Die vraag kan ons worden gesteld. Feitelijk is er dan al sprake van een vooronderstelling, namelijk dat je bij kerk allereerst aan een kerkverband moet denken. En die vooronderstelling is nu juist verkeerd. Uiteindelijk is er maar één kerk waarvan plaatselijke gemeenten een openbaring kunnen zijn en de een is dat dan gebrekkiger dan de ander.
De ene kerk is de heilige, katholieke christelijke kerk en dan is de vraag of wij van die kerk een levend lid zijn. Wij maken wel onderscheid tussen belijdende leden en doopleden, terwijl de (Hersteld) Hervormde Kerk ook nog geboorteleden kent. Hebben we het over de heilige, katholieke christelijke kerk, dan kent die twee soorten leden: levende en dode leden. Onze Heere Jezus Zelf kent slechts het onderscheid tussen schapen en bokken en tussen wijze dwaze maagden.
De anglicaanse predikant John Newton kon degenen die zijn diensten bezochten in drie categorieën verdelen. Dat lijkt strijdig met wat ik zojuist schreef en toch blijkt dat bij nader inzien niet het geval. Hij sprak over hoorders. Dat waren allen die zijn diensten bezochten of zij nu anglicaan waren of niet. Vervolgens had hij het over belijders en dat waren allen die deelnamen aan het Heilig Avondmaal. De laatste categorie waren de kinderen van God.
Newton diende de parochie van Olney en later een parochie in Londen. Over Olney schreef hij: Het verheugende is dat, voor zover wij dat als mens naar het oordeel van de liefde kunnen beoordelen, het verschil in aantal tussen belijders en kinderen van God niet zo groot is als op menige andere plaats het geval is. Daarmee bedoelde Newton dat in Olney de meesten van hen die de kenmerken van Gods kinderen vertoonden deelnamen aan het Heilig Avondmaal en vooral ook dat de meesten die deelnamen aan het Heilig Avondmaal de kenmerken van Gods kinderen vertoonden.
Die kenmerken zijn: het aannemen van de enige Zaligmaker Jezus Christus en daarom dagelijks tot Hem de toevlucht nemen, van de zonde wegvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en onze naaste liefhebben, het vlees kruisigen met zijn werken, het altijd weer strijden tegen zichzelf daarbij smekend om de hulp van Gods Geest.
Ik denk in dit verband aan het volgende. In 1923 werd er in Lekkerkerk een hervormd-gereformeerde evangelisatie opgericht. Het initiatief kwam van thuislezers die bewust hervormd wilden zijn en van mensen die in die tijd de plaatselijke Gereformeerde Kerk verlieten. Dat verklaart dat er genoeg draagvlak kwam voor een evangelisatie. Dan is het voor een nieuwe generatie lezers goed te weten dat een evangelisatie toen een naam was voor een soort noodgemeente omdat naast de plaatselijke Hervormde Kerk. Zo’n evangelisatie werd opgericht omdat daar het Evangelie niet werd verkondigd.
De plaatselijke Gereformeerde Kerk begon van ligging te veranderen. Mijn overgrootmoeder Cornelia Neeltje de Vries-Kalkman (1858-1911) aan wie mijn eerste bijdrage in mijn boek Hij zal genade en ere geven (Den Hertog: Houten, 2026) heeft daar vanaf het ontstaan van een Gereformeerde Kerk in Lekkerkerk tot haar vroege dood in 1911 gekerkt, terwijl haar man thuis preken bleef lezen. Mijn opa die haar jongste zoon was, was dertien jaar toe zij overleed. Zowel haar leven als haar zeer blijmoedige sterven heeft op mijn opa een onuitwisbare indruk nagelaten.
Na de dood van mijn overgrootmoeder ging het bevindelijke en onderscheidenlijke element ging ontbreken in de prediking en, zoals ik aangaf, was dat de reden dat op een gegeven moment een aantal gezinnen de Gereformeerde Kerk verlieten. Toch bleven er mensen lid van deze gemeente ondanks het feit dat ook zij de prediking erg mager vonden. Dat zie je meer als een gemeente van kleur verschiet. De een vertrekt en de ander blijft bezwaard zitten.
Mijn vader die in Lekkerkerk opgroeide heeft meer dan eens het volgende verteld. Voor de opkomst van de supermarkten ging de groenteboer met groente langs de huizen en de melkboer met melk. De plaatselijke melkboer in Lekkerkerk was gereformeerd en toen hij zijn melk afleverde aan een vrouw die ook gereformeerd was, zei hij: ‘Ik heb gisteren de kerk eens rondgekeken en ik kwam tot de conclusie dat wij allemaal mogen delen in de genade op twee na. Bij twee had ik grote vragen.’
De bewuste vrouw antwoordde: ‘Dan weet ik wel wie die twee zijn.’ Toen vroeg de melkboer haar: ‘Aan wie denk jij dan?’ Hij kreeg toen een antwoord dat hij niet had verwacht. De vrouw antwoordde: ‘Allereerst aan mijzelf en dan aan jou.’ Vervolgens sprak deze vrouw over de noodzaak van een levend geloof en waarachtige bekering.
In de Gereformeerde Kerken ging steeds breder de gedachte leven dat je er vanuit mocht gaan dat elke gedoopte deelde in de genade of hij moest wel heel duidelijk laten zien dat dit niet het geval was. Het leek alsof je jezelf de vraag moest stellen: ‘Wat moet ik allemaal nagelaten en gedaan hebben om als gedoopt mens verloren te gaan?’
Echter, de Schrift leert ons dat delen in de zaligheid altijd begint met het besef dat wij Jezus als Zaligmaker nodig hebben en dan onweerstaanbaar tot Hem worden getrokken. Dat is iets wat wijzelf niet kunnen verklaren. Dat is het verborgen werk van Gods Geest. Die werking kan overigens ook al een heel klein kind deelachtig zijn. Hoe dan ook moeten wij onszelf onderzoeken of wij een levend lid zijn van Gods kerk en worden allen die het niet zijn genodigd het te worden door te luisteren naar Hem Die zei: ‘Komt herwaarts tot Mij.’