Is de Bijbel het Woord van God of de unieke cultureel en tijdgebonden neerslag van Gods Woord? Is de eerste vraag: hoe denken christenen hierover of wat zegt God in Zijn Woord?

Deze vraag is niet onbelangrijk. Ik zet op een aantal punten telkens twee benaderingen tegenover elkaar. Bij de eerste wordt de Bijbel zonder reserve met het Woord van God gelijkgesteld. Daardoor leest men de Bijbel in de wetenschap dat het een eenduidige boodschap betreft. De Bijbel is voor ons een betrouwbare gids naar het nieuwe Jeruzalem. Bij deze benadering laat ik christenen aan het woord die het getuigenis van de Schrift, waaronder haar zelfgetuigenis, volstrekt ernstig nemen.

Christenen die de tweede benadering volgen, menen dat onze eigen context een zelfstandige betekenis heeft. Zij wijzen welbewust – of meer dan eens onbewust – de visie af dat de Bijbel de uiteindelijke bron en norm van het geloof kan zijn. De Bijbel zelf is namelijk geen eenheid.

De uniciteit van de Bijbel blijft men erkennen, maar het gaat daarbij om een unieke cultuur- en tijdgebonden neerslag van Gods Woord. Daarom moeten we ons er blijvend op oriënteren, maar zo voegt men eraan toe: we moeten ook luisteren naar wat Gods Geest in onze tijd zegt. Deze benadering is altijd verbonden met een relativering van het Bijbelse getuigenis over de twee wegen.

In mijn middelbareschooltijd, die inmiddels ruim vijftig jaar achter mij ligt, vond de tweede benadering ingang in de Gereformeerde Kerken (die in 2004 opgingen in de PKN). Dit kerkverband werd zeker tot in de jaren zeventig als deel van de gereformeerde gezindte gezien. Toen men in 1967 de zienswijze opgaf dat Genesis 3 als geschiedenis moest worden gezien, begon de vraag te rijzen of men de Gereformeerde Kerken nog wel als deel van de gereformeerde gezindte kon zien.

Tot in de jaren tachtig was de officiële lijn van dit kerkverband zelf dat men bij alle verschuivingen nog altijd bleef binnen de grenzen van Schrift en belijdenis. Dat werd steeds moeilijker om vol te houden en op een gegeven moment had men ook zelf niet meer de behoefte om deze schijn op te houden.

Nu zien we in de huidige gereformeerde gezindte dezelfde verschuivingen en ook nu horen we als verdediging dat men zich nog altijd binnen de grenzen van Schrift en belijdenis beweegt. Dan denk ik aan het sprookje van Hans Christian Andersen, De nieuwe kleren van de keizer. Het sprookje vertelt van een keizer die niets belangrijker vindt dan mooie kleren. Op een dag komen er twee bedriegers naar hem toe. Ze doen alsof ze bijzondere stoffen kunnen maken die onzichtbaar zijn voor mensen die dom zijn of ongeschikt voor hun functie.

De keizer wil deze kleren graag hebben, om te zien wie hij kan vertrouwen. De bedriegers doen alsof ze hard werken, maar in werkelijkheid maken ze helemaal niets. Toch durft niemand — ook de keizer niet — te zeggen dat hij niets ziet, uit angst om dom of onbekwaam te lijken. Uiteindelijk ‘draagt’ de keizer de onzichtbare kleren tijdens een grote optocht. Iedereen juicht en men doet alsof men de prachtige kleding ziet. Dan roept een kind uit het publiek eerlijk: ‘Maar hij heeft helemaal niets aan!’

Zo gaat het ook met de bewering dat men blijft binnen de grenzen van Schrift en belijdenis terwijl men de Schrift niet meer erkent als Gods onfeilbaar Woord, en de inhoud van het geloof dat men belijdt bepaald niet overeenkomt met de gereformeerde belijdenisgeschriften. Op een gegeven moment wordt steeds openlijker geconstateerd dat dit een nietszeggende bewering is.

Zeker is dat de gereformeerde gezindte allerlei symptomen van ontbinding vertoont, al roept men nog zo luid dat dit niet het geval is. Ook hier geldt dat het erkennen van de kwaal de eerste stap is op weg naar herstel. Laten we persoonlijk en kerkelijk onze schuld voor God belijden en terugkeren tot de HEERE, dan mogen we, hoe onverdiend ook, wonderen verwachten. Dan nu de twee benaderingen

*

Veel christenen geloven dat er buiten Christus geen behoud is en dat wie niet in Hem gelooft verloren gaat.

Andere christenen zien vanuit de Bijbel wel openingen voor de gedachte dat er behoud is buiten bewust geloof in Christus. Zij geloven dat Gods genade niet tenietgedaan wordt door het ongeloof van de mens.

*

Veel christenen geloven dat er niet alleen een eeuwige zaligheid is, maar ook een eeuwige rampzaligheid.

Andere christenen zijn ervan overtuigd dat de Bijbel op dit punt geen eenduidig geluid geeft. Naast teksten die inderdaad van een eeuwige rampzaligheid spreken, zijn er ook teksten die ruimte bieden voor de gedachte dat niet-gelovigen worden vernietigd. De gelukzaligheid is wel eeuwig, de rampzaligheid niet. Er zijn ook christenen die ervan overtuigd zijn dat Gods liefde waar de Bijbel zo duidelijk over spreekt, ons houvast biedt voor de gedachte dat uiteindelijk iedereen wordt gered. Op zijn minst mogen wij als wij luisteren naar de Bijbel, die mogelijkheid niet uitsluiten.

*

Veel christenen gaan ervan uit dat de maagdelijke geboorte een feit is.

Andere christenen wijzen erop dat dit feit slechts door twee evangelisten wordt vermeld en sluiten niet uit dat het een legende is die bedoeld is om de uniciteit van Christus te onderstrepen. We mogen niet zeggen dat christenen die zo denken daarmee ontrouw willen zijn aan de Bijbel. We moeten afleren anderen op grond van deze zaak te veroordelen. We zijn immers door Christus aan elkaar gegeven en geloven gezamenlijk dat Hij opstond uit de dood.

*

Veel christenen wijzen – vanuit de visie dat het seksuele leven thuishoort in het huwelijk tussen één man en één vrouw – seksuele gemeenschap buiten het huwelijk af, zoals buitenechtelijke relaties, polyamoreuze relaties, polygamie en mogelijke andere seksuele relaties. Zij weten namelijk dat zonder bekering van seksuele gemeenschap buiten het huwelijk tussen één man en één vrouw een mens Gods koninkrijk niet zal binnengaan.

Andere christenen zien vanuit de Bijbel wel ruimte voor duurzame homoseksuele en heterorelaties buiten een huwelijk, wanneer deze relaties zijn ingebed in liefde en trouw.

*

Het zal duidelijk zijn dat de twee geschetste benaderingen onverenigbaar zijn. Als de eerste benadering juist is, wordt zonder reserve de leer die in het Oude en Nieuwe Testament is begrepen en die in de Artikelen van het christelijk geloof (Apostolische Geloofsbelijdenis) is samengevat, als waarachtig aanvaard.

Waar de tweede benadering ingang vindt, wordt de leugen boven de waarheid geloofd. Dat heeft voor de eeuwigheid zeer ernstige consequenties. Laten ouders, leerkrachten en ambtsdragers zich liefdevol maar ook heel duidelijk van de tweede benadering distantiëren, en bewogen, ernstig en liefdevol getuigen van de waarheid die met de godzaligheid is verbonden.

Ik kan het nog iets anders formuleren. De eerste vraag moet nooit zijn hoe christenen over dingen denken, maar hoe God zelf denkt en dat weten wij uit Zijn Woord. In kernzaken is dat helder en duidelijk. Wie maar iets weet van de kerkgeschiedenis, weet dan dat christenen over tal van zaken verschillend hebben gedacht. Meer dan eens betrof en betreft dat bijzaken of middelmatige zaken. Maar daar beperkt zich het niet toe. Het ging en gaat ook om zaken die de eeuwige bestemming van de mens raken.

Als het gaat om de vraag wie er zalig worden zegt Christus Zelf: ‘Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.’ (Joh. 10:14). De Bijbeltekst die wel de Bijbel in het klein wordt genoemd, namelijk Johannes 3:16 maakt niet alleen duidelijk dat iedereen die in Christus gelooft het eeuwige leven ontvangt, maar ook dat iedereen die in ongeloof volhardt het eeuwig verderf wacht.

Als het gaat om huwelijk en seksualiteit, zegt God ons in Zijn Woord: Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.’ (Heb. 13:4). Dan is het goed te weten dat het Nieuwe Testament alle geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk, ook van hen die van plan zijn met elkaar te trouwen hoererij noemt.

Hoever overtreders buiten zullen staan als zij zich in dit leven niet verootmoedigen en bekeren, kunnen we met een gerust hart aan God overlaten, maar zowel als het gaat om geloof als over levenswandel moeten wij elkaar en anderen wel eerlijk de maatstaven voorhouden die God hanteert: ‘Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch verwijfden (dit is de beste vertaling van het Griekse woord dat hier staat; P.d.V.), noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.

De Bijbel leert ons: ‘Die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.’ (Gal. 5:24). Naar dit getuigenis oordeelt God zowel in dit en in het toekomende leven. Wat is het zaak dat wij eerlijk zijn naar elkaar. Ouders naar kinderen, leerkrachten naar leerlingen en ambtsdragers naar gemeenteleden. Immers wie hierin geen betrouwbare gids is, zal ook het oordeel moeten dragen dat anderen door zijn of haar schuld verloren gingen. Laten wij elkaar voorhouden dat het de moeite waard is God te vrezen en dat wij nooit spijt krijgen van de keuze de smalle weg te bewandelen.

Plaats een reactie