I have been meaning to write to you for a long time to thank you for your blogs, all of which are fascinating and speak to the needs of the hour. (…)
I can sympathise with the weariness you feel over the never-ending discussions, debates, and arguments etc. about covenant, baptism and the promise. I come from a baptist background and it is a great grief to me that good men are divided over such matters. It was a pleasure, when putting together. (…)
I am not a very faithful baptist as I am convinced that the covenant includes promises to believing parents, and I have seen those promises kept by our faithful God in my own wider family. You are right too that God brings His own to repentance and faith, and that too belongs to the covenant. I can understand that in Reformed churches complacency is a grave danger. People may grow up in the church and deceive themselves into thinking they are safe in the covenant and yet be without faith and repentance. Baptists, I fear, tend to err in the opposite direction, placing their emphasis on the requirement of personal faith and repentance to the point of rejecting covenant promises to believers’ children. (…)
The gospel of faith and repentance is a message to be preached to all of us. We are all sinners, and we need to come daily to the throne of grace in repentance, trusting in Christ alone, and turning from our sin.
*
Naschrift
Een baptist zal niet zeggen dat een kind van gelovige ouders ‘in het verbond’ is. Hij zal eventuele willen zeggen dat zo’n kind ‘van het verbond’ is. Hij bevindt zich in de directe omgeving van het verbond. Bij ‘in het verbond’ denkt men aan het inwendige werk van Gods Geest en bij van het verbond als het verkeren in de directe nabijheid van het verbond. We moeten begrijpen dat wij dan wederzijds de uitdrukkingen verschillend invullen.
Voor gereformeerden staat ook vast dat wij pas een levend lidmaat van Gods Kerk zijn als Christus door Zijn Geest in ons woont (zie het klassieke doopsformulier). Wanneer iemand meent dat wij door de doop zelf ingeplant worden in Christus en daarmee de nieuwe werkelijkheid van Gods koninkrijk ingaan, moet ik hem eerlijk zeggen dat, waarin wij verder ook overeenstemmen, onze wegen scheiden. De inplanting in Christus door het geloof dat de Heilige Geest door middel van het Woord in ons hart ontsteekt, bij de diepste essentie van de christelijke geloofsleer hoort.
Waar gereformeerden en gereformeerde baptisten elkaar de hand reiken is dat we alleen door wedergeboorte en geloof delen in Christus en Zijn weldaden en dat de volharding van de heiligen gebaseerd is op Gods verbond dat van geen wankelen weet. Daarom kunnen zowel gereformeerden en gereformeerde baptisten zonder reserve de Dordtse Leerregels onderschrijven.
Wie in de staat van aanneming tot kinderen is gebracht valt er nooit meer uit. We zijn óf een kind des toorns óf een kind van God en nooit beiden. Wie dat beweert, weet niet wat wedergeboorte inhoudt en betekent. Wie een kind des toorns is kan nog heden een kind van God worden. Wie een kind van God is blijft het. Van onze kant blijkt dit daarin dat God ons voor struikelen bewaart en dat als wij in een ernstige zonde vallen God ons berouw en bekering schenkt. Heel duidelijk vinden we deze zaken verwoord in het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels.
De Kerk zingt:
‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên.
Ik weet, hoe ’t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.
*
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ’t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven
Ik kan dit ook met een gezang weergeven:
There is a fountain filled with blood,
Drawn from Immanuel’s veins,
And sinners plunged beneath that flood,
Lose all their guilty stains.
*
The dying thief rejoiced to see
That fountain in his day;
And there have I, as vile as he,
Washed all my sins away.
*
Dear dying Lamb! thy precious blood
Shall never lose its power,
Till all the ransomed church of God
Be saved, to sin no more.
*
E’ver since, by faith, I saw the stream
Thy flowing wounds supply,
Redeeming love has been my theme,
And shall be till I die.
*
But when this lisping stammering tongue
Lies silent in the grave,
Then, in a nobler, sweeter song,
I’ll sing thy power to save.
*
Lord, I believe Thou hast prepared,
unworthy though I be,
For me a blood bought free reward,
a golden harp for me!
*
’Tis strung and tuned for endless years,
and formed by power divine,
To sound in God the Father’s ears
no other name but Thine.
Wat kan er een heimwee zijn naar die stad waar heel Gods vrijgekochte Kerk het lied van het Lam Dat hen vrijkocht men Zijn bloed zonder enige disharmonie zingt. Laten we niet rusten voordat wij weten naar die stad op reis te zijn en is dat het geval, laten we door niets van onszelf te verwachten, het van Hem alleen verwachten.