij ongetwijfeld elkaar verdragen. Dat geldt ook binnen één gemeente. Ik denk aan de gemeente van Rome. Men was één in de wetenschap dat God vijanden met Zichzelf verzoent door het bloed van Christus; één in de wetenschap at men één plant met Christus was zowel in de gelijkmaking aan Zijn dood en aan Zijn opstanding, één in het gehoorzamen aan Christus en de begeerte Hem gelijkvormig zijn ( vgl. Romeinen 5-6).

Daar hoorde dan ook bij dat men elkaar moest verdragen als de één wel de spijswetten wilde houden en de ander niet en de één wel de oudtestamentische feesten hield maar de ander alle dagen gelijk achtte (vgl. Rom. 14:1-12). Die verscheidenheid deed niets aan de eenheid in het geloof.

Als het gaat om eenheid noemde Groen van Prinsterer in zijn geschrift Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd het volgende: ‘Wicleff, Huss, Luther, Zwinglius, Calvijn, Spener, Whitefield en Wesley predikten dezelfde leer. Volslagen bederf, verzoening in het bloed van Christus, noodzakelijkheid van bekeering en heiligmaking, het nietsbetekenende van eigen geregtigheid; dezelfde leer in al wat zaligheid raakt. Onderling, en met de gelovigen van alle tijden en kerkgenootschappen eensgezind, bouwden zij op het Evangelie en behoorden tot de algemeene christelijke kerk, aan geen tijd, of plaats, of kerkgenootschap verbonden, wier eenheid van geen pauselijk bestuur, maar van Gods Woord en Geest afhankelijk, niet materieel, zoo als in de roomsche kerk, maar geestelijk is.’

Ik denk ook aan de Schotse theoloog John Duncan. Zijn jongste dochter Maria Dorothea trouwde met een Duitse lutherse predikant. Samen emigreerden zij naar Amerika. Duncan had niet alleen een nauwe geestelijke band met zijn dochter, maar voelde zich ook verbonden aan zijn schoonzoon, terwijl zijn schoonzoon reserves had bij de gereformeerde belijdenis, zoals Duncan die had bij de lutherse. In alle openheid sprak Duncan daar met zijn schoonzoon en dochter over en omgekeerd en je vindt dat terug in hun correspondentie. Hij schreef eens aan zijn dochter dat over de volgende leerstukken tussen alle christenen eenstemmigheid behoort te zijn:

  1. De volledige inspiratie van de Schrift
  2. De drie-eenheid
  3. De val in Adam
  4. Zaligheid enkel uit genade door Jezus Christus, Die God en mens is in één persoon
  5. Verlossing door Zijn bloed
  6. Wedergeboorte door de Heilige Geest
  7. Rechtvaardiging door het geloof alleen
  8. Heiliging door Gods Geest
  9. De plicht van de gelovigen om de sacramenten te gebruiken

Met Duncan en meerdere anderen ben ik ervan overtuigd dat de gereformeerde belijdenis de vertolking van de Bijbelse boodschap is. Daarom kan ik zonder reserve mijn geloof met de gereformeerde belijdenis – en heel in het bijzonder van zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus – belijden. Heel verdrietig is dat menig christen zich gereformeerd noemt maar het bepaald niet is, Essentiële zaken uit de gereformeerde belijdenis worden gerelativeerd, hebben geen plaats of worden zelfs ontkend.

Het omgekeerde is ook het geval. Christenen die niet gereformeerd heten, blijken toch de kernen daarvan te onderschrijven en dan denk ik aan de zaken die Groen van Prinsterer en Duncan noemden. Met baptisten, lutheranen en anglicanen kan er geen uiterlijke volkomen kerkelijke eenheid zijn en toch kan er diepe verbondenheid zijn.

Dat er meerdere zaken zijn waarover verschillend kan en mag worden gedacht is duidelijk. Een belijdenis geeft aan waarin men gelijkgezind is en wil zijn. Zo trekt een belijdenis grenzen maar schept zij ook ruimte. We hoeven niet in alles gelijk te denken en al helemaal niet dezelfde accenten te leggen. Een diepe gelijkgezindheid kan verbonden zijn met diversiteit en een zekere diversiteit is er altijd.

Uitzien naar de volkomen eenheid van de kerk

Hier op aarde is de eenheid van geloof niet verbonden met een volledige uiterlijke eenheid. Er zijn ook verschillen in inzicht en ook los daarvan kan er twist en tweedracht zijn. De volmaakte eenheid van de Kerk wordt pas gevonden in het nieuwe Jeruzalem. Niet alleen wereldwijd maar ook plaatselijk – en dan kunnen we beginnen bij de gemeente waartoe we zelf behoren – vertoont de Kerk in haar zichtbare gestalte vlekken en rimpels. Dat verdwijnt pas volledig en voorgoed op de jongste dag. Dan zal de HEERE één zijn en zal Zijn Naam één zijn. wie daarnaar uitziet, bidt elke dag: ‘Kom toch haastig, Heere Jezus.’

Plaats een reactie