Er worden allerlei discussies gevoerd over het verbond, de doop en de belofte. Ik weet niet hoe anderen dit ervaren, maar ik word er moe van. Laten we vasthouden en aan anderen vertellen dat heel de wereld sinds de zondeval onder Gods toorn ligt, maar dat God ons in Christus ook Zijn vriendschap aanbiedt. Door Christus krijgen we toegang tot God als Vader. Door het geloof krijgen we deel aan Hem. We worden tot bekering en geloof opgeroepen, en tegelijkertijd is het geloof een gave van God. Dat is een heilig mysterie. Dat hoeven we ook niet te begrijpen. Als we maar weten en voelen dat wij met het hart geloven en de Heere Jezus Christus als onze Zaligmaker liefhebben (Dordtse Leerregels III/IV, 13). We kunnen het ook zo zeggen:
‘En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden).’ (Efeze 2:1-5)
We zijn óf een kind van God óf een kind des toorns. We zijn het nooit alle twee tegelijk. Dat maakt het klassieke doopformulier heel duidelijk. Ik noem in dit verband ook het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels. Wel kan een kind van God ernstig struikelen. Dan brengt God de Zijnen tot inkeer, zoals Hij dat bij David en Petrus deed, en dan worden wij in die weg versterkt in de zekerheid dat wij een eeuwig verbond van genade hebben, dat wij niet alleen in het verbond waren en bleven, maar ook van het verbond zijn. Dit is een onderscheiding die de grote gereformeerde theoloog Herman Bavinck maakte in zijn Gereformeerde Dogmatiek en die wij tegenkomen in zijn boek Roeping en wedergeboorte. Immers, wat baat het ons in de Kerk als lichaam van Christus te zijn en niet van de Kerk te zijn (vgl. artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis)? Daarin moeten wij onszelf beproeven. Ik citeer een passage uit artikel 29:
‘En aangaande degenen die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merktekenen der Christenen; te weten, uit het geloof, en wanneer zij, aangenomen hebbende den enigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hun naaste liefhebben, niet afwijken noch ter rechter- noch ter linkerhand, en hun vlees kruisigen met zijn werken. Alzo nochtans niet, alsof er nog geen grote zwakheid in hen zij; maar zij strijden daartegen door den Geest al de dagen huns levens, nemende voortdurend hun toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid van den Heere Jezus, in Wie zij vergeving hunner zonden hebben, door het geloof in Hem.’
Deze dingen moeten ouders ook hun kinderen voorhouden, en grootouders hun kleinkinderen. Ambtsdragers behoren hiernaar te vragen op het huisbezoek. Kleinmoedigen mogen worden getroost en degenen die zekerheid hebben, tot waakzaamheid worden aangespoord. Blijken deze zaken te ontbreken, dan mag niet verzwegen worden dat gevreesd moet worden dat men nog een kind des toorns is (vgl. antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus) en dat men nog om genade moet gaan vragen en zich bekeren moet.
Er is veel vrijblijvende prediking. Predikanten gaan ervan uit dat een groot deel van hun gemeente onbekeerd is – en laten wij aannemen terecht – maar het ernstige appel tot bekering en geloof ontbreekt. Er wordt een goede exegese geboden en een wens richting onbekeerden uitgesproken, en daar blijft het dan bij. Wat ontbreekt, is de oproep om het verzet tegen God op te geven en onmiddellijk te breken met wat ons van Hem afhoudt. Gemeenteleden wordt ook niet duidelijk voorgehouden dat God ons in Christus Zijn vriendschap biedt en dat de Heere Jezus Christus veel gewilliger is om ons te ontvangen dan wij gewillig zijn om tot Hem te komen. Helaas komt deze vrijblijvendheid aan de rechterzijde van de gereformeerde gezindte voor. Juist daar is het aanleiding tot discussies en ook tot tweespalt.
Er is ook een andere vorm van vrijblijvende prediking. Iedere gedoopte blijkt al vanaf de doop niet alleen in de Kerk, maar ook van de Kerk te zijn. Iedereen zit als gedoopte op de smalle weg en moet erop zien te blijven, en zelfs als men van de smalle weg afraakt, gaan predikanten ervan uit dat het uiteindelijk toch goed komt met degenen die gedoopt zijn. Inderdaad brengt God afkerige kinderen terug. Dat gebeurde bij de verloren zoon in de gelijkenis, maar men kan ook als oudste zoon buiten blijven staan.
In de hervormd-gereformeerde stroming, zowel binnen de Protestantse Kerk in Nederland als binnen de Hersteld Hervormde Kerk, wint een prediking veld waarin niet duidelijk wordt gesteld dat wij óf een kind des toorns zijn óf een kind van God, en waarin de verwoording van de noodzaak van de wedergeboorte ontbreekt. Hoe zullen we echter de brede weg verlaten als wij horen dat wij al op de smalle weg zijn? Ik herhaal nogmaals dat wij in het verband en niet van het verbond kunnen zijn. Dat is eerste is het geval zolang we niet wedergeboren zijn en van dat laatste is sprake als God ons riep en trok uit de duisternis tot zijn wonderbare licht.
Dat je van een kind van God weer een kind des toorns kunt worden, is typisch rooms-katholiek; in de anglicaanse traditie is dat de visie van de anglo-katholieke richting. Door de doop word je in deze zienswijze een kind van God dat deelt in de genade. Door een doodzonde word je van een kind van God weer een kind des toorns en verspeel je de genade die je bij de doop ontving. Alleen door biecht, absolutie en boetedoening kom je weer in de staat der genade.
Volgens de gereformeerde leer is het onmogelijk om van een kind van God weer een kind des toorns te worden. We kunnen heel diep struikelen en dan is God op ons vertoorn als Vader en gaat het niet Gods toorn als Rechter. Die geldt alleen de kinderen des toorns. De doop verzekert ons niet alleen dat het bloed van Christus ons van alle zonden reinigt en dat de Heilige Geest ons vernieuwt maar ook als wij door wedergeboorte en geloof in de staat van de genade, van aanneming tot kinderen en rechtvaardiging zijn gekomen, wij nooit meer uit die staat zullen vallen (vgl. Dordtse Leerregels V, 6).
Wie door het geloof Christus heeft leren omhelzen en zo zijn doop mag verstaan, mag juist daarom in nood en aanvechting zingen:
Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed:
Hij is getrouw, de bron van alle goed;
Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;
Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER.
Zo maakt het leven uit het verbond van genade en uit Christus de Zaligmaker en de Middelaar van het verbond van genade ons niet moe, maar geeft het ons kracht in onze zwakheden. Ik denk in dit verband aan ds. Jac. van Dijk. Hij behoorde van huis uit tot de Gereformeerde Kerken, maar stapte aan het begin van zijn studie theologie over naar de Hervormde Kerk. Hij werd een links-vrijzinnige predikant maar kwam tegen het van de Tweede Wereldoorlog radicaal tot bekering. De laatste jaren van zijn leven had hij te kampen met ernstige depressiviteit. Zijn vrouw heeft zijn ommekeer nooit echt begrepen, maar zij bleef zielsveel van hem houden en hij van haar.
In een interview dat in 1986 in het blad Terdege met haar had, zei mevrouw Van Dijk het volgende: ‘Hij heeft het voor zichzelf vreselijk moeilijk gehad en dikwijls gedacht dat ‘ie alleen stond en dweepziek was geweest. Maar dan kon ik altijd eerlijk zeggen: Jongen, het eerste wat ik in deze wereld (zo bedoelde de kringen waarin zij terecht kwamen na de omkeer van haar man; P.d.V.) hoorde was: “De Heere begint nooit aan een werk dat Hij niet voleindt.” Hij is met jou begonnen, dan zal het einde ook goed zijn.’ Zo heeft zij meer dan zijzelf vermoedde de troost verwoord die Gods kinderen in hun doop mogen vinden.
Steeds meer prediking in de gereformeerde gezindte wordt sacramentalistisch met een vleugje Barth, waardoor men én een kind van God én een kind des toorns zou kunnen zijn. Dan zie je ook dat verloren gaan slechts een randmogelijkheid wordt; een mens komt feitelijk gered op de wereld. Alle gedoopten zitten in principe op de smalle weg en er is een randmogelijkheid dat zij zich bij hun sterven op de brede weg bevinden, maar als onze kinderen gedoopt zijn, hoeven we voor onze kinderen met die mogelijkheid niet echt concreet te rekenen. We zouden ervan uit mogen gaan dat het toch wel goed met hen komt.
Aan de andere kant komt ook voor dat in de prediking de roepstem van Christus niet klinkt en degenen die gedoopt zijn er niet op worden gewezen dat de doop niet minder dan het avondmaal om geloof vraagt. Evenmin als een mens onbekeerd ten avondmaal mag gaan, mag hij onbekeerd gedoopt zijn. Dan maakt het niet uit of wij op volwassen leeftijd of als kind gedoopt zijn. Niemand mag voor zichzelf blijven leven. Dat wordt vaak al te weinig onder de aandacht gebracht.
Zo zien we afwijkingen naar de ene en de andere kant, en meer dan eens krijg je de indruk dat de ene afwijking de andere versterkt. Wie dan een heel ander en echt bijbels geluid wil horen, verwijs ik naar de preken van ds. Jac. van Dijk. In al zijn preken en toespraken komen de werkelijkheden van de rechtvaardiging van de goddeloze en van de persoonlijke bekering en wedergeboorte naar voren, en dat niet op een theoretische wijze.
Wie zijn preken en toespraken beluistert, bemerkt ook hoezeer Van Dijk zichzelf telkens weer insluit als het gaat om vermaning en zelfonderzoek. Juist daarom kon hij ook de kracht van het Evangelie zo helder vertolken. In mijn studententijd luisterde ik, als ik overdag op mijn kamer was, altijd naar zijn toespraak in de Alle-Dag-Kerk die via de NCRV werd uitgezonden, en meer dan eens werd ik verootmoedigd en vertroost. Ik zou wensen dat een prediking met deze grondtonen overal in kerken meer klonk. Ikzelf bid daar ook dagelijks om en ik zou de lezers van deze weblog willen vragen dat ook te gaan doen.
Inmiddels staan er meerdere preken van hem op internet. Op weg naar een preekbeurt en op de terugweg beluisterde ik een preek die mij bijzonder troostte. Hierbij de link:
En ook nog een link naar een preek die ik een aantal weken daarvoor heb beluisterd:
Ten slotte een preek waarin onder andere de betekenis van de doop naar voren komt en de vraag beantwoord wordt of je om een nieuw hart mag vragen